2. De deur die even openstond.

  Santpoort,oktober 1975.

Het is een kille avond, slierten mist drijven laag over de afgetrapte grasvelden rond het psychiatrische ziekenhuis waar in totaal 2000 mensen wonen en werken.       Het is doodstil op het terrein. Achter de hoge, matglazen ramen van het hoofdgebouw schieten af en toe schimmen voorbij. Om mij heen hoor ik krassende uilen en ritselende bladeren. Een vleer­muis scheert rakelings over mijn hoofd waardoor ik zo schrik dat ik over een uitstekende boom­wortel struikel. Ik krabbel overeind, kijk onwil­lekeurig over mijn schouder en begin wat harder te lopen. Voor de zoveelste keer nader ik de wanstaltig grote, wel drie meter hoge en twee meter brede deur, mijn oren ge­spitst op voetstappen of stemmen. Gelukkig, geen mensen in de buurt. Ik duw uit alle macht tegen de deur en zet de eerste stappen in de ook al enorme gang van het hoofd­gebouw. De gang is ongeveer 50 meter lang en kruist precies in het midden van het gebouw een andere gang. Je kunt er met gemak een paard doorheen jagen. Ik loop stevig door, mijn voetstappen tienvou­dig weerkaatst in deze kolossale, volstrekt verlaten en schaarsverlichte passa­ge. Midden op het kruis­punt stop ik en kijk snel de gangen in of er iemand aankomt. Zo’n twintig meter naar links gaat een van de afde­lingsdeuren open en een vrouw rent gillend de gang op. Ik loop snel door. Plotseling sta ik weer buiten. De eerste hinder­nis heb ik genomen. Gretig adem ik de mistige avond­lucht in en loop langs het zusterhuis naar het personeels- en oplei­dings­centrum. Daar verzamelen alle wachten van het gekkenhuis zich en halen diepvriesmaaltijden op voor zichzelf en colle­ga’s. De ruimte die overdag wemelt van ver­pleegkundigen en artsen, is nu vrijwel uitge­storven. De maan is net achter de wolken verdwe­nen en het enige licht komt van de tl-balk boven de counter van het restaurant, waar de uitba­ter met een sja­grij­nig smoel het bevroren eten uitdeelt.       Met twee studiegenoten die elders op het grote terrein wer­ken, spreek ik af om na de wacht een flinke borrel te gaan nemen op de Botermarkt in Haarlem. Van alle kanten roepen mensen  ‘prettige wacht ‘ naar elkaar en gaan naar hun afde­ling. Tot in de wee small hours of the morning.

     Gelukkig heb ik geen last van het vreemde dag- en nacht­ritme waarin je verzeild raakt als je een week nachtdienst hebt. Het heeft wel wat. De nacht in en rond het zieken­huis is gespeend van elk stadsgeluid. Het lijkt een andere planeet, met haar eigen atmosfee­r, haar eigen geluiden, haar eigenaar­dige bewoners.   Met stevige pas , want je weet maar nooit wie je verder nog tegen komt, loop ik terug naar de gang in het hoofdgebouw. Bij het kruispunt sla ik linksaf en leg de laat­ste meters af naar de relatieve veiligheid van mijn werk­ter­rein.

