8. De man die naar Woerden wilde

 

Amsterdam, winter 1985.

Met nauwelijks enig zicht worstel ik me op de fiets door een sneeu­wbui langs het metrostation dat om nogal suffe redenen niet bij de ingang ligt van het gebouw waar mijn nieuwe werk­gever zetelt, maar aan de achterkant. Onhandig voor bezoek en eventue­le uitbre­kers. Maar dat hoor ik pas later, als ik met mijn werk als bejege­ningsfunctionaris ben begonnen. Verkleumd fiets ik langs het verlaten honk van de Hells-An­gels, op weg naar de hoofdingang van de Penitenti­aire Inrichting. Een chique woord voor gevangenis.

     Onder het dak van de parkeergarage staan een paar bijna lege fietsen­rekken. De werkne­mers van deze bajes zijn duide­lijk geen fanatieke fietsers. Het is er donker en stil; de neiging om voortdurend over mijn schouder te loeren is bijna niet te bedwingen. Snel zet ik mijn fiets op slot en glibber over de beijzelde weg naar de hoofdingang. De voordeur van het giganti­sche rechthoekige complex, met zijn zes torens en voorgebouw, is hermetisch gesloten. De deur zwaait na enige tijd open en een rij mensen stroomt naar buiten. Ze komen uit de personeelsingang, dus het zijn geen boeven. Ik betrap mijzelf erop dat ik het raar vind dat ze er hetzelfde uitzien als mensen die op een gewoon kantoor werken.      Onwennig stap ik als enige naar binnen, en schrik onwil­le­keu­rig als de grote deur achter mij in het slot valt. Achter glas zijn een aantal geüniformeerde lieden druk doen­de. Ik meld me met mijn paspoort en bewijs van goed gedrag bij de zwijgende figuur achter het loket. Vorsend kijkt hij mij enige tijd aan, bladert wat door mijn paspoort, schrijft iets on­leesbaars op een papiertje en schuift dat, gestempeld en wel, onder het glas door. ‘Hier rechts de deur door, dan de trap op tot de eerste ver­dieping, daar wacht u tot de sluis opengaat. Dan loopt u weer rechtdoor tot u bij de centrale meldpost bent. Daar wijzen ze u wel verder.’ Sluis ? Centrale meldpost ? Ik heb geen flauw idee waar dit over gaat, maar ik neem de eerste horden zonder problemen. Beklemmend om via de camera’s allerlei ogen op je gericht te weten. Er is geen hond te bekennen en toch gaan er, als van­zelf lijkt het, deuren open en dicht. Er zitten hier ook vrouwen vast. Dadelijk denken ze dat ik een gedeti­neerde ben en laten ze me er niet meer uit…. Aan het einde van de gang zie ik een bouwsel dat veel weg heeft van een groot aquarium. Ik nader kennelijk de cen­trale meldpost. Ook hier zijn mannen en vrouwen in uniform druk bezig. Overal moni­toren, knoppen en microfoons. Ik moet weer mijn paperassen laten zien en opnieuw zwaait een deur voor me open en achter me dicht. Wat ik dan zie doet me haast terug­deinzen. De gang in het psychiatrisch ziekenhuis in Santpoort was niet mis, maar dit tart ieders verbeelding. Was het mogelijk om in Santpoort een paard door de gang te jagen, hier kunnen twee vrachtwa­gens elkaar met gemak passeren. De gang die zich voor me uitstrekt is zeker 200 meter lang en 20 breed. Aan weers­zijden bevinden zich de ingan­gen naar de ver­schillen­de torens. De muren zijn vro­lijk be­schilderd en de vloer lijkt een soort noppen­zeil. Met een duizelig gevoel in mijn hoofd zet ik een voet op de eerste trede van de trap die over de gehele breedte van de gang ligt. De treden zijn erg laag en zo breed dat ik er twee stappen op moet zet­ten. Zes treden verder kijk ik zenuw­achtig om naar de deur die zich alweer achter me heeft geslo­ten. Het begint op het Droste-effect te lijken; een deur in een deur in een deur. Hoe­veel zal ik er nog moeten passe­ren ? Voor mij lopen mensen af en aan. Wie zijn de gede­tineer­den en wie het perso­neel ? Bijna bang om door deze immense gang te worden verzwolgen, ga ik dicht langs de muur lopen en vermijd oog­contact met de voor­bijgangers. Ik vraag mij af of ik het aankan om iedere dag twee maal deze weg te gaan. On­danks de kolossale afmetingen bekruipt mij langzaam een clau­strofobisch gevoel. ‘Tweede toren aan de rechterkant’,had een van de bewakers gebromd toen ik de naam van het huis van bewaring noemde.

