3. De vrouw die het wel welletjes vond.

Het is inmiddels zomer geworden en ik ben overgeplaatst naar een zogenaamde chronische afdeling. Deze afdeling is gesloten en wordt bevolkt door vrouwen die gemiddeld al meer dan dertig jaar in het ziekenhuis wonen. Tot mijn verbijstering blijken de meeste verpleegsters er al net zo lang te wer­ken. Het verschil tussen patiënt en verpleging is mij soms vol­strekt duister. Neem zuster Ria. Een lange, grofgebouw­de vrouw met handen als een bouwvakker. De wijze waarop zij en mevrouw Pieter­se elkaar bejegenen doet sterk denken aan een stel dat al veertig jaar in onmin samen­leeft.

Zuster Ria, wanneer mevrouw Pieterse haar voor de zoveelste keer sommeert te komen: ‘ Sofia, ik zou het zeer op prijs stellen wanneer je me niet tien keer voor hetzelfde roept. Ik heb nog andere dingen te doen.’  Mevrouw Pieterse, met een klagerige, gebroken stem antwoordt  hoorbaar geroutineerd: ‘Als je niet voor me wilt zorgen zoals dat hoort, had je maar geen verpleegster moeten worden. Maar ja, je had geen keus hè, na dat debâcle met die Johan…’ Alsof een aantal vrouwen perse Freud’s opvattingen over hyste­rische ziekte­beelden wil onderstrepen, is ook deze vrouw al jaren­lang aan haar stoel gekluisterd omdat ze niet kan lopen. Er man­keert haar, volgens de doktoren, medisch gezien niets, maar desal­niettemin weigeren haar onderdanen iedere medewer­king. Met enige moeite kan ik me wel voorstel­len wat haar winst is. Het verschaft haar al dertig jaar een veilig bestaan met veel bedie­nend personeel. De wereld is rustig en overzich­telijk, het snelle bestaan buiten de poort gaat vol­strekt langs haar heen. Het idee dat zij in staat zou zijn te lopen en dus zelfstandig het terrein af zou kunnen, de trein zou kunnen nemen naar Haarlem, of, nog erger, naar huis, is haar waarschijnlijk een gruwel.      Haar geestelijke armoede compenseert zij door zich eens per maand naar de gestichtsbibliotheek te laten duwen, waar zij een forse greep doet naar boeken als Dik Trom, Eeuwig zin­gen­de bossen, Angelique koningin van de engelen en De neger­hut van oom Tom. Zuster Ria en consorten hebben dan het twij­fel­achti­ge genoegen om de boeken naar de afdeling te slepen. Mevrouw Pieterse heeft op haar manier een reputa­tie hoog te houden. En dat wil ze ook graag laten merken aan nieuwkomers zoals ik. ‘Zeg meisje, hou jij eens even mijn tas vast en breng me naar het toilet,’ klinkt het een van mijn eerste werkdagen vanuit de hoek van de woonkamer. Ik ben druk doende om mevrouw Sui­kerbuik zo gek te krijgen dat ze haar beddegoed niet langer als tafel­kleed gebruikt dus antwoord ik nietsvermoedend dat ze even moet wachten. Achter mij barst mevrouw Pieterse in luid gehuil uit. Ze laat haar tas op de grond glijden en maakt aanstalten zichzelf ook te laten vallen. Geschrokken loop ik op haar af en steek mijn handen uit om haar daarvan te weer­houden. Mevrouw Pieterse is ook letterlijk nogal een zwaarge­wicht en ik voel er weinig voor om haar van de grond te moeten oprapen en mijzelf een hernia te bezor­gen. Zij heeft nu alle registers opengetrok­ken en brult als een dier in het nauw. ‘Zuster Ria, zuster Ria, help, help, zij heeft me gesla­gen en van mijn stoel geduwd,’ schreeuwt ze tot mijn afgrij­zen. Op het tumult zijn inmiddels andere patiëntes afge­komen en ik raak ingesloten in een kring van starende en fluisterende vrou­wen. Een van hen stapt naar voren en gaat demonstratief tussen mevrouw Pieterse en mij instaan. ‘Je moet van mijn moeder afblijven,’ zegt ze, de vrouw lief­devol over haar hoofd aaiend. Sprakeloos kijkt ik toe hoe Miep, die zeventig jaar is, de veel jongere mevrouw Pieterse met mamma aanspreekt en haar probeert te kal­meren. Kalmeren ? Het is volgens mij één groot toneelstuk, een waan­zinnige eenakter die mevrouw Pieterse met verve en zichtbaar succes opvoert. Ze trekt duidelijk spottend een wenkbrauw omhoog, en kijkt me intussen triomfantelijk aan. Zuster Ria komt aangestormd en staart naar het tafereel voor haar. Op een toon die suggereert dat ze mij zojuist betrapt heeft op het plegen van een onzedelijke hande­ling, vraagt ze wat ik aan het doen ben. Ik moet me kennelijk schuldig voe­len, alsof ik haar vier­jarig dochtertje ben. Het moedertje spelen is kennelijk erg populair hier, maar ik wens niet mee te doen aan dit krankzin­nige rollenspel.      Wat een rotstreek ook van dat alcoholische oplei­dings­hoofd om mij op zo’n soort afdeling te zetten ! Ze weet dat de pure zorg niet mijn sterkste kant is. Net als de zwakzinnigen maken deze ‘chronisch zieke’ vrouwen me razend met hun al dan niet gespeelde hulpe­loos­heid en afhankelijkheid. Ik heb thuis niet voor niets twee katten. Katten kunnen voor zichzelf zorgen als ik de pest in heb. Ze blijven uit mijn buurt of draaien demon­stratief hun rug naar me toe. Honden daaren­tegen voelen zich persoonlijk aange­sproken en proberen je stemming positief te beïnvloeden door juist naar je toe te komen. Ik kan daar niet tegen en dan loopt zo’n dier bij mij de kans een schop te krij­gen. En in plaats van je naar de strot te vliegen gaan ze in een hoekje zitten janken. Of worden vals. Een kat laat het nooit zover komen. En dat geeft mij het veilige gevoel dat ik niet per ongeluk over de schreef kan gaan. Ik hoef niet als enige op mijn grenzen te letten. Daarom voel ik mij onder deze mensen af en toe een gevaarlijk roof­dier en ik wil hen en mijzelf die bedreiging besparen. Bij verbaal en licha­melijk agressieve patiënten voel ik me veel meer op mijn plaats. Maar ja, de opleiding ver­eist contact met zo verschil­lend mogelij­ke pa­tiënten.    ‘Zuster, help mevrouw in haar stoel en kom daarna ogen­blikke­lijk naar mijn kantoortje ‘. Zonder verder af te wachten of ik haar bevel wel opvolg, stampt zuster Ria resoluut weg uit het toneel­stuk. Ik draai me langzaam om naar de hoofdrol­speelster. ‘Zo mevrouw Pieterse,’ zegt het roofdier in mij,’ dat had u toch beter niet kunnen doen. ú bent hulpeloos, ík niet. ú zit hier voor de rest van uw leven, ík maar tien maanden. Maar oh, wat kunnen die maanden vervelend voor u worden als u mij dit nog eens flikt !’ Half onderuitgezakt kijkt mevrouw Pieterse me met priemende blik aan. Ik priem terug en na enige spannende ogenblikken haalt ze bakzeil. Op een verrassende, directe manier.  Ze beveelt haar ‘dochter ‘ haar omhoog te hijsen en zegt:‘Zo zo, zuster Ligthart. U bent een stuk slimmer dan de meeste van uw soortgenoten. Dat kunnen tien interessante maanden voor mij worden. Welke schrijvers vindt u mooi ? ‘  Soortgenoten ? Even denk ik dat zij het roofdier in mij be­doelt, dan begrijp ik dat ze het over mijn studiegenoten heeft. Ineens voel ik bewondering voor haar omdat het haar lukt om binnen deze wereld van gekken en dwazen die mensen uit te pikken aan wie ze wat kan hebben. In een opwelling steek ik mijn hand uit en zeg: ‘Mevrouw Pieterse, ik denk dat wij het samen wel kunnen vinden. Ik hou erg van Jan Wolkers en Simone de Beauvoir. En u ? ‘ 

Gevaarlijke situa­ties zoals op de vorige afdeling doen zich hier niet voor. De bewoonsters zitten al jaren onder de medi­catie en brengen hun tijd door met roken, limonadedrin­ken, snoepen en elkaar het leven zuur maken. Het enige risico dat je hier loopt is de kans dood te gaan van verveling. De dagen kruipen voor­bij.       De ruimte ziet er verloe­derd uit. Er zijn, behalve voor me­vrouw Pieterse, geen gemak­kelijke stoelen en er is geen plant­je te bekennen. In het oude linoleum zit een waanzinnig patroon van brand­gaatjes, veroorzaakt door jaar in jaar uit achteloos uitgedruk­te sigaret­tenpeuken. Mijn handen jeuken om de boel eens een frisse beurt te geven, desnoods doen we het zelf. Maar na een vergadering met de al dertig jaar hier werkende collega’s ben ik geneigd dat idee maar te laten varen. Hun woonruimtes die zich ook op het terrein bevinden, zien er ongetwijfeld net zo uit.      Laatst toonden ze vol trots een film van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Zuster Ria en mevrouw Pieterse samen op de schommel. Twee leuke jonge meiden, ge­doemd om voor eeuwig bij elkaar te blijven in dit gekkenhuis. Zuster Eva en zuster Margreta met een aantal patiëntes onkruid wiedend in een van de tuinen van het zieken­huis. De beelden schieten zonder  geluid voorbij. Alleen het geknars van de oude projector is te horen en het gesnuif van de patiëntes die elkaar af en toe aanstoten als ze zich­zelf herkennen. De film is grijsge­draaid. Het beeld zit vol strepen en flikkeringen. Het geeft je de illusie dat de gefilmde mensen niet van deze wereld zijn. En dat zijn ze ook eigenlijk niet.  

Na een smakeloze maaltijd, doorgebracht naast een vrouw die al twintig jaar niets meer zegt en steeds gevoerd moet worden, is het tijd voor de afwas. Mijn idee om deze wereldvreemde zielen wat meer in het hier en nu te betrekken door ze mee te laten helpen met afwassen en opruimen ontvangen mijn collega’s bijna met hoongelach. Ze zijn bang dat het veel te lang duurt en dat ze alles zullen laten vallen. Maar ik ben niet voor een klein­tje vervaart en besluit om een eigen experiment te starten.       Mevrouw Visser loopt, met schalkse huppelpasjes, luid zingend door de gang. Ze waant zich een ballerina en heeft het de hele dag over Rudolf Noere­jev. Zij zou best in staat zijn om wat karweitjes te doen op de afdeling. Ik stap dus welge­moed op haar af en vraag haar met me mee te gaan naar de huiskamer. Ze haakt een arm door de mijne en danst vrolijk neu­riënd met me mee. In de huiskamer zitten Miep en mevrouw Pieterse samen over een boek gebogen. De laatste leest voor en maakt gebaren om haar verhaal kracht bij te zetten. De balle­rina en ik stoppen eventjes om te luisteren. Zoals de schepper van Paulus de Boskabouter in zijn eentje al zijn creatu­ren een stem geeft, zo schiet mevrouw Pieterse moei­teloos van een snerpende sopraan naar een wellu­idende bari­ton.  Miep geniet zichtbaar. Het is een fraai schouwspel.       Mevrouw Visser trekt rusteloos aan mijn arm. ‘ Gaan we nu samen dansen ?’ vraagt ze met een hoopvolle blik in de ogen. ‘Nee, vandaag niet. Vandaag gaan we hier de boel eens een opknapbeurt geven.’ Ze kijkt me bedremmeld aan. Haar onderlip begint verdacht te trillen. Stomverbaasd zie ik hoe mevrouw Visser van een vro­lijk danseresje in een stampvoetende kleuter verandert. ‘Ik wil dánsen !’ blert ze,’ ik wíl niks op­knappen !’ Bij ieder woord zwelt het stemvolume aan. Ik maan haar tot stilte terwijl ik verschrikt om me heen kijk of zuster Margreta er al aan komt hollen. Het is oplet­ten gebla­zen voor me, want ik sta intussen in haar zwarte boekje ver­meld. Bovenaan de pagina schreeuwen grote rode letters het uit: ‘Zuster Lig­thart is eigen­wijs en luistert slecht naar haar meerderen. Ze meent beter te weten wat goed is voor de pati­nten dan de psychia­ter.’ Nu is dat wel waar, maar juist dat maakt mij niet bepaald popu­lair bij de meeste oudgedienden. Ik grijp mevrouw Visser dus bij de lurven en probeer haar de huiskamer uit te krijgen. Eerst met zoete woordjes, maar al snel met rigoureuzere maat­regelen want ze heeft het inmiddels op een brullen gezet. Ik leg mijn arm om haar schouder en druk mijn hand op haar mond , om het geluid te dempen. Ze worstelt om los te komen en hoewel ik licha­melijk niet erg sterk ben lukt het me haar de huiska­mer uit te lood­sen, de slaapzaal in. Met een voet trap ik de deur achter ons dicht en duw mevrouw Visser naar een bed. Daar poot ik haar neer en hurk voor haar op de grond. Dat had ik beter kunnen laten want zodra ze los is schopt ze venijnig tegen mijn borst. De siuatie dreigt te escale­ren. Ik moet  geen fysiek geweld meer gebrui­ken. Dat leidt tot niets. Maar wat moet ik dan beginnen met deze agres­sieve Margot Fonteyn ? Terwijl ik overeind krabbel en probeer haar schoppende voeten te ontwijken, vliegt de deur open. Ik durf niet om te kijken. Voetstappen komen dichterbij en voor mij verschijnt Miep. Ze gaat naast de huilende vrouw op bed zitten en neemt haar troostend in de armen, terwijl ze iets in haar oor fluis­tert.Opgelucht kijk ik toe hoe Miep haar kalmeert. Ik fatsoeneer mijn scheefgetrokken schort en wacht af wat ze verder gaat doen. Ze staat op, pakt de handen van mevrouw Visser en trekt haar overeind. Ze veegt de tranen van haar gezicht en neemt haar mee naar de gang. Even later komt Miep terug en zegt: ‘ Ze is weer aan het dansen. Wil je mevrouw Pieterse even komen helpen ? Ze moet naar het toilet.’ In de huiskamer zit mevrouw Pieterse met een voldane trek op haar gezicht mij op te wachten. Ze zegt niets over het inci­dent, maar het kan niet anders dan dat zij Miep heeft ge­stuurd om mij uit de nesten te halen. Ik ben haar eeuwig dankbaar maar realiseer me ook dat ik nu bij haar in het krijt sta. Hoe zou ze mij die schuld laten inlos­sen ? Enfin, dat is van later zorg. Voorlopig ben ik uit de brand. Als Miep mij niet had gered zou ik hier waarschijnlijk niet lang meer hebben ge­werkt.

     Pas later dringt tot mij door dat dat nu juist was wat ik wilde: overgeplaatst worden. Kennelijk zijn een aantal mensen hier mij dierbaarder dan ik zelf besef. Ik neem mij overigens wel voor om niet meer te experimenteren met patiëntenpartici­patie.  

 Ik heb steeds meer het idee in een tijdmachine te zitten die kapot is. De wijzers van de grote klok bewegen zich alsof ze door een dikke laag stroop moeten. Ik kijk om me heen, naar de treurigheid van deze bewoonsters. Of is dat mijn projectie ? Is het mis­schien wel zalig om alleen maar te exis­teren ? Geen bruisend leven, geen vrienden, geen part­ner, geen sex maar óók geen liefdesverdriet, belas­tingaansla­gen of verant­woorde­lijk­heden.      ‘Zuster, mogen we naar Musis ?,’ mevrouw Looienstijn heeft een arm om mij heen geslagen en kijkt me smekend aan. Dus tóch nog behoefte aan wat vertier. Mevrouw Looienstijn is overi­gens een van de weini­gen, naast mevrouw Pieterse, waar nog leven in lijkt te zitten. Ze is ook nog niet zo oud, tegen de zestig. Ze is verzot op muziek maken. Dat wil zeggen: uit verschillen­de instrumenten weet zij op onna­volgbare wijze een hoop herrie te halen. En dat vindt ze nu juist zo leuk. Gewoon af en toe eens flink uit haar dak gaan. Om niet krankzin­niger te worden dan ze al is. ‘Ja, laten we eens even een frisse neus gaan halen,’roep ik, ‘Kom op dames, in de start­blokken.’ De een mopperend, de ander stilletjes schuifelend, scharen zich een achttal dames om mij heen. We stommelen de onhandige stijle trap af naar de uitgang. Net als we het pand willen verlaten, ik heb de sleutel al in het slot, valt er een grote scha­duw over ons gezel­schap. Zuster Margreta wil weten wat wij van plan zijn. Zij stelt de vraag in de pluralis majesta­tis want met ‘wij ‘bedoelt ze duidelijk mijn persoon. Inmiddels ben ik gewend aan de gewoonte van mijn oudere colle­ga’s om te pas en te onpas mijn geweten te masseren en zeg ik op onbekommerde toon dat ‘wij ‘ met deze dames naar Musis willen. Wat drinken, wat muziek, kortom, een beetje leven in de brou­werij. Even vrees ik dat zuster Margreta haar veto over deze onderneming uit zal spreken. Maar waar­schijnlijk schrikt ze terug van de vastberaden blik in mijn ogen, die haar be­looft dat ze nog niet jarig is als ze ‘ons’ een strobreed in de weg legt.

 Innig gearmd wandelen we vrolijk langs de afdeling naar Musis, het drink en gelag paviljoen midden op het terrein, waar alle gekken met hun bewakers regelmatig naar toe trekken. We passe­ren de grote bosvijver, waarin al menig terreinbewoner zich­zelf heeft verdronken. Rustge­vend inderdaad, deze bossen en duinen.     Haar ‘dochter ‘en ik duwen ons gezuster­lijk bijna een breuk aan haar antieke rolstoel, maar we doen het beiden graag. Ieder met ons eigen motief. Er ontspint zich een geani­meerd gesprek over de boeken die ik aan haar heb uitgeleend. Voor een vrouw van haar leeftijd heeft ze in mijn ogen revo­lutionaire opvattingen. Ze vindt Kort Amerikaans van Wolkers erg goed, maar hier en daar wel een beetje schunnig. Vooral die scène in het atelier met de torso is haar wat te pikant. Simone de Beauvoir spreekt haar meer aan. De wijze waarop die haar de­pressie beschrijft in Een welopgevoed meis­je vindt ze heel oprecht. Ze bedankt me nogmaals voor het lenen.

     Naarma­te mijn opleidingstijd verstrijkt verbaas ik me steeds meer over deze vrouw. Wat doet ze toch in dit ge­sticht, tussen die passieve en vaak ook onont­wikkel­de vrouwen. Toen ik het haar laatst vroeg keek ze me alleen maar wat meewarig aan en dook zonder antwoord te geven weer in haar boek.      We naderen Musis en even later overspoelen mij de bekende geluiden van deze uitspanning. Monumentaal lijkt het uitgangs­punt te zijn geweest van de architect van dit ziekenhuis, want ook dit gebouw is zo groot als een flink zwembad. En zo klinkt het er ook. De stemmen van de tientallen bezoekers weerkaatsen vele malen in de ruimte. Dat maakt het converse­ren zeer moei­zaam. Niet dat het de bedoeling is van de meeste patiënten om te praten. Het gaat hen om het snoep, de chips en de limonade die er heel goedkoop zijn. Die in grote hoeveelhe­den inslaan en zo snel mogelijk opeten heeft de hoogste prioriteit.

     Ook hier kruipt de tijd, maar er is iets meer te beleven. Het malle mannetje met piek­haartjes, bretels en een eeuwige snottebel bijvoorbeeld, die altijd een sigaret komt biet­sen. Schuifelend en kwijlend van de medi­cijnen lispelt hij met zijn tandeloze mond ‘saffie, saffie’, onderwijl mimend dat hij rookt. Net als mijn voorgan­gers heb ik geprobeerd nog andere teksten aan hem te ontlok­ken. Tever­geefs. Het lijkt alsof iedere andere gedach­te uit zijn brein is gewist. Niets aan te doen. Stempel­tje erop. Chronisch verklaard.      Of Anneke die mij, met haar lange magere lijf in veel te grote schoenen en een blonde kuif, sterk doet denken aan tante Sido­ni­a en die, als ze het flink op haar heupen heeft, met haar handen vooruitgestoken gillend de ruimte rondrent.      Ik laat het geroezemoes rustig over me heen komen. Als ik dan ook nog door mijn oogharen kijk worden de beslagen ramen stoom­wolken en de aanwezige mensen wazig. Met enige fantasie heeft het dan wel iets van een groot Turks bad. De meeste patiënten zullen niets eens weten wat dat is.      Steeds meer raak ik onder de indruk van het gegeven dat voor de meeste mensen hier dit ziekenhuis en het omliggende terrein de enige werkelijk­heid is. Sexuele revolutie, verande­rende ge­zagsverhoudingen, kabi­net Van Agt of -Den Uyl, het zal hen een worst zijn. Iedere dag brengen ze door in hetzelfde ritme, met dezelfde hande­lingen, dezelfde gezichten, dezelfde wandelpa­den, dezelfde rijdende C & A winkel, dezelfde kapper op het terrein. Een leven prak­tisch zonder kranten, radio of televi­sie. Ieder­een is met zichzelf bezig en zelden met een ander. Bijna niemand is nog in staat binnen de echte wereld buiten de poort te functione­ren. En het gros van de ver­pleging stimuleert dit gedrag alleen maar.

     Als de mensen in de wereld buiten het ziekenhuis door een neutronen­bom zouden worden weggevaagd, blijven deze zielen hier vol­strekt hulpe­loos achter. Of zouden ze hier een dappere nieuwe wereld creëe­ren, waar gevoe­ligheid weer mag en grof bejegenen zwaar zal worden gestraft met een nachtje in een isoleercel ? Een klein Utopia waar iedereen, bevrijd van de zware eisen van de vergane wereld buiten, zijn talenten kan ontplooien op elk denkbaar terrein. De afdelingen zullen natuurlijk gemengd bevolkt gaan worden. Er zullen zowel let­terlijk als figuur­lijk waan­zinnige liefdesrelaties ontstaan en het kleine amphitheater in het bos zal in ere worden hersteld door de vele, eerder ver­guisde poëten en schrijvers. En aan de poort zullen bewakers komen die erop toezien dat eventuele ontsnapten van buiten niet zomaar dit paradijs inkunnen. Ze zullen worden gescreened op eigenschap­pen zoals fantasie, inlevingsvermogen, kunstzin­nig­heid en tolerantie.      Mijn dromerijen worden abrupt onderbroken. ‘ Zullen we weer eens opstappen ?’vraagt mevrouw Suiker­buik, het babydekentje, waarvan ze de punt altijd zacht­jes tegen haar neus wrijft terwijl ze duimt, stevig onder haar arm geklemd. Hoe zou zij zich bijvoorbeeld redden, mijmer ik nog even na, maar gillende Anneke haalt me nu volle­dig terug in de werkelijkheid en samen met een aantal dames verzamelen we de rest van ons illustere gezelschap. ‘Gezellig was het hè ? ‘ zegt een van de dames, haar tas volgestouwd met frisdrank, koek en chips.  Mevrouw Pieterse is voor haar doen erg stilletjes op de terug­weg. Ik vraag haar of we nog even langs de bibliotheek zullen gaan, maar ze zegt dat dat niet nodig is. Haar ‘dochter ‘ duwt zwijgend de rolstoel en ik loop achter hen aan, met aan iedere arm een kinderlijk tevreden dame.      Ineens kondigt mevrouw Pieterse aan dat ze samen met Miep nog wat langer buiten wil blijven en moedigt ons aan om alvast door te lopen. Ze halen ons later wel in. De regel is dat verplegend personeel altijd achter de patiën­ten blijft zodat je kunt zien wat ze uitspo­ken. Maar wat zou mevrouw Pieterse nou kunnen uitspoken ? Ik ga akkoord en spreek over een half uur met hen af bij de ingang van de afdeling. We halen het tweetal in de buurt van de vijver in en verdwijnen voorbij een mooie jeneverbes­struik uit hun zicht. Na een mooie omweg door het eikenlaantje arri­veren we bij de afde­ling. Net als ik de sleutel uit mijn sch­ort­zak wil vissen, zie ik in de verte ‘dochter’ Miep aan komen wande­len. Ze is alleen en schopt als een klein kind kiezelsteentjes voor zich uit. Gea­larmeerd door zowel de afwezig­heid van haar ‘moe­der’als door haar hou­ding, loop ik snel naar haar toe en vraag waar mevrouw Pieter­se is. ‘Die is naar huis, ze vond het wel welletjes.’ is het crypti­sche antwoord.  Wat zou Miep in hemelsnaam bedoelen, ze heeft helemaal geen eigen huis. Langzaam komt er kippevel op mijn armen. De dames zijn om ons heen komen staan en worden wat onrustig door de toon van mijn stem. Een van hen moet nodig plassen en ik ontgrendel de deur en drijf het ploegje dames naar bin­nen. Miep houd ik bij me en terwijl ik de deur op slot doe vraag ik haar nog­maals waar mevrouw Pieterse is. ‘Naar huis zeg ik toch,’ reageert ze korzelig. ‘Maar waar is dat huis dan,’ dring ik aan. ‘Bij haar vader en moeder natuurlijk,’ zegt Miep met een blik vol verbazing over zoveel domheid. Haar vader en moeder ? Die zijn al twintig jaar dood. Wat zou Miep nou toch bedoelen verdomme. Ineens dringt het tot me door. Ik duw Miep opzij en ren terug naar de bosvijver. Als ik de jeneverbesstruik ben gepasseerd strui­kel ik bijna over de rolstoel die midden op het pad staat. Leeg. Ongelovig volgen mijn ogen de onregelma­tige maar over­duidelijke voetsporen naar de drassige waterkant. Het spoor houdt op aan de rand. Als gehypnoti­seerd loop ik langzaam naar de met riet begroeide oever.  ‘ Mevrouw Pieterse ?’roep ik zachtjes, vaag vermoedend dat het al te laat is. Ik zie geen spoor van haar, zie geen li­chaam drijven. Waar is ze ? Moet ik niet ogenblikkelijk hulp gaan halen ? Nagelbijtend sta ik daar maar te staan en ineens schuift het tafereel met mevrouw Van Tijen, de aaneen­geknoopte lakens en de dwarslesie als een dia voor mijn gees­tes­oog. Ik speur nog eens goed het wateroppervlak af en zie dicht bij het reigersnest, dat midden in de vijver ligt, iets drij­ven. Ik loop rustig langs de oever om te kunnen zien wat het is. De tas van Mevrouw Pieterse ligt half verzonken tussen de katte­staarten. De tas waarin ze haar hele hebben en houden bewaart.      Even twijfel ik nog, maar dan draai ik resoluut mijn rug naar het water. Tevreden loop ik op mijn gemak terug naar de afde­ling. Ik sta niet meer bij haar in het krijt.  Miep zit op een oude vuilnisbak naast de afdeling en kijkt me verwachtingsvol aan. Ik pak haar hand, open de afdelings­deur en terwijl we naar boven lopen zeg ik te hopen dat me­vrouw Pieterse het naar haar zin zal hebben thuis, bij haar vader en moeder.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.