     De eerste maanden als leerlingverpleegkundige in dit grote gekkenhuis vallen niet mee. Vanavond ben ik alweer in mijn eentje loopwacht. Dat betekent de zitwachten van drie afdelingen een uur aflossen en de slaapzolder controleren op ongeregeldheden. Het betekent ook dat ik eerst de sleutels van die afdelingen uit de afgesloten kamer van de hoofdzuster moet pakken en die kamer bevindt zich op een afdeling waar mensen wonen van wie ik doodsbang ben. Zuchtend pak ik mijn sleutel en open een tweede gigantische deur. Eigenaardig soepel draait hij open. Alice in het gekkenhuis. Mijn hart stokt bijna in mijn keel als ik zie dat achter die deur een groep diepzwak­zinnigen mij staat op te wach­ten. Alsof ze tegelijkertijd een voor mijn oren onhoorbaar bevel opvolgen, komen ze op mij af. Het schuifelt, lispelt, kwijlt, en wil mij aanraken, zoenen, aaien. Met het zweet op mijn rug zoek ik vertwijfeld naar de sleutel van de kamer waar ik gered zal zijn. Even maar, want als ik de sleutelbos heb gepakt zal ik weer door deze graaien­de groep van verstandsloze zielen heen moeten. Mijn handen zijn zo glibberig van het angstzweet dat ik de sleutel bijna laat vallen.   ‘Sesam open u,’ fluister ik en net als de eerste plakkerige hand mijn arm aanraakt, glijdt goddank de sleutel in het slot en zwaait de deur open. Razendsnel vlucht ik naar binnen en leun met mijn ogen dicht tegen de gesloten deur. Een paar gelukzalige minuten hoor ik helemaal niets. De deur dempt ieder ge­luid. Ik zou me kunnen wijsmaken dat ik net wakker word uit een nachtmerrie. Maar het is al tegen elven. Tijd om de avonddienst te laten weten dat ik er ben. Ik open een kastje en haal er een flinke sleutelbos uit. Een sleutel van elke afdeling, een sleutel van de liftdeur, een sleutel van de slaapzolder en ten slotte een sleutel van de toiletten voor de verpleging. Onderscheid moet er zijn. Denken ze hier soms dat je gek kunt worden van een w.c.bril ?       Opnieuw beleef ik benauwde ogenblikken tussen de naar aandacht en aanraking dorstende wezens en glip snel de desola­te gang in. Ik roep nog net door de kier van de deur ‘tot straks’ naar mijn collega. Ook haar zal ik vannacht een uur moeten aflos­sen.

 Ik open de deur naar de afdeling resocialisatie waar ik altijd werk als ik geen wacht heb. ’s Nachts lijkt alles zo anders. De grote woonzaal is, op een eenzame figuur na, verlaten. Ze leest de krant, zittend aan een ronde tafel, die precies in het midden van de ruimte in een lichtcirkel staat. Alsof een reus met een passer in de weer is geweest. Schemerlampen zijn er niet. In de zaal brandt alleen het plafondlicht boven de tafel. Het is te diffuus om je het gevoel te geven dat je elk moment aan een kruisverhoor onderworpen kan gaan worden, maar te fel om het als zitwacht een beetje behaaglijk te krijgen. En ik kan het weten, want ook die hondebaan heb ik al twee keer gehad.

     Een twintig meter lange gang komt uit op de leef­ruimte. In kleine kamertjes aan weerszijde van die gang slapen de pas opgenomen vrouwen, die volgens de hoofdzuster en de psychiater nog niet zonder constante aanwezigheid van de ver­pleging op de slaapzolder kunnen.       Ik loop de afdelingskeuken in om de net opgehaal­de maal­tijden in de koelkast te leggen. De ruimte ziet eruit als een keuken, maar is het niet. Er is een aanrecht, een gootsteen en er zijn kastjes met serviesgoed. Maar er zijn geen potten en pannen. Al het eten komt uit de centrale gaar­keuken en wordt iedere avond weer door de verpleging in grote etenskarren aangevoerd. Voedzaam, veel, maar vrijwel kleur- en smaakloos. Wijzelf eten niet mee, maar zitten her en der tussen de vrou­wen, om het geheel ordelijk te laten verlo­pen.       Wat levert het deze vrou­wen, die zo in de war zijn, zo gete­kend zijn, zo kwaad en machteloos zijn, in hemelsnaam op als ik hier als een dieren­temmer in een kooi erop toezie hoe ze braaf hun pillen inne­men ? Pillen tegen depressies, wanen, hallucinaties en pillen die de bijverschijnselen moeten ophef­fen.

     Ik loop de keuken uit en blijf even op de drempel van de woonzaal staan. Vannacht tref ik het niet met mijn collega. Ze werkt al eeuwen in het ziekenhuis en is vaste zitwacht op mijn afde­ling. Ze is net zo afgestompt als de meeste van haar colle­ga’s. Helaas heeft ze een tijd geleden ervoor gekozen om alleen nog maar wachten te draaien. Dat betekent dat ik Nel nogal eens tref ’s nachts. Ondanks haar aardige voorkomen en gezellige bab­bels kan ze heel vals worden en dat heb ik liever niet. Ik besluit de sfeer van deze nacht gunstig te beïnvloe­den door haar eens flink wat stroop om de mond te smeren.  Zogenaamd geïnteresseerd zeg ik dat het reuze knus is op haar stek en vraag hoe het met de toestand in de wereld is. Nel reageert ,voor haar doen spits, met de mededeling dat ik dat maar eens aan Mr.Dr.G.B.J.Hilterman moet vragen. Ze gaat zelfs zover een stoel voor me bij te trekken.    ‘ Is de avondploeg al verdwenen ? ‘, vraag ik verbaasd maar vooral opgelucht door haar gastvrije reactie.  ‘Ach ja, mevrouw Van Tijen was, zoals zij dat noemen, weer bezig. Ik zou ook denk ik wel bezig zijn als ik in plaats van in mijn huisje in de Jordaan ineens hier in dit van god verla­ten oord moest slapen. En dan nog zwaar depressief zijn. Je zou er gek van worden. Enfin, ze wisten zich geen raad met haar dus maakten ze aanstalten haar te isoleren. Het was al tegen half elf en mijn lieve collega’s wilden de trein halen. Ik heb haar toen even apart genomen, een kopje thee gezet en haar wat laten razen en uithuilen. Een aai over haar bol, een arm om haar heen, en afgesproken dat ik jou zou vragen af en toe wat extra te komen kijken op zolder. Ze slaapt vanavond voor het eerst boven en dat leek haar vreselijk, wat ik me levendig kan voorstellen.’  Ongelovig kijk ik haar aan. Nella die medelijden heeft met een patiënt ?  En dan ook nog een extra bezoek aan de slaapzolder beloven ? Is ze zelf wel goed snik ? Ik zie me alweer op die spookzolder rondsluipen, met het kippevel op mijn lijf, doods­bang dat mijn zaklantaarn het plotseling begeeft en ik onver­wachts door een psychotische vrouw zal wor­den besprongen.  Ze doet het vast om mij te jennen. Ze vindt het altijd weer een uitdaging om leerlingen op de kast te krijgen. Doodsbang ben ik van haar grillen. Maar vanavond lijkt het alsof de wereld een andere kant op­draait want ik hoor mijzelf ook al ongehoor­de teksten uit­spre­ken.  ‘Fijn hoor dat je haar een extra rondje hebt beloofd ! Ik doe niks liever dan boven in het donker rond te dwalen. Weet je wat ? Ik ga maar meteen ! ‘  Ik laat Nel stomverbaasd achter en been driftig richting goede­renlift die hier gebruikt wordt voor het vervoer van zo’n twintig vrouwen tegelijk. Onderweg graai ik een zaklantaarn uit een kastje, pak mijn schort van de kapstok en haal alvast de liftsleutel uit mijn broekzak. De in mijn lijf opgeroepen adrenaline zorgt er even voor dat ik in plaats van bang vooral erg boos ben. Maar zodra ik alleen in de lift sta ebt die boosheid akelig snel weg en maakt plaats voor het inmiddels zo ver­trouwde weeë gevoel in mijn maagstreek. Het is zo stil om mij heen dat mijn oren ervan suizen. De lift stijgt tergend lang­zaam op. Met een hol metalen geluid staat hij abrupt stil. De altijd sluimeren­de claustrofobie dreigt even de kop op te steken, maar geluk­kig krijg ik de liftdeur vlot open. Op de gang is het, behalve de lichtbundel uit de lift, pikdon­ker. Mijn ogen moeten eraan wennen. Hier slapen zo’n zestig vrouwen , slechts van elkaar geschei­den door een bleek­groen gordijn dat rondom het bed kan worden getrok­ken.

     Ik knip mijn zaklantaarn aan en loop de slaapruimte in, op zoek naar mevrouw Van Tijen. Plotseling realiseer ik mij dat ik Nel vergat te vragen waar dit zielig hoopje mens pre­cies slaapt. Dat wordt dus, bed voor bed, het gordijn zacht­jes wegtrekken en met de zaklantaarn het, hopelijk slapende, gezicht bekijken. Het is geen aanlokkelijk vooruitzicht. Het alternatief is evenmin aangenaam: terug in die lift en terug naar Nel, op wie ik liever nog even kwaad blijf in plaats van haar toorn over mijn gedrag aan te moeten horen, en dan weer omhoog.

     De onafzienbare rij van groen textiele hokjes, de enorme hanebalken en de vale stroken maanlicht die uit de kleine dakramen vallen, maken deze plek tot een wereld die niet meer verbonden lijkt te zijn met die van beneden.       Ik loop verder en probeer mij te herinneren wie waar slaapt. Links mevrouw Hildebrand en naast haar, dat is makke­lijk te onthouden, haar hartsvriendin, mevrouw De Wit. Daar­naast Lydia Oudejans, die de vorige nacht nog op eigen verzoek in de isoleer heeft doorgebracht, omdat ze bang was vermoord te worden door de talloze wezens die zij alleen kan zien en horen. Rechts ligt Bianca, zoals altijd met haar hoofd aan het voeteneind onder de dekens ver­stopt. Naast Bianca is een leeg bed en gelukkig klopt dat; mevrouw Van der Ende is vandaag met ontslag gegaan. Zij is ontko­men, gered. Weer terug in de gekte van buiten. Ik loop verder en net als het weeë gevoel wat begint weg te trekken valt de lichtbundel van mijn zaklantaarn op een stel aan elkaar ge­knoopte lakens. Razendsnel schieten allerlei gruwe­lijke ge­dachten door mijn hoofd en voel ik het bloed uit mijn gezicht wegtrekken. Ze wilde zich na­tuurlijk ophangen en toen kwam ik ineens boven. Waar is ze nu in gods­naam ? Zou ze achter het gordijn met kloppend hart staan te hopen dat ik doorloop en niks heb gemerkt ? Of is ze de zolder opgelopen en heeft ze zich verstopt, wachtend op een nieuwe kans ? Rillend van angst ruk ik abrupt het gordijn opzij en zie met opluch­ting en afgrijzen dat er niemand in bed ligt. Maar waar is ze dan en wie is het eigenlijk ? Wie lag er naast mevrouw Van der Ende ? Niemand, volgens mij. Het bed is al een week leeg. Maar dan zou hij dus wel eens van die mevrouw Van Tijen kunnen zijn. En had Nel niet gezegd dat ze depressief was ?      In mijn hoofd zegt een stem ‘ga terug en haal hulp, doe het jezelf niet aan om een dode vrouw te vinden met een af­schuwe­lijk vertrokken gezicht en een zwarte opgezwollen tong.’  Maar ik voel me toch gedwongen om verder te zoeken, om naar de w.c’s te gaan en te controleren of er soms een op slot zit. Als door een magneet word ik naar de hal getrokken die tussen twee slaapzolders ligt , doe daar het licht aan en laat mijn ogen langs de drie toiletdeuren glijden. Twee staan op ‘vrij ‘, de derde op ‘bezet ‘.       In gedachten zie ik mevrouw Van Tijen aan een balk in de w.c hangen. Zachtjes bungelt haar lijf heen en weer, haar voeten maken nog flauwtjes een trappe­lende beweging, haar opgezwollen tong schiet uit haar mond. Vanuit haar geknakte hoofd staren haar ogen me verwijtend aan. ‘Weg, loop weg, hou hier­mee op ‘, krijst de stem in mijn hoofd.  ‘Wie zit er op de w.c.? ‘, vraag ik en ik schrik van mijn eigen stemgeluid. Er komt geen reactie. In een reflex steek ik mijn hand uit naar de deurknop. Nog even schiet de gedachte door mij heen de deur open te breken. En dan dringt eindelijk de waanzin van mijn gedrag tot mij door en hol ik terug naar de lift. Vreemd genoeg is de deur gesloten maar de lift is er godzijdank nog. Zenuwachtig zoek ik naar de sleutel en net als ik de deur open wil trekken voel ik een arm op mijn schouder. Mijn mond produceert op slag geen speeksel meer en mijn benen dreigen het te begeven. Langzaam draai ik me om en zie tot mijn opluchting Bianca achter me staan. In haar witte nacht­pon, met haar lange loshangende haren en blote voeten lijkt ze op een verdwaalde engel.  ‘Ze zijn er weer, allemaal tegelijk ‘, fluistert ze. Als om het beeld van een engel te versterken begint ze te neuriën. Het lijkt op een litanie om boze geesten te weren. Voor­zichtig pak ik haar bij een arm en leid haar langs de rij groene hokjes tot bij haar eigen bedgordijn. Ze neuriet nog stee­ds. Dadelijk wekt ze haar buurvrouw en wat moet ik dan ? Ik moet hier eerst weg zien te komen. Hulp halen. Mevrouw Van Tijen zoeken. ‘Sssshhht, Bianca, iedereen slaapt’ probeer ik en tot mijn verbazing houdt ze op met zingen. Met het hoofd naar het voeteneind kruipt ze onder de dekens waar ze, door het bedde­goed gedempt, doorgaat met haar bezweringen.      Ik loop gauw terug naar de lift en ga gauw naar beneden.  Nel’s humeur laat me inmiddels koud. Ik moet hier weg. Beneden gekomen ren ik direct naar de woonzaal, maar Nel is er  niet. Ze zit in de gang bij de slaapka­mers aan een tafeltje te breien. Ik loop trillend van top tot teen naar haar toe en vertel over mijn bevindingen boven. Zonder enige aarzeling pakt ze de zaklantaarn uit mijn handen en stuift de afdeling af, naar de lift, naar de slaap­zolder, naar de aan elkaar geknoopte lakens, naar een gruwe­lijke vondst op een van die w.c’s­.

 Langzaam loop ik naar de lift. IJsberend wacht ik op de terug­keer van Nel. Ik hou op met dit werk; ik moet hier weg; dit kan ik niet aan; wat moet ik nu doen; moet ik geen hulp voor Nel gaan halen; wat zou er met die vrouw zijn gebeurd; had ik toch niet beter die deur open kunnen maken, misschien leefde ze nog en had ik kunnen helpen, maar ik weet zo weinig van eerste hulp…De ene gedachte struikelt over de andere en net als ik begin te vrezen dat ik zelf gek ga worden, hoor ik uit de verte de lift naar beneden komen.       De deur schuift met veel kabaal open en Nel ver­schijnt met een kleine, mij onbekende vrouw die met grote angstige ogen om zich heen kijkt. Nel is woedend. Ik heb haar nog nooit zo kwaad gezien. Het is geen pretti­ge ervaring. Ze heeft het bibberende mensje stevig bij de nek en schudt haar heen en weer alsof ze een stofdoek uitklopt. ‘Kijk, mevrouw Van Tijen, dit is de zuster die zo vreselijk is geschrokken van uw fratsen met die lakens en die gesloten w.c. deur. Het is schandalig om iemand die nog maar net komt kijken in dit werk zoiets aan te doen. Misschien komt ze er niet overheen en dan is het uw schuld. U blijft nu verder hier beneden en slaapt in deze kamer, met de deur open.’

Ik krijg geen woord over mijn lippen en kijk toe hoe Nel mevrouw Van Tijen al capittelend naar een van de kamertjes duwt. Ik schaam me dood om Nel. Wat kan die mevrouw eraan doen dat ze gek is ? Daarom is ze toch hier. Wat mij betreft heeft ze er zelfs recht op om zelfmoord te plegen. Uiteraard durf ik dit niet tegen Nel te zeggen.       De rust is weergekeerd en samen drinken we een kop koffie  tegen de schrik. Dan vervolg ik mijn loopwacht. Alsof er niets is gebeurd. En dat is, volgens de normen van dit ziekenhuis, ook eigenlijk zo.

 De volgende stop is de gesloten afdeling op de eerste etage. Joke is zitwacht; ze zal het wel weer druk hebben met Mira, die in de isoleer slaapt. Ik maak de afdelingsdeur open en groet Marijke, die zoals altijd vlak achter de deur staat en haar kans afwacht om de benen te nemen.

       Joke zwaait me uit de verte toe. Ze trekt net de deur van de iso­leer open. ‘Je komt als geroepen. Ik kan wel wat hulp gebruiken als ik Mira verschoon en haar medicijnen geef.’ Ik ga in de deuropening staan en vraag me voor de zoveelste keer af hoe iemand het dag in dag uit in zo’n hok kan uithou­den. Mira’s verblijf is niet meer dan een volstrekt kale ruimte van drie bij drie meter. Op de grond ligt een matras die met scheuren en bijten niet stuk te krijgen is. Op die matras zit Mira aan haar hemd te plukken. Ook dit hemd is van zulke stugge stof gemaakt, dat het onmogelijk is het kapot te trekken. Ze is geheel naakt onder het hemd, dat los om haar heen hangt want knopen, ritsen en veters zijn uiteraard taboe. Zonder merkbare gêne heeft ze een hand tussen haar benen geklemd en wiegt ze met gesloten ogen langzaam heen en weer. Haar armen zijn van boven tot onder stijf gezwachteld en ze heeft een soort bit in haar mond. De eerste keer dat ik dit zag was ik diep verontwaardigd, totdat ik zag hoe zij zichzelf toetakelt als deze voorzorgsmaatregelen niet worden genomen. Ze bijt, snijdt, brandt en krabt zichzelf tot bloedens toe en zit onder de littekens. Heel vroeger werden mensen zoals Mira in ketenen aan een muur vastgemaakt en nog niet zo heel lang geleden werden dwangbuizen en spanla­kens gebruikt. Maar de patiënten werden daar zo claustrofobisch van dat ze nog gekker werden en bovendien kwamen er steeds meer medicijnen die agressie en onrust konden onderdrukken. Maar wat dat voor leven is, zo opgesloten in een isoleer, onder de medicijnen en met weinig zicht op verbetering, daar denk ik maar liever niet aan.

     Ik groet Mira en help Joke haar te wassen en te verscho­nen. Ze laat het, ogenschijnlijk zonder protest, allemaal  gebeuren. Het beeld van een geknakte roos doemt in mij op als ik naar haar fijnbesneden gezicht kijk. Wat voor verwach­tingen heeft zij ooit gehad van het leven ? Wilde ze misschien de wereld rondtrekken of juist traditioneel trou­wen en kinde­ren krijgen ? Of had ze een schit­te­rende carrière voor ogen als violiste of beeld­houwster ?       Joke geeft haar de po en we draaien ons een ogenblik discreet om. Buiten de deur wachten kan niet, dat heeft een collega van ons moeten bekopen met een hersenschudding en een gat in haar hoofd. Mira was de isoleer uitgeslopen en had haar met de volgepieste po op het hoofd geslagen.      We geven haar een injectie met een kalmerend en anti-psychotisch middel. Tot slot zingen we samen een van Mira’s lievelingsliederen: ‘Het land van Maas en Waal’, want voor Mira zijn ook radio’s en afspeelapparatuur gevaar­lijke attri­buten. We nemen de po en het vuile scheurhemd mee en sluiten de deur. Joke loert nog even door het groothoeklensje, om te kijken hoe Mira zich na ons bezoek gedraagt.

‘Alles o.k. geloof ik,’ zegt Joke, ‘ik ben helemaal klaar voor die verrukkelijke diepvriesmaaltijd.’  Ik neem haar plek in de gang over. Elk gekraak of gepiep doet mij recht overeind veren; wat zouden ze allemaal uitspoken achter die deuren ? Overdag is het al eng genoeg tussen die knettergekke vrouwen, ’s nachts sta ik doodsangsten uit. Voor de zoveelste keer vraag ik me af of ik wel ge­schikt ben. Goddank is Joke weer snel terug. Ze moet nog veel doen. ‘Tot vijf uur,’ zeggen we, en ik ga verder naar de parterre. Naar de afdeling met de zwakzinnigen en diepidio­ten, die ook nog psychisch gestoord zijn. Naar de afdeling waar mijn avond begon…Voor hen ben ik nog het bangste. Ik vind het karika­turen van mensen. Ze zijn niet gevaarlijk maar ik word misse­lijk van die intense lichaamsgeuren, die neiging tot aaien en zoenen, die drang tot directe bevrediging van hun behoeftes.

     Afgelopen week was juffrouw Ooievaar zich te buiten gegaan aan de inhoud van de asbakken. Behalve de peuken had ze ook de punaises ingeslikt die een van de leerling-verpleegkun­digen per onge­luk daarin had gelegd. Met spoed werd ze opgeno­men in het Wilhel­mina Gasthuis in Amsterdam, alwaar men een halve ijzerwinkel in haar maag en ingewanden aantrof. Het was kenne­lijk niet de eerste keer dat ze punaises en spijkers had gegeten. Volgende week komt ze weer terug, klaar voor nieuwe lek­kernij­en. En voor wie precies is het nu zo fijn dat de verpleging hen leert met mes en vork te eten of op een trom­meltje te slaan ?  Zuchtend loop ik door naar Marga, die midden op de slaapzaal tussen de patiënten zit. ‘De aflossing is nabij,’ fluister ik, terwijl ik de omgeving nauwlettend bespied. Zie ik daar een schaduw uit bed glippen of is dat verbeelding ?

     Ook Marga maakt dankbaar gebruik van mijn aanwezigheid, en verdwijnt naar de keuken om daar in alle rust haar maaltijd te kunnen nuttigen. Ik ga in haar stoel zitten en zet me schrap voor een half uur durende bezoeking. Het ergste is het mastur­beren. Niet dat ik dat deze mensen misgun, maar de wijze waarop een aantal vrouwen zich hieraan overgeeft, vind ik weerzinwekkend. Amorfe vormen bewegen wild onder de dekens. Het gesop en gesteun is ook vanavond weer niet van de lucht. De combinatie van li­chaamsgeuren en geluiden doet me denken aan de apekooien in Artis. Vastberaden stop ik de meegenomen oordopjes in mijn oren. Er zíjn grenzen en dit zijn de mijne.

     Na Marga heb ik even rust op mijn eigen afdeling, waar ik nog een potje klaverjas met Nel. Om vijf uur ga ik de medi­cijnen klaarzetten, en tegen zessen keer ik terug naar Marga om haar te helpen met het wassen van de zwakzinnige vrouwen. Een verschrikkelijk karwei. Ik moet alle zeilen bijzetten om niet gillend weg te lopen. De dungeworden washandjes bescher­men mijn handen nauwe­lijks tegen een directe aanraking met hun huid die, als een te grote jas, in dikke plooien en vetlagen om hen heen hangt.      Tegen zevenen zie ik het eindelijk licht worden. De slierten mist trekken, samen met het weeë gevoel in mijn maag, langzaam weg. Tijd voor een borrel. Op naar Haarlem.

 De volgende dag wordt mevrouw Van Tijen wegens suicidaal gedrag naar de gesloten afdeling op de eerste verdieping ge­bracht. Het is daar erg moeilijk om uit een onverdraaglijk leven te stappen. Er zijn geen messen, scharen, of andere scherpe voorwerpen. Iedere dag worden de kamers en de vrouwen doorzocht op eventueel achtergehouden medicatie. Ramen en deuren zijn van onbreekbaar glas en moeten altijd dicht blij­ven, ook in de zomer.      Ik neem mij voor om haar snel eens te bezoeken, hoewel mijn motieven niet zo filantropisch zijn. Ik voel me schuldig aan haar situatie omdat ik me daarboven op die zolder zo heb aange­steld. Zo laf was. Zo angsthazerig. Slechte eigen­schappen voor iemand die met gekken werkt.      De rest van mijn wachtweek is het rustig op de slaapzol­der. Bijna saai. Het is ook nooit goed.

 Vrolijk fluitend marcheer ik het ziekenhuisterrein op na een welverdiende week vrij. Overdag ziet het terrein er totaal anders uit. Uilen en vleermuizen slapen, de gevallen bladeren ritselen nu vredig in een zacht herfstbriesje en ik kan mijn omgeving haarscherp bekijken. Grote eiken staan als wach­ters aan weerszijde van een smal pad aan het einde waarvan ik de grote bosvij­ver , glinsterend in de herfstzon, zie liggen. De grote deur die mij ’s nachts in Alice in Gekkenland laat veranderen is overdag groot, maar meer niet. De helverlichte gang erachter is zonder de nachtelijke schadu­wen evenmin  angstaan­jagend. Ik loop naar mijn afdeling en groet collega’s die ik onderweg tegenkom.       De afdelingsdeur staat open want de schoonmaakploeg van Spaan­se vrouwen is druk aan het poetsen. Ze vertellen elkaar van alles en nog wat, terwijl ze met rappe handen de vloeren dweilen en de meubels afsoppen. Hoewel ze nauwelijks Neder­lands spreken hebben ze een merkwaardig goed contact met de patiënten die hen graag zien komen. Soms ben ik ik een beetje jaloers op hen. Wat zou hun geheim zijn ?

 Als ik een week later naar de eerste etage ga om een studiege­noot te spreken, ontmoet ik veel ongewone bedrijvigheid onder personeel en patiënten. Terwijl ik het kantoortje van de ver­pleging nader hoor ik mijn collega’s heftig in gesprek:

‘Vreselijk…..mevrouw Van Tijen…. een dwarslesie….’,

‘….met haar hoofd naar beneden ja…..,’

‘Niet te geloven, die balkondeur stond maar even open……,’

Terwijl de tranen over mijn wangen lopen, besef ik dat ik haar haar gang had moeten laten gaan op die zolder.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.