Bij de ingang van de toren vraagt een stem via de intercom wie ik ben. Na even wachten gaat de deur voor mij open en loop ik naar de volgende glazen doos. Twee mannen die beduidend vrien­delijker en relaxter reageren dan hun collega’s op de vorige meldpos­ten, vragen evengoed naar mijn legitima­tie. Deze laat­ste hindernis wijkt ten slotte ook en Pie­ter, degene die ik zal gaan opvol­gen, staat me op te wachten.      De omgeving oogt als een doorsnee kantoor, niets asso­cieert met het zwaar beveilig­de complex waar ik net doorheen ben gelopen. Links en rechts zijn kamers met mannen en vrouwen in burger die achter bureaus en typema­chines aan het werk zijn. Pieter stelt mij aan al deze mensen oppervlakkig voor. Spoedig duizelt het mij van de namen en functies. Dan sta ik opeens voor een wat slunge­lige man van een jaar of der­tig, die in de perso­neels­kantine tafeltjes aan het schoon­maken is.  ‘Dit is Gerrit van Veen, hij is gedetineerd op paviljoen drie en koffie-boy op onze etage. Gerrit, dit wordt onze nieuwe beje­geningsfunctionaris.’ ‘Krijg de colere, een vrouw,’hoor ik Gerrit tot mijn verba­zing zeg­gen. ‘Ja, vind je dat nou niet leuk ? ‘ zegt Pieter en kijkt mij zijdelings aan. ‘Het interesseert me geen hol wat ze tussen d’r benen hee­ft. Als ze d’r maar voor zorgt dat ik op tijd met verlof ken.’ ‘Als je je baantje wilt houden Van Veen, zou ik toch wat minder vuil in de bek worden,’ waarschuwt Pieter. Van zijn eerdere joviale omgang is niets meer te merken. ‘Je moet ze meteen je grenzen laten zien hoor, anders gaan ze met je aan de haal en red je het hier niet,’ fluistert Pieter, terwijl we doorlopen naar zijn kantoor dat straks het mijne zal zijn. ‘Dat geldt overigens net zo voor de bewakers hier. Die willen ook nog wel eens de macho uithangen tegen het vrouwe­lijke perso­neel.’ Natuurlijk weet ik dat ik de enige vrouw ben op middenkaderni­veau, en slechts een van de twintig vrouwen in de hele toren, maar ik krijg nu het sombere vermoeden dat het een heel zware dobber zal worden. Veertig mannelijke bewakers en gemid­deld 100 mannelij­ke gede­ti­neerden zullen mijn alledaagse werkelijk­heid zijn. Pieter meldt dat hij eerder zal worden overge­plaatst naar een ander huis van bewaring dan we hadden ge­dacht. De gedetineerde door wiens komst hij zal moeten ver­trekken, zal een paar weken eerder arri­veren. Deze heetgeba­kerde zware jongen geeft er namelijk voort­durend blijk van zijn confronta­tie met Pieter, jaren geleden in Scheveningen, niet te zijn vergeten en voor de zekerheid heeft men besloten de twee mannen niet in hetzelfde gebouw te laten. Ik vind het allang best. Ik dank tenslotte aan dit haatdra­gende type mijn nieuwe baan. Dat Pieter eerder moet vertrekken betekent wel dat ik sneller ingewerkt moet zien te raken.

 Na de afgelopen maand zo goed mogelijk door Pieter te zijn ingewijd in de geheimen van zijn baan, ben ik vandaag voor het eerst in functie tijdens het ochtendrapport. In deze bijeen­komst is iedere discipline vertegenwoor­digd. We bespre­ken het actuele reilen en zeilen in de toren en vooral de veiligheid. ‘Marianne, ik zou graag even met jou en Wouter overleggen zodra we hier klaar zijn.’ De spreker is een tengere man met een fijnbesneden, licht besnord gezicht en een wat droevige oogopslag; de directeur van deze toren. Wat een verantwoorde-lijkheid, denk ik.  Samen met Wouter, de maatschappelijk werker, wacht ik tot iedereen de kamer heeft verlaten. ‘Gisteren vertelde Wouter me dat jij door een aantal ge­sprek­ken met gedetineerden de indruk kreeg dat er een ontsnap­ping in de lucht hangt. Klopt dat ?’ ‘Dat klopt ja,’ zeg ik, terwijl het zweet me weer eens spon­taan uitbreekt. Ik moet nog wennen aan de macht die je hier per defini­tie hebt. Aan mijn woorden hecht men veel waar­de. Ik kan mensen ernstig duperen doordat ze op basis van mijn waar­nemingen worden overgeplaatst of doordat hun cel moet worden door­zocht. ‘Van de week heb ik een aantal selectiegesprekken met gedeti­neerden ge­voerd. Een van hen was François Olivier, die pas is veroor­deeld wegens die gewapende bankoverval in Amstel­veen. Hij vroeg of hij naar paviljoen vier mocht, omdat daar ook een Fransman zit. Omdat het nog wel even kan duren voor hij naar een gevangenis gaat, leek het mij geen onzin­nig verzoek. Het Frans van de bewaarders is tenslotte ook niet meer wat het geweest is.’ De directeur glimlacht even en vraagt me verder te gaan. ‘En toch kreeg ik er een raar gevoel bij. Op hetzelfde pavil­joen zit namelijk een Franssprekende Belg, die mij vertelde dat hij in het bezoek dat François laatst kreeg een oude maat herkende uit een gevangenis in Belgie. Ook een bankover­val­ler.’ ‘Waarom was die Belg zo vriendelijk jou dat te vertellen ? ‘ onderbreekt de directeur.‘Zijn moeder is onlangs overleden en toen heb ik een strafon­der­breking voor hem kunnen regelen. Eeuwige dankbaarheid dus. Enfin, om een lang verhaal kort te maken: die informatie én het feit dat François de komende tien jaar gebruik zal mogen maken van de bed en broodfaciliteiten van de Staat der Neder­landen, deed mij besluiten zijn verzoek voorlopig aan te houden.’ ‘Goede beslissing. We zitten niet te wachten op nog meer onrust en publiciteit na die ontsnapping van twee maan­den geleden. Ik moet er niet aan denken dat Den Haag haar dreige­men­ten om prikkeldraad op de muren te zetten en tralies voor de ramen te doen, gaat uitvoeren. Dan wordt het hier echt een bunker. Als gedetineerden het idee hebben dat ze er nooit uitkunnen, gaan ze personeel gijzelen. Dan zijn we nog verder van huis. Ik zal vandaag de rechter-commissaris toestemming vragen om op grond van deze verdenkingen zijn cel en die van zijn maat op paviljoen 4 te doorzoeken. Verder nog bijzonder­heden ? ‘

Samen met Wouter loop ik naar mijn kamer, terwijl ik de ver­zoekbriefjes voor het sociaal spreekuur doorneem. ‘Oh God, onze kamper wil ons weer spreken. Laatst heb ik hem, onder het mom van een tandartsbezoek, die wip met zijn vrien­din uit de vrouwentoren toegestaan. Hij wil vast weer. Als de directeur het te weten komt ben ik de lul.’ verzucht Wouter. ‘Ik zie je straks wel op het sociaal spreekuur. We star­ten op paviljoen vijf vandaag.’ 

Ik loop mijn kamer in en ga achter mijn bureau zitten. Meteen vlieg ik als een vlo weer overeind. Gek word ik van de stati­sche electriciteit hier. Het nylon tapijt, mijn schoenzolen en het stalen bureau hebben wederom een innig contact gehad. Ik trek mijn schoenen uit en dit keer verdragen het bureau en ik elkaar beter.   Ik haal de intercom die mij met de meldkamer verbindt naar me toe en noem de namen van de gedetineerden die ik deze ochtend wil spreken voor een selectiegesprek. Na enige aarze­ling noem ik ook de naam van de zogenaamde Bijlmerver­krachter. Het is tenslotte ook een mens, al zou je dat niet zeggen gezien de 25 verkrach­tin­gen, waarvan vijf bewezen. Negen jaar onvoorwaardelijk is niet mis. Hij is nu vijftig en dus een bejaard man als hij uit de bajes komt. Ben benieuwd welke gevan­genis hij am­bieert. En of hij zich kan vinden in de gevangenis die ik voor ogen heb. ‘Tonnie is naar de arbeid, die moet je dus vanmiddag maar nemen en Iwan de Verschrikkelijke kun je meteen krijgen.’ klinkt de stem van Michaël door de intercom. Het lijkt of hij uit een ruimtestation spreekt in plaats van uit de meldka­mer tien meter verderop. Of uit de hemel, dat past beter bij zijn naam. En hij is nog mooi ook, deze zwarte aartsengel. ‘Oké,laat maar komen.’      Tien minuten later wordt er op mijn deur geklopt en Michaël duwt niet bepaald zachtzinnig, de Bijlmerverkrachter, ook wel bekend als Iwan de Verschrikkelijke, naar binnen. Waarom past ie­mands uiter­lijk toch zo zelden bij het gepleegde misdrijf ? Een onoog­lijk manne­tje, met een bijna kalend hoofd en een snotte­ri­ge aardbeien­neus, schuifelt naar binnen. Onwil­lekeurig trek ik mijn wenk­brauwen op en kijk naar Mi­chaël. ‘Het is hem echt hoor,’reageert hij breed grijn­zend,’ Wil je dat ik erbij blijf ? ‘ Net als ik wil zeggen dat dat niet nodig is met de rode alarm­knop onder bereik, doet iets in de blik van Iwan mij anders besluiten. Iemand die het verzint om met een goed afgerichte Dobber­mannpincher en een mes vrouwen te be­dreigen en vervol­gens te ver­krachten, kun je als vrouw beter niet alleen ont­moe­ten. Je weet maar nooit hoe creatief hij tijdens zijn jaar in voorar­rest is geweest ! ‘Blijf maar Michaël.’ Trekt daar echt even een vergenoegde blik over het gezicht van onze Iwan, of verbeeld ik me dat ? Maar in een korte tijd heb ik hier geleerd dat het negeren van gevoelens van dreiging fataal kan zijn. Dat het dus stom is om ‘de – flinke – meid – die – niet – onder – doet – voor – de – mannen’ te spelen. Vanochtend in de personeelslift, met die ongelooflijke macho van een bewaker, daar was mijn van dik hout zaagt men planken reactie wél adequaat geweest. Ik moet nog giechelen als ik het smoel van die vent weer voor me zie. Hij was met stomheid geslagen. Waar ik toch de tekst die ik tegen hem debiteerde vandaan haalde mag Joost weten. ‘Joh, doe me een lol en ga je hol soppen,’is toch doorgaans niet het eerste wat in mij opkomt als een man mij sexistisch benadert. Maar vanochtend in die lift…perfect !  Vindt u het niet akelig om met een verkrachter in dezelf­de ruimte te zitten ?’ vraagt Iwan. ‘Ach, er zijn leukere dingen denkbaar in het leven, maar ik word ervoor betaald. Zullen we beginnen ? ‘      Na een half uur met Iwan heb ik het gehad. Zijn insinue­rende opmerkingen en het compleet ontbreken van enig berouw maakt dat ik mijn weerzin nog nauwelijks kan verbergen. Ik vraag Michaël hem terug te brengen naar zijn cel en beloof dat ik hem later in de week nogmaals zal oproepen. De gedeti­neer­den op zijn pavil­joen lusten hem ook niet. De beruchte dubbele moraal van onze grotere en klei­nere crimi­nelen doet hier van zich spreken. Verkrachting en pedofi­lie, berg je maar als je medegevange­nen dát te weten komen. Een mislukte overval met een dode, dat is een be­drijfs­ongeval, maar het misbruiken van vrouwen en kinde­ren , dat pikt ons neusje van de zalm niet. Mishan­delin­gen van mensen die van dit soort zaken verdacht worden, komen overal voor. Het is moei­lijk te bewijzen, want zowel het slachtoffer als de eventuele toeschouwers houden hun mond. Ook onze Iwan heeft zijn portie gehad. Hij lucht al maanden apart en leeft niet in groepsver­band.      Zuchtend buig ik mij over de paperassen die mij achter­grondinforma­tie moeten geven over de bajesklanten. Allochto­nen en autochtonen, zware jongens en krui­mel­dieven, alcoholici en junks. You name it, we’ve got it     Het is al bijna lunch­tijd. Dat is het aardige van zo’n baan: altijd om vijf uur klaar en gewoon pauze tus­sen­door. Een wandeling naar de grote personeelskanti­ne in het voorge­bouw, via de overdekte snelweg en centrale meldpost, is goed tegen het zitvlees. Ik ben er, tot mijn verbazing, al aan gewend geraakt.  Ineens komt Wouter mijn kamer binnenrennen. Het schaarse haar door de war en met briesende snor.  ‘Zit je kamper je ach­terna ? Duik maar onder mijn bureau,’ grap ik. ‘Alsjeblieft zeg, nee het is nog veel doller: Steven B. is net ontsnapt !!’ Samen met Wouter spoed ik mij naar de kantine op onze eigen verdieping. De directeur is er al samen met een handjevol bewaarders, de psycholoog, de geestelijke verzorger en drie hoofdbewaarders. Opvallend is het bijna vaal-uitgeslagen gezicht van mijn aartsengel Michaël. Heftig gesticulerend staat hij voor de directeur. ‘Hans, heus, ik zweer het je, ik heb hem nog geen minuut alleen gelaten op de luchtplaats. Toen ik naar de deur terug­liep was de binnenplaats leeg. Weg was-ie, foetsie. Het kan gewoon niet man, écht niet.’‘Kalm nou maar, de politie komt eraan en dan moet je alles nog maar eens rustig vertellen. Kees, is Michaël voor de rest van zijn dienst al vervangen ?’ De directeur wendt zich tot een van de hoofdbewakers.      ‘Michaël,’ ik pak hem bij zijn arm en trek hem opzij,’wat is er in godsnaam gebeurd ?’ ‘Ik weet het niet joh, Jezus, dadelijk denken ze dat ik hem een handje geholpen heb. Ik neem hem mee naar de luchtplaats ja, zoals we iedere dag doen. Wij met z’n tweeën weet je, geen andere gedetineerden. Het is die luchtplaats waar alle kanto­ren op uitkijken weet je wel, die niet met de buitenmuur in verbinding staat. Het is erg koud , dus we zijn allebei dik inge­pakt. Hij kan ik weet niet wat onder die jas hebben zit­ten. Alleen: zijn cel wordt iedere dag doorzocht op contra­bande en ontsnappings­materiaal en verder heeft hij geen con­tact met anderen, dus hij kán niks bij zich hebben. Enfin, ik doe de deur naar de luchtplaats open, we stappen naar buiten en hij ontdekt dat-ie zijn sjaal vergeten is. Ik be­sluit hem buiten te laten en bij de meldkamer er een te leen te vra­gen. Steven is tenslotte best een toffe vent. Dus ik open de deur weer, stap de gang in en draai hem achter me op slot. Ik doe er hoog­uit een minuut over om heen en terug te lopen; ik open de deur naar de lucht­plaats en weg is-ie, foetsie, in rook opgegaan. Ik dacht dat ik gek werd. Er zijn geen bosjes of zo waarin hij zich had kunnen verstoppen maar ik heb toch nog als een malloot op die binnen­plaats lopen zoeken. Ik wilde bijna de tegels gaan lichten, zo onge­looflijk vond ik het. Na een minuut of twee ben ik alarm gaan slaan. En zo meteen komt de recherche om de binnenplaats en zijn cel te onderzoeken.’ Ik knijp hem bemoedigend in zijn arm en zeg hem mijn steun toe. Shit, wat een ellende.      Gerrit de koffieboy vindt het kennelijk allemaal erg komisch. Hij staat wijdbeens te grinni­ken terwijl hij een thermoskan koffie vult. ‘Pas maar op, grapjurk,’ bijt ik hem toe,’er zijn nog meer liefhebbers voor jouw baantje.’ 

Na een uur komt de recherche vertellen wat ze gevonden hebben. Op de muur van de binnenplaats, feitelijk het dak van de gang tussen de torens, lag een bos touw en een haak. De haak is gemaakt van onderdelen van een winkelkarre­tje dat in de afde­lingswinkel wordt gebruikt om boodschappen mee te doen. Waar­schijnlijk heeft Steven er maanden over gedaan om eindjes rondslingerend touw te vergaren en stukken metaal van een win­kelwagentje af te halen. Hij lijkt alles verborgen te hebben achter de kast in zijn cel. Kennelijk is men nooit op het idee gekomen dat er tussen kast en muur nog ruimte was om iets te verbergen. Omdat hij een trui en zijn winterjas aan­had, viel het niet op dat hij het hele zaakje onder zijn jas verborgen hield. Aan de andere kant van het complex zijn sporen van auto­banden gevonden. Hij heeft dus hulp gehad. Wouter en ik praten wat na over de ontsnapping, terwijl de lift ons naar paviljoen vijf brengt. ‘Wat een conditie moet die man gehad hebben om zich in zo’n korte tijd aan een touw omhoog te kunnen trekken.’zeg ik bewonderend. ‘Ik snap het niet hoor,’ zegt Wouter,’als hij wordt gepakt kan hij meteen door naar de Bunker in het Oranjehotel.’ ‘Het Oranjehotel ? Wat is dat in vredesnaam.’ vraag ik ver­baasd. ‘Ken je die kreet niet ?  Het Neder­landse verzet in de Tweede Wereldoorlog noemde de Scheveningse gevangenis het Oranje­hotel omdat de Duitsers daar verzetsmensen opsloten en execu­teerden. Jan Campert, de vader van Remco weet je wel, heeft daar geze­ten en schreef dat prachtige gedicht van: ” een cel is maar twee meter lang en nauw twee meter breed. Veel kleiner nog is het stuk grond dat ik nu nog niet weet, maar waar ik naamloos rusten zal, mijn makkers bovendien; we waren achttien in getal, geen zal de avond zien.” En de Bunker is de best be­waak­te en beveilig­de gevan­genisafde­ling in Neder­land, speciaal voor vluchtge­vaar­lijke gedetineer­den.’ Onder de indruk van deze onverwachtse poëtische uitbarsting, hou ik een tijdje mijn mond. Terwijl we het paviljoen opstap­pen zeg ik half grappend: ‘Misschien was Steven niet tevreden over zijn verblijf hier,’ Wouter gaat er echter bloedserieus op in. ‘Hij baalde ervan dat hij zijn zoontje niet vaker op bezoek kon krijgen. Maar ja, dat geldt voor praktisch ieder­een.’      ‘Gelukkig dat jullie er zijn,’ zegt Klaas, een van de bewaar­ders, ‘Gino heeft het weer eens op zijn heupen. Hij wil bellen met zijn bedrijf, maar hij is al aan zijn tax. De andere Italianen worden erg onrustig door hem. Hij chanteert ze volgens mij.’ Zuchtend lopen Wouter en ik naar de ruimte waar het sociaal spreekuur wordt gehouden. Zoals het gehele paviljoen is de ruimte nauwelijks ingericht. Het schaarse meubilair is van knaloranje plastic gemaakt. Van die vreselijke kuipstoeltjes waarin je steeds onderuit glib­bert. In de hoek staat een oud tafelvoetbalspel en op een van de weinige tafels ligt een bedui­meld pak speelkaarten. Er wordt op dit paviljoen niet gezame­nlijk gegeten. Ieder eet alleen op zijn cel. Mijn pogin­gen om dit te veranderen leveren voorlopig niets op. De be­waarders willen het wel proberen maar hun teamleider ziet te veel risi­co’s. Jammer. Een gezamenlijke maaltijd levert een bron van infor­matie en een gelegenheid bij uitstek om als bewaarder enige samenhang te brengen in de gemelleerde groep gedetineerden. Je hoort tussen neus en lippen hoe de onderlin­ge sfeer is en of er iets broe­it. Het zou volgens mij preven­tief werken.      De tralieloze ramen van onbreekbaar glas, tenzij je er een uur lang een biljardta­fel tegenaan ramt zoals bij de laatste ontsnappings­poging, kijken uit op een industrieter­rein. Een dik pak sneeuw verdoezelt een beetje de troosteloos­heid van dit tafe­reel.      Wouter en ik nemen op een strategische plek plaats in deze ‘huiskamer’. Met in mijn hand een stapel briefjes met ver­zoe­ken om extra telefoontjes, bezoeken, verlo­ven, strafon­der­bre­kingen en gesprekken onder vier ogen, zet ik me schrap voor de eerste klant. Gino maar, dan hebben we de ergste meteen gehad. Voor de zekerheid vraag ik of Klaas erbij wil blijven. Soms weten de bewaarders veel meer ins en outs dan Wouter of ik.      De deur zwaait open en het clichébeeld van een Italiaan komt binnenzetten. Klein, slank, vet achterover­gekamd zwart haar, ogen die schui­lgaan achter een zonnebril, een gave bruine huid die pas ingevet lijkt met olijfolie en een op maat gesneden pak. Indrukwekkend. Een volleerde Godfather. In zijn kielzog slaaf­je Mario. ‘Meneer Scapetti, gaat u zitten.’ Mario vertaalt fluiste­rend wat ik zeg. Gino gaat zitten en zegt, terwijl hij de vouwen in zijn bro­eks­pijpen nauwlettend in de gaten houdt:’U nieuw,no ?’ ‘Si,’zeg ik in mijn beste Italiaans,’U bent echter al een poosje hier hè ? ‘  Mario kijkt me vuil aan. ‘Dat kan ik toch niet tegen hem zeggen,’ sist hij,’hij vermoordt me.’ ‘Zie maar wat je doet,’ zeg ik op poeslieve toon, Gino onder­tussen stralend toelachend. Gino vraagt iets in het Italiaans aan Mario. ‘Hij wil weten wat er gebeurt.’ ‘Zeg hem maar dat hij ter zake moet komen,’ zeg ik omdat ik een beetje medelijden begin te krijgen met Mario. Hij is geen slechte jongen. Hij zit voor het eerst en doet goed mee in het scholingsprogramma. Hij lijkt echt uit dit circuit te willen. De vraag is natuurlijk of Gino dat zal toestaan. ‘Hij wil vaker dan één keer per dag naar zijn bedrijf kunnen bellen. Anders gaat hij failliet.’ ‘Zeg maar dat dat absoluut niet kan. Eén keer is meer dan genoeg.’ Intussen kijk ik met een schuin oog naar het verzoek op het volgende briefje. Een extra wip. Toe maar. Gino verwijdert zijn zonnebril en kijkt me doordringend aan. Via Mario zegt hij: ‘Mevrouw, het kan toch niet zo zijn dat u mij dit weigert. Ik heb zo mijn connecties; u weet toch wel wie u voor u heeft ? ‘  Puur instinctief zeg ik: ‘Meneer Scarpetti, natuurlijk weet ik wat u allemaal op uw kerfstok heeft. Dat is ook een van de belangrijkste redenen om u niet vaker dan één keer per dag naar uw bedrijf te laten bellen. Het kost de Staat al geld genoeg om elke keer iemand mee te laten luisteren.’ Mario ziet eruit alsof hij ieder moment kan flauwvallen. Op aandringen van Gino vertaalt hij nerveus wat ik heb gezegd. Althans, dat vermoed ik althans, want Gino Scarpetti springt ineens op uit zijn stoel, kijkt me woedend aan, en beent met grote stappen terug naar zijn cel. Ik kijk Wouter en Klaas schouder­ophalend aan. ‘Groot fiasco ?’ vraag ik hen. ‘Dat weet je met Gino maar nooit.’ zegt Klaas.’Zal ik de kamper gaan halen ? ‘ Onze klerenkast Kees, een onvervalste Nederlandse zigeuner, die in afwachting is van zijn proces en wordt verdacht van het doden van een liefdesrivaal , komt binnenzetten en ploft ongevraagd neer. ‘Marianne, Wouter, dit kan godverdomme niet langer zo. Ik word knettergek gemaakt hier. Ik mot mijn wijf kunnen zien. Goddom­me, dit is onmenselijk. Ik ga mijn beklag indienen, ik…’ ‘Kalmpjes aan hè Kees, zo praten we niet met elkaar hebben we de vorige keer afgesproken,’begint Wouter. Tot mijn afgrijzen barst de van boven tot onder getatoueerde, honderd kilo wegende Kees in huilen uit. Tranen biggelen over zijn wangen en Wouter, Klaas en ik kijken elkaar vragend aan. ‘Hè Kees, alsjeblieft, houd op met dat gejank. Ik kan je echt niet nog een keer helpen,’ Wouter kijkt mij wanhopig aan, maar ik bestudeer geïnteresseerd het vlekkerige plafond. Ik zou trouwens niet weten hoe ik Kees aan zijn kennelijk broodnodige gerief kan helpen zonder me de woede van de directeur op de hals te halen. Als ik het toesta wil natuurlijk iedereen het en daar­voor hebben we de accommodatie niet. Bovendien mag hij eigenlijk pas één keer in de maand zodra hij veroordeeld is. ‘Ik doe mezelf wat an hoor, of anders grijp ik een bewaker.’ dreigt Kees, die merkt dat huilen niet veel helpt.  ‘Ik zou het niet doen Kees. Als je zo begint kun je het verder met ons wel vergeten. We hebben ons best gedaan, je hebt een leuk bezoek aan de tandarts gehad, meer zit er niet in.’ zeg ik ferm en haal demonstratief een ander verzoekbriefje tevoor­schijn. ‘Nou ja, ik heb het geprobeerd,’ zegt Kees ineens op opgewek­te toon, ‘nee heb je…’ ‘Dag Kees,’ zeggen Wouter en ik in koor en wenden ons tot de volgende klant.  

Een paar dagen later strijken Wouter en ik na het sociaal spreekuur neer in de personeelskantine voor een welverdiend kopje koffie. Het is er spitsuur. Gerrit heeft het zo druk als een klein baasje. Hij is inmiddels wat bijgedraaid, niet meer zo vuil in de bek tegen mij. Hij heeft kenne­lijk begrepen waar de voor­delen vandaan kunnen komen. ‘Lekker bakkie Gerrit,’zeg ik, als teken van vrede. ‘Van me moeder geleerd, die zette altijd voor een heel wees­huis en toch was het goede koffie. Lekker sterk, met een beetje Buisman erin.’ ‘Volgende maand naar de open gevangenis Gerrit, een hele promotie. Wel volhouden hè, dat half jaartje.’ zegt Wouter terwijl hij zijn benen op tafel deponeert. Verontwaardigd gebaart Gerrit dat dit in zijn etablissement niet comme il faut is en veegt als een volleerde werkster het plekje schoon waar net nog Wouters voeten op lagen. ‘Je vrouw zal wel blij zijn dat je zo proper geworden bent,’ plaagt Wouter. ‘Wat ben jij lollig vandaag. Heb je soms een vriendje gevon­den die je een lekkere veeg mag geven ?’ zegt Gerrit. Wouter zit als bevro­ren in zijn stoel. Hij ziet lijkbleek en zijn handen heeft hij onwille­keurig tot vuisten gebald. Het aanwezige personeel reageert gniffelend. Het is publiek geheim dat hij homosexueel is en dat een half jaar gele­den zijn partner aan AIDS is overleden. Een van de eersten in het land. Wouter bleek zelf HIV positief te zijn en het had een haar ge­scheeld of hij was voor onbepaalde tijd met verlof ge­stuurd omdat ieder­een als de dood was voor besmetting. Maar de direc­teur voelde wel wat voor een open benadering tegenover het perso­neel. De india­nenverha­len over besmette wc-bril­len en servies­goed was hij meer dan zat en hij had Wouter gevraagd of hij het perso­neel in een lezing wilde vertellen hoe het nou precies zat met AIDS.       Wouter zag het als een kans om normaal te kunnen blijven werken en had toegestemd. Achteraf naïef om te denken dat zo’n voorlichtend praatje voldoende zou zijn om de bevoor­oordeelde breinen onder het personeel ervan te kunnen overtui­gen dat hij geen gevaar voor hun gezondheid opleverde. Na de lezing had een handjevol bewaarders positief gereageerd, vooral de vrou­wen. De rest was meteen het zaaltje uitgelopen en later onder­gronds gegaan met hun commentaar op het verschijnsel AIDS in het algemeen en op Wouter in het bijzon­der. Regelmatig stokten de gesprekken als Wouter verscheen en het was geen toeval dat nog maar weinig bewaarders hem een hand gaven. Maar de laatste tijd leek het erop dat door het uit­blijven van een Aidsepide­mie en het aanschaffen van chirur­gi­sche handschoenen voor het fouilleren van gedetineerden, de ergste angst en achterdocht waren gezakt. En nu Gerrit. Met ingehouden adem wacht ik af wat Wouter gaat doen. Ik zit zelf al in de start­blokken om bij een handgemeen meteen te kunnen ingrijpen. Maar Gerrit, die net nog gniffelend om zijn kolos­sale grap koffie stond in te schenken, springt plotseling bijna in de houding. Ik kijk om en zie dat Hans, de directeur, onopgemerkt is binnengekomen.   Tot op dit moment heb ik hem nog nooit openlijk kwaad zien worden. Het is een bij­zonder angstaanjagend gezicht. Hij loopt naar Gerrit, kijkt hem recht in de ogen met een blik die mij door de grond zou laten zinken en zegt alleen maar: ‘Me­neer Van Veen, u kunt uw kantinesleu­tels inleveren bij de hoofdbe­waar­der en meteen door naar uw paviljoen. Uw baantje is vanaf heden vacant.’ Ik zie dat Wouter zich bij deze woorden wat ontspant. Met trillende handen brengt hij zijn kopje naar zijn mond en drinkt het leeg. Gerrit staat even als bevroren met in één hand een kopje en in de andere een koffiekan. Dan zet hij beide langzaam op het aanrecht, zoekt even in zijn broekzakken en legt de sleutels voor Hans neer. ‘Aan de hoofdbewaarder zei ik, Van Veen.’ Als een geslagen hond pakt Gerrit de sleutels weer op en druipt af. Dan wendt Hans zich tot het aanwezige personeel dat zijn actie muisstil heeft gadengeslagen. ‘Meneer Van Veen kan ik zijn baantje ontnemen omdat hij hier gedetineerd is. Met jullie kan ik dat helaas niet. Maar: pas op dat je je hand niet overspeelt.’ Hij loopt achter de counter en pakt zelf een kop koffie. ‘Lopen jullie even met mij mee naar mijn kamer ? ‘ vraagt hij Wouter en mij. We laten een in dodelijke verle­genheid verke­rende meute in de kantine achter.     

Op zijn kamer infor­meert Hans of Wouter het wel uit kan houden hier tussen die macho’s met hun hufterige gedrag. Of hij niet liever naar de buitenre­classering wil.‘Geen sprake van. Het was even een dreun die opmerking en vooral de reactie van de collega’s. Maar over het algemeen zijn de meesten wel bijgedraaid en heb ik weinig last. Ik zal er toch mee moeten leren omgaan, Hans. Buiten is het echt niet veel beter hoor, geloof me.’ We worden onderbroken door een luid geklop op de deur. Wim, de geestelijke verzorger steekt zijn hoofd om de hoek en vraagt: ‘Weten jullie al dat Meneer Klein vandaag vertrekt ? Hij wordt zo meteen vrijgela­ten.’ ‘Wat fantastisch voor die man,’roept Wouter enthousiast,’die ging echt langzaam dood tussen al die boeven hier.’ ‘Maar stel je voor dat hij linea recta naar Woerden terug­gaat ?’ vraag ik. ‘Jezus, hij zal dat toch niet…Wim, we moeten hem nog spre­ken vóór hij weggaat. Als hij naar Woerden gaat, wordt hij ge­lyncht door de familie van die vier Turken die hij per ongeluk heeft opgeblazen.’

Ach, meneer Klein. Zo tragisch die geschiedenis. Meneer Klein was 54 jaar oud en niet zo slim, had zijn hele leven hard gewerkt als schoenmakersknecht en woonde nog steed­s bij zijn moeder. Die verhuurde twee etages aan Turkse mannen, die in een fabriek werkten. Na de dood van zijn moeder was meneer Klein danig in de war geraakt en was gaan denken dat iedereen hem moest hebben. Omdat hij zijn bovenburen niet kon verstaan had in zijn brein het idee postgevat dat zij hem wilden ver­moorden om zijn geld. Hij was zo ten einde raad geweest dat hij besloot zich te vergassen. Dat was danig uit de hand gelopen. Meneer Klein had zich op het laatste moment bedacht en was zonder de gaskraan weer dicht te draaien het huis uitgegaan. Een half uur later stond het hele pand in lichter­laaien; de Turkse buren hadden de geiser aangedaan, waarna het opge­hoopte gas ont­ploft was. Drie doden en een zwaargewonde.     Kennelijk had de rechter vandaag besloten dat meneer Klein niet meer dan doodslag te verwijten viel. Met aftrek van het voorarrest zat zijn straf van een jaar er alweer op.      We hadden de afgelopen maand vaak met hem gepraat over zijn obsessie om weer in Woerden te willen wonen. Geen benul had hij van wat dat kon betekenen voor de familie van de omgekomen mannen en wat dat wellicht voor wraak kon oproe­pen. Ieder gesprek over dit onderwerp eindigde hij met de kreet: ‘Ik wil naar Woer­den.’ Daarbij trok hij een pruillip en draai­de hij zich demon­stratief van ons af. Einde dis­cus­sie. ‘Zullen we meegaan om het hem te zeggen ? ‘ stel ik voor, ‘misschien kunnen we hem toch nog ompraten.’ We laten Hans achter op zijn kamer. Hij heeft straks een vergadering met de beklagcommissie over een aantal straffen die volgens gedeti­neerden onterecht zijn uitgedeeld.      

Samen met de inmiddels gearriveerde parketwacht gaan we naar paviljoen 1. We lopen met de dienstdoende bewaarder naar Kleins cel.      Als de deur opengaat heeft niets mij voorbereid op het­geen we te zien krijgen. Meneer Klein zit onderuitgezakt aan zijn tafeltje. Met de botte schaar waar­mee hij altijd plaatjes uit tijdschriften knipte, heeft hij het voor elkaar gekregen om de slagader in een van zijn polsen door te kerven. Zelfs zijn kanarie zit onder het bloed. Voor hem op tafel ligt een vel papier. Bij het lezen van de bebloede tekst slaat de kou me om het hart. In zijn kinderlijke hand­schrift staat er wel honderd keer ge­schre­ven: ‘Ik wil naar Woerden, ik wil naar Woerden, ik wil naar Woer­den…’

 

7. De bommelding

Het is zomer 1984 en zondagmiddag.

De helft van de groep is naar huis. Vanavond komt iedereen weer terug. Hopen we. Alle kinderen spelen buiten, ook die van de buurtgroe­pen. Marcel loopt naar me toe en vraagt of hij volgend weekend weer buiten in een tentje mag slapen. ‘Wie weet schooier, als je braaf bent.’ ‘Ik was toch braaf, ik heb al weken geen fikkie gestookt.’ zegt hij met een verongelijkt gezicht. ‘Houden zo jochie. We zien aan het eind van de week wel hoe je je gedragen hebt en of er reden is voor een belo­ning.’­ Hij wijzigt zijn tactiek en komt tegen me aan staan terwijl hij zachtjes in mijn nek zoent. Marcel,de acht­ja­rige pyromaan, is ook erg lief. Als het hem uitkomt. In de psychia­trie heb ik met verbazing en soms af­grijzen psychopaten meege­maakt. Vaak waren het interessante en aan­trek­kelij­ke mensen, die stuk voor stuk maar met één ding bezig waren: hoe krijg ik zo vlug mogelijk mijn zin. De een zocht het in ter­reur, de ander in vlijen. Vaak probeerden ze beide. Die onver­wachte wisseling in gedrag overviel me steeds weer. Het ene moment charmant en inne­mend, het andere kil en meedo­genloos. Voor deze doorgaans ernstig verwaarloosden be­staat ‘voor wat hoort wat ‘ niet. Voor mij was het vrijwel onmoge­lijk me in te leven in hun gevoels­armte ten opzichte van andere mensen. Hoewel ik na een ontmoeting met hun ouders of andere verwanten me soms wat meer in hen kon verplaatsen.      Marcel is een psychopaatje in de dop. Het duurde lang voor ik dat stempel accepteerde, maar het valt niet te ontken­nen. We hopen hem te redden van een toekomst achter de tralie­s door hem veel positieve aandacht te geven wanneer hij zich goed gedraagt en hem te straffen indien hij dat niet doet. In de circuswereld noemen ze dat dressuur.      Ik duw hem zacht van me weg en zeg dat hij iets moet ver­zinnen om de dag door te komen. Even later loopt hij met een doos lucifers te parade­ren. Uit een ooghoek kijkt hij naar mijn reactie. De dag is nog jong, dus voorlopig negeer ik hem.  

Na het theeuurtje, dat zonder noemenswaardige incidenten ver­loopt, sta ik samen met Klaas af te wassen. Hij gaat voorlopig niet naar huis. Zijn ouders blijven hem mishandelen en boven­dien wordt hij steeds agressiever tegen zijn moeder. ‘Dat mes moeten jullie echt laten slijpen hoor, want daar kun je nog geen boterham mee doorsnijden,’ babbelt Klaas terwijl hij zeer consciëntieus een glas droogwrijft.  Hannah loopt binnen en valt puffend neer op de bank. ‘Godallemachtig wat is het heet. Mag ik voor ons allemaal limonade maken ? ‘  Terwijl ze daarmee bezig is stapt Floortje samen met buurman Dobbermanpincher naar binnen. Ze kriebelt achter zijn oren en fluistert hem allerlei onverstaanbaars toe. ‘Hè Floor, ik heb al tachtig keer gezegd dat je die viespeuk niet naar binnen mag halen.’ ‘Waarom toch niet. Hij is hardstikke lief hoor,’ zegt ze verontwaardigd. ‘Vast wel, maar hij gaat toch naar buiten. Hier, neem een kaakje voor hem mee en geef hem wat water.’ Terwijl Floor mopperend Dobberman naar buiten laat, heeft Klaas het laatste kopje in de kast gezet en loopt naar de boeken-en spelletjes­kast. Na enige aarzeling haalt hij het Majong spel tevoor­schijn. Zijn grootste schat. Zorgvuldig zet hij het spel op tafel. Hij haalt een cassette met ivoren stenen uit de doos en streelt voorzichtig over het gladde oppervlak. ‘Als ik later groot ben word ik spellenmaker. Van echt móóie spellen hoor, niet van die domme dingen zoals Mens erger je niet of Ganzenbord. Biljardballen zijn ook van ivoor hè Marianne ? ‘ kwebbelt hij vrolijk terwijl hij de muur opzet. ‘Nou, tegenwoordig niet meer hoor. Ze maken ze nu van kunst­stof.’ Voor de opvoedkundige touch voