1. Het huis der verdwaalde zielen

 Amsterdam, lente 1971. Het is het jaar van de demo­cratise­ringsgolf op de universiteiten en ik kan mijn studie Neder­lands niet volgen omdat er grootscheepse stakingen en bezet­tingsacties zijn. Ik ben het eens met die acties maar ik doe zelf niet mee. Net twintig, net op kamers, net een vriend­je. Er moet brood op de plank.

 In het psychiatrisch verpleegtehuis waar ik voor halve dagen als verpleeghulp ben gaan werken, klampt mevrouw ‘zeg maar Helena, zuster’ Meyer zich angstig vast aan mijn stijf geste­ven schort. Het is mijn vermomming als verpleegster. Ze moest eens weten dat mijn ervaring niet veel verder reikt dan het plakken van pleisters.

We staan in een rij voor de enige badkamer die het ver­pleegte­huis met zijn 100 patiënten rijk is. Naast mij klinkt geklet­ter als van een overlopende wastafel. Het is mevrouw De Groot, die jammerend en handenwringend, staat te plassen.

Een van de vaste verpleegsters valt boos tegen haar uit waarop zij ver­schrikt terugdeinst. Dat mevrouw De Groot veel last van aambeien heeft en het bovendien naar vindt om zonder haar moeder naar het toilet te moeten, zijn omstan­digheden waar geen rekening mee wordt gehou­den.

De facili­teiten zijn slecht. De huisvesting totaal onge­schikt met al die kamers, gangen, op- en afstapjes, trappen en nis­sen. Voor de vaak toch al in de tijd verdwaalde mannen en vrouwen geeft dit huis nog meer oriënta­tieverlies en angst­ge­voelens. De verpleging, voor zover je ons zo mag noe­men, is snel moe en geïrriteerd door onkunde of door de slech­te om­stan­dig­heden; kwantitatief is er personeel genoeg.

Mevrouw Meyer en ik staan iets dichter bij de badkamer­deur, waar geluiden achter vandaan komen die doen vermoeden dat het daarbinnen niet aangenaam is om te verblijven.

Mevrouw De Groot intussen kan niet worden verschoond, want de onderbroe­ken zijn weer op rantsoen. Ook vanoch­tend stond ik tegenover Mina, de van onmacht steeds hysteri­scher wordende juffrouw van de linnenkamer, die iedere ochtend letterlijk de lakens uitdeelt. En onderbroeken. Niet zoveel als er nódig zijn, neen, zoveel als er zijn. En dat is heel iets anders.

Mijn snel opkomende woede bedwingend, bedenk ik wat ik zal zeggen tegen de bezoekers wanneer die hun ver­wan­ten straks in hun blote kont aantreffen.

 

Mevrouw Meyer en ik zijn in de overvolle badkamer beland. Drie douches en een bad zijn in een ruimte van nauwe­lijks vier bij vijf meter gepropt. Alle kranen staan open en dikke stoomwol­ken maken de mensen tot onwerkelijke figu­ren. Mevrouw Meyer begint zachtjes te huilen en draait zich in de richting van de deur. Dat doet ze altijd als ze in de badkamer is. Niemand weet waarom, ze zal wel geen zin hebben. Maar hier in huis is het motto: zinkoekjes bakken we niet. Ik probeer me­vrouw Meyer naar een douchecabine te krij­gen, maar haar gehuil is inmid­dels overgegaan in luid gebrul; ze probeert mijn hand van haar bovenarmen los te trekken en kijkt intussen wanhopig om zich heen. Ik zie hoe overstuur ze is en vind het eigenlijk waanzin om zo’n oude vrouw te dwingen onder de douche te gaan. Wat een vernedering. Ik stel me voor dat ikzelf zo zou worden behan­deld. De rij achter ons groeit aan, de vaste krachten kijken verstoord op, de druk om mevrouw Meyer ‘gewoon’ op te pakken en, desnoods met kleren en al, onder de douche te zetten, neemt toe. Ik probeer haar nogmaals gerust te stellen, maar het lukt niet. Met een groot gevoel van schaamte sta ik toe dat een collega mij ‘helpt ‘en samen kleden we mevrouw Meyer, die intussen geen stem meer over­ heeft, uit en zetten haar onder de douche. Ik houd haar vast, en de collega zeept haar in. Het doet me sterk denken aan het wassen en schoon­spuiten van dieren in een dierentuin.

                            *****

Terug op de afdeling vlucht mevrouw Meyer naar de slaapzaal en gaat in een hoekje op de grond zitten bibberen. Ik weet niet wat ik moet doen. Niemand weet het.

Ik word afgeleid door de zware, sonore stem van Rika, de enorme vrouw die direct om de hoek van de deur in de slaapzaal ligt. ‘Zuster, wanneer word ik gewassen ? ‘

Rika wassen is in meerdere opzichten een hachelijke onderne­ming. Zij is een zwakbegaafde vrouw, die al jaren op bed ligt en niet meer kan lopen door zwaar geatrofieerde voeten. Rika wilde heel lang niet lopen en bleef steeds op bed liggen. Daar is toenter­tijd niets aan gedaan, met als gevolg dat ze volle­dig invalide is geworden. Haar wassen is een klus die veel van je rug vraagt. Rika heeft verder de gewoonte iedereen uit te schelden en af en toe een klap te verkopen. Ik vind dat niet zo vreemd. Ze wordt niet bepaald prettig bena­derd en haar wasbeurt ervaart het perso­neel overduidelijk als een last. Temeer omdat aan de over­kant van Rika een mevrouw Onder­water in bed ligt, die óf met een mondharmonica in de weer is, óf bezig zich te wurgen met een nylonkous. Ze lijdt aan hysteri­sche aan­vallen en denkt dat ze niet meer kan lopen. Een Rika in wor­ding.

Het overgrote deel van het personeel, vaak net als ik, van de straat geraapt, of met een minimale opleiding, vindt twee van deze vrouwen te veel van het goede. Maar mensen met grote monden schrik­ken mij niet zo af. Boven­dien vind ik het tra­gisch dat deze vrouwen de godganse dag niets anders doen dan liggen. Zonder aan­dacht, want iedereen heeft het te druk met de lichame­lijke verzorging van de vijftig vrouwen, die zwaar geeste­lijk en/of zwaar lichamelijk gehandicapt zijn.

Ik ga Rika wassen en masseer die plaatsen op haar lijf waar door het vele liggen lelijke decubitusplekken zouden kunnen ont­staan. Een mooi Latijns woord voor afschuwelijke gaten met afge­stor­ven weefsel. Door te weinig aan­dacht en tijd te beste­den aan de bedlegerige vrouwen komt dit verschijnsel veel te vaak voor. Er is geen geld om lams  vachtjes onder de drukplek­ken te leggen. Daarom zijn we gedwongen ijs, föhn en chlorofiel ­gaas te gebruiken. Dat is heel secuur werk. Eerst wrijf ik met een ijsblokje over de zwart geworden huid­randen , dan pak ik de föhn en blaas het geheel droog. Ten slotte dek ik de aldus schoongemaakte wond af met een stuk gaas dat door­drenkt is met een zalf die de aanmaak van nieuwe huidcellen bevordert. Het is onaangenaam werk omdat ik het afgestorven weefsel kan ruiken. Een vreemde, zoete lucht. Omdat er ook al geen geld is voor maskertjes, haal ik angstvallig alleen door mijn mond adem. Net zoals bij het opruimen van poep, pies of braak­sel.

     Ik heb een leuk contact met Rika opgebouwd en regelmatig klinkt nu uit deze hoek een laagingezet gelach. Ik denk wel eens: hoe moet het met haar als ik er straks niet meer ben, als de stakingen zijn opgeheven ?.

                            ****

Toen ik voor het eerst in het psychiatrisch verpleeghuis kwam, werd mijn beeld van gekken onmiddellijk bevestigd door de Fellini-achtige figuur die in de gang op mij toesnelde. Wilde ogen, kwijlende mond, onverstaanbare klanken uitstotend en met uitgestoken armen. Dat het Bill was, die niet gek was maar de ziekte van Parkin­son had, wist ik toen nog niet.

Hier in het tehuis zitten mannen en vrouwen met psychi­a­trische ziektebeelden , zoals manische-depressie, hyste­rie, chronische psychoses, maar ook dementen of gees­telijk gehan­dicapten. Joke bijvoorbeeld, met het Down’s syndroom, die met haar mongoloï­de smoeltje bij iedereen vertedering oproept. Of Marijke, die diep-idioot is, en vanuit haar rolstoel alleen kan grommen. Ze heeft een ziekte die een voortdurende over­vloedige zweet­pro­duktie veroor­zaakt, waardoor het niet langer dan een minuut of tien in haar buurt is uit te houden. Om die reden zetten we haar vaak en lang in bad, waardoor haar huid steeds weker en kwetsbaarder wordt.

Of mevrouw De Vries, die al twintig jaar dement is ten gevolge van een niet behandelde syfilis. Ze wordt iedere week trouw bezocht door haar man, die nog geheel bij zinnen is, en haar voert met een fles babyvoeding. Mevrouw De Vries is namelijk weer een baby. Een onoog­lijk klein wijfje van negen­tig jaar, die als een foetus opge­rold in haar bed ligt. Zelfs haar ontlasting lijkt op babypoep.

En dan is er nog mevrouw Van der Pijl, die directiesecre­tares­se was, voordat de manisch-depressieve buien te extreem wer­den. Als ze manisch is scheldt ze iedereen uit, vindt zichzelf de beste van alle patiënten, en het personeel over het alge­meen nogal dom. Dat zij in mijn ogen eigenlijk gelijk heeft, nemen mijn collega’s mij niet in dank af. Me­vrouw is tenslotte gek en heeft bovendien kapsones, zeker omdat ze secretaresse was. Ook met haar krijg ik meer contact. Ik probeer af en toe in te gaan op haar hulpgeroep ‘Zuster, ik wou dat ik die mond van mij kon dichthouden; ik voel me net een bandrecorder die niet meer kan ophouden.’

                            ****

Ik doe mijn best om al deze verdwaalde zielen, die niets met elkaar gemeen hebben, behalve dat ze hulpeloos lijken, een beetje aandacht te geven. Ze lopen als schimmen langs elkaar heen. Ze hebben alleen maar last van elkaar en geen alterna­tief. Enkele verpleegkundigen proberen hun situatie te verbe­teren maar stuiten op gebrek aan geld of onwil van colle­ga’s. Ik begin er langzaamaan erg triest van te worden. Moeten mensen zo leven anno 1972 ? Ik raak ook steeds vaker geïrri­teerd door de wijze waarop sommige patiën­ten aandacht vragen. Moe als ik ben maar ook door het groeiende gevoel van onmacht, word ook ik steeds meer net als die colle­ga’s wier gedrag ik veroordeel.

Het personeel drinkt koffie met elkaar tussen de patiën­ten en de schuif­deuren die de slaapzaal van de huiskamer scheiden. Mevrouw Jansen, een tachtigjarige zwaar demente vrouw die eens aan het hoofd stond van een groot boerenbe­drijf en negen kinderen baarde, is acht jaar nu en roept de hele dag om haar moeder. Ze friemelt aan alle tafelkleedjes, raakt ieder­een, met tranen in de ogen, aan. Ook nu loopt ze weer rond met een schuifelen­de, maar razend­snelle tred. Ze nadert mij en grijpt, luid in zichzelf mompelend, naar het kleed van onze tafel waarop de volle koffie­kopjes staan. Plotseling overvalt mij zo’n ontzettende woede dat ik mij niet meer kan beheersen. Ik grijp haar beet en duw haar hardhandig van mij weg. Ze verliest haar even­wicht, slaat vol tegen de grond en blijft liggen. Ik zit verstijfd van schrik. Mijn collega’s snellen toe en consta­teren dat er niets met mevrouw Jansen loos is. Dat was een narrow escape en ik schaam me dood. Ik neem mij voor om zo snel mogelijk ontslag te nemen. Als ik dit soort dingen ga doen, is het tijd om op te stappen.

                            *****

Niet lang daarna vraagt het afdelingshoofd of ik voor een keer een avonddienst wil draaien. Ik werk al acht maanden uitslui­tend in de ochtenduren. Aarzelend ga ik ak­koord.

Die avond ben ik alleen op de afdeling. Plotseling komt een vrouw naar beneden gerend en vertelt angstig dat mevrouw Michels uit bed is gevallen. Niets vermoedend loop ik met haar mee. Op haar kamer zie ik nog twee vrouwen recht­overeind in hun bed zitten, de een met angstige ogen, de ander met een grijns op haar gezicht. De laatste wijst grinni­kend naar een stille gestalte naast een van de bedden. Ze ligt op haar buik. Uiter­lijk kalm kniel ik bij haar neer en zie dat naast haar hoofd een plas bloed ligt. Het angst­zweet breekt me uit.  Terwijl ik haar geruststel­lend toespreek draai ik de vrouw voor­zichtig om zodat ik haar hoofd­wond kan zien. Op het aange­zicht van een dode ben ik niet voorbereid. Het ziet er afschu­welijk uit. Later hoor ik dat ze een longembolie heeft ge­had. Zonder op mijn eigen angst acht te slaan, loop ik naar ‘ de huiskamer,’ het woonverblijf van de direc­teur en zijn vrouw, en meld mijn vondst. Hoewel zij weten dat ik maar een ver­pleeg­hulp ben, maar waarschijnlijk ook misleid worden door mijn zelfver­zeker­de optreden, vragen zij of ik, samen met de nachtzuster, de dode wil afleggen.

‘Natuurlijk,’ zeg ik, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is en vervoeg mij bij zuster De Wilde, die mij ontvangt met de woorden: ‘de hoeveelste is het van jou ? ‘ alsof er sprake is van een competitie binnen de categorie ‘afleggen’.

‘Mijn eerste,’ stamel ik.

‘Oh. Wat onhandig. Nou ja, samen zal het ons wel lukken. Ik ga de spullen halen en intussen zal de dokter wel komen om de dood officieel vast te stellen.’

De dokter arriveert en constateert geen tekenen van leven meer. Ik sta er als een zoutpilaar bij en voel geen zweem van angst of ander ongemak. Ik kijk als door een microscoop toe hoe de dokter met zichtba­re routine de dode vrouw onderzoekt.  Hij tekent een overlijdens­ver­klaring en ver­dwijnt weer in de nacht. De familie is door de directie gebeld en onderweg hier­heen. 

Terwijl de kamergenotes toekijken,- een kamerscherm of een speciale ruimte is er niet- , help ik mijn collega bij het afleggen. Er moet snel worden gewerkt voor de eerste lijkver­stijving in­treedt. Ik ken dat verschijnsel tot dan toe alleen uit detectiveverhalen. Het heet daar rigor mortis, maar behal­ve die twee Latijnse woor­den, heeft het verder niets fraa­is. We treffen eerst wat voorbereidingen voor we met het eigenlij­ke werk beginnen. Als in trance help ik het bed af te halen, een rood zeil erover­heen te leggen, de dode vrouw op te rapen en te ontdoen van nacht­pon en onder­goed. Terwijl zuster De Wilde controleert of ze alles heeft wat we nodig hebben, maak ik de vloer scho­on. We geven de vrouw een grondige was­beurt; ze heeft bij het dood­gaan alles laten lopen.

‘Allereerst gaan we ervoor zorgen dat mevrouw niet verder leegloopt,’ zegt mijn collega op belerende toon.

Ze haalt uit een plastic zak een flinke prop gele, vettige watten. Zonder veel omhaal stopt ze die zo ver mogelijk in de anus van de nog warm aanvoelende vrouw. Ineens klinkt er uit de mond van het lijk een luide boer en er stromen etensresten langs haar kin, over haar linkerschou­der, op het zeiltje.

Verschrikt doe ik een stap achteruit en val bijna op het bed van een van de patiënten.

‘Kijk, daar is dat zeiltje nou voor,’ zegt zuster De Wilde nogal overbodig, ‘ Meestal gaan ze ook nog flatuleren en hoor je de darmen tekeer gaan.’

     Sprakeloos verricht ik op haar aanwijzingen allerlei handelingen waarvan ik het tot voor kort niet voor mogelijk had gehouden dat ik ze zou doen. Ik maak alsnog zeer indrin­gend kennis met mevrouw Michels. Haar lichaam heeft voor mij na dit ritueel geen geheimen meer.

     Van de zenuwen schiet ik in de lach als de armen die we netjes op haar borst hebben gelegd, voor de tweede maal langs haar lichaam afglijden. Voorts zie ik ineens een gat in de net met moeite aangetrokken nachtpon met bloemetjes. Des te be­langrijker wordt het nu dat de armen op het lichaam blijven liggen, want zo bedekken ze het gat en hoeven wij haar niet nog eens te verkleden.

‘Jammer van die blauwe kleur in haar gezicht. Erg naar voor de nabestaanden, maar wij kunnen d’r niets aan doen. Dat is werk voor de begrafenisondernemer,’ zegt mijn collega op een toon waarin ik spijt meen te horen.

Het ruikt in de kamer naar urine, poep en vette watten.

                            ****

Later op de avond komt mijn vriendje mij op zijn Puch met hallelujastuur ophalen.

‘Nog iets bijzonders gebeurd ? ‘ 

‘ Nee hoor,’zeg ik. Waarom weet ik niet. We gaan nog naar vrienden op de Lijnbaansgracht, een verjaardagsfeestje.

Ik zit op de grond, nip aan een glaasje smerige wijn en luister naar de gesprekken om mij heen. Ineens begint mijn hart tegen mijn ribben te bonzen. Mijn mond wordt kurk­droog en het zweet breekt me uit. Ik voel me onderuit glij­den. Is dit nu flauwvallen of doodgaan, denk ik nog. Ik hoor iemand gil­len:  ‘Ik ga dood, ik ga dood !! ‘

Later, als ik weer bijgekomen ben, vertelt mijn vriendje dat ik dat was.

                            ****

De volgende ochtend fiets ik met een kater van jewelste door het Vondelpark naar mijn werk. Af en toe flitsen beelden van het gesol met mevrouw Michels door mijn hoofd. Hoe is het mogelijk dat ik daaraan heb meegedaan ?

De frisse lentelucht verdringt de imagi­naire, onprettige geuren van gisterenavond. Mijn maag knort en ik hoop dat de kok een bordje havermout voor me heeft bewaard. Wij geven de bewoners van het verpleegtehuis iedere ochtend een bord pap. Makkelijk en goedkoop. En de kunstgebitten slijten er niet zo hard van. Maar bovendien is het wél smake­lijk, hoewel mijn jeugdherinneringen dienaan­gaande niet best zijn. De walgelijke klon­ten die mij deden kok­halzen staan me nog levendig bij. Maar kok Joost hoeft zich voor zíjn haver­mout niet te schamen.

Ik parkeer mijn op zijn Amsterdams ‘geleende’ fiets tegen de gevel van het statige herenhuis. Volgens mij weten passan­ten niets van wat zich achter deze muren afspeelt. Laat staan dat ze vermoeden dat het in hun nette maar gezelli­ge buurt­kroeg regelma­tig wemelt van de gek­ken. We houden de mensen behoorlijk onder de medicijnen, dus veel overlast bezorgen ze niet. Bovendien vallen ze in een horecagelegenheid nauwe­lijks op. Gek van het leven of van de drank, wie ziet het verschil ?

De nachtwacht doet de deur voor me open. Een mengsel van te lang opgehouden urine, ongewassen lijven en lammetjespap dringt mijn neusgaten binnen. Toen ik hier pas werkte ging ik er bijna van over mijn nek, maar het lijkt er op alsof alles went.

Ik loop langs de statige trap met gedraaide houten leu­ningen die naar de sterfkamer van gisterenavond leidt. Onwil­lekeurig kijk ik omhoog. Het is boven in het trap­gat erg donker en ik ben blij dat ik daar niet hoef te zijn vandaag.

Een van mijn demente oude dametjes komt me luid in zich­zelf pratend tegemoet geschuifeld op veel te grote pantof­fels. Haar onderbroek, die geel ziet van de opgedroogde pies, hangt laag tussen haar benen. Ze is zich niet bewust van dit deco­rumver­lies . Wél schijnt ze te merken dat de broek haar belem­mert in haar voortgang want ze bukt zich af en toe en probeert het euvel te verhelpen. Het lijkt erop dat ze niet meer weet wat ze moet doen. Ze plukt aan haar afgezakte kousen en ver­volgt dan weer in zichzelf babbe­lend haar weg.

‘Waar gaat u naartoe, mevrouw Ranzijn ?’ vraag ik vriendelijk terwijl ik haar voorzichtig bij een arm pak. Onmiddelijk verdwijnt haar peinzende gezichtsuitdrukking en maakt plaats voor angst. Ze trekt haar arm los , kijkt me schuin aan en probeert langs me naar de voordeur te glippen. Omdat dit ritueel iedere ochtend opnieuw plaatsvindt, ga ík er gerouti­neerd mee om. Me­vrouw Ranzijn niet. Haar inprentingsvermogen is nagenoeg verdwenen, dus voor haar is het elke ochtend een nieuwe belevenis. Iedere ochtend weer die frustrerende ontmoeting met iemand die haar, om onbegrijpelijke redenen, niet toestaat dit vreemde pand te verlaten en naar haar eigen huis te gaan. Terwijl haar kleine kinderen haar zo hard nodig hebben.

Soms, bijvoorbeeld als ik de avond tevoren gedronken heb, stort mijn moeizaam opgebouwde afweer als een gela­tine­pudding in. Ineens voel ik bij het zien van dit in de tijd ver­dwaalde mensje een brok in mijn keel. Met gemengde gevoelens loods ik haar terug naar de afdeling. Weg van haar kinde­ren. Ik neem mij voor om op mijn terugtocht uit de keuken te proberen een schone onder­broek uit de lin­nenka­mer te stelen . Niet dat dat haar veel kan schelen; zij wil alleen maar weg uit deze vreem­de omge­ving. Maar het sust mijn onbehagen een beetje.

‘Hallo Joost,’roep ik quasi opgewekt. Joost staat in twee enorme ketels te roeren. De havermoutdampen onttrekken hem vrijwel aan het zicht. Zijn koksmuts steekt er als een baken in zee boven uit. Terwijl hij mij een bord havermout in de handen duwt, informeert hij naar mijn welbevinden.

Net als ik overweeg om hem mijn avontuur van gisteren te vertellen, zie ik vanuit mijn ooghoek Marie de keuken binnen­waggelen. Marie is een van die patiënten die je als personeel maar beter te vriend kan houden. Ze heeft een reus­achtige omvang en is uitermate grof in de mond. Ondanks een hoeveel­heid medicatie die volgens mij een ijsbeer vervroegd zijn winter­slaap in zou jagen, kuiert Marie door het huis alsof er geen Valium be­staat. Zo tart ze iedere arts met haar oergezon­de gestel. Met name haar scherpe en hatelijke commen­ta­ren op andermans belevingen zijn dodelijk. Maar als Marie geen direc­te aanlei­ding krijgt om te reageren, houdt ze zich meest­al koest. Ik pak daarom zonder verdere tekst mijn bordje haver­mout aan en eet zwijgend mijn ontbijt. Joost heeft het zo druk met op­scheppen dat hij niet eens merkt dat zijn vraag naar mijn welzijn onbeantwoord blijft. Ik spoel mijn bord om en ga helpen de scha­len met pap naar boven te sjouwen.

                            *****

Op de afdeling staan twee collega’s opgewonden met elkaar te praten. Eentje draait zich naar mij toe en zegt:

‘Hé, Marianne, we kwamen er vandaag achter dat onze douche­weigeraar, mevrouw Meyer, een Joodse vrouw is die in de Tweede Wereldoorlog in een concentratiekamp heeft gezeten.’

Ongelovig kijk ik hem aan. Mijn maag trekt zich krampachig samen. Ik begin te kokhalzen en ren naar het dichtstbij­zijnde toilet.

Terwijl de net verorberde havermout mijn lichaam bijna onverteerd verlaat, besluit ik mijn ontslagbrief te gaan schrij­ven en mijn prille carrière in de ge­zondheids­zorg voor­lopig op te schorten.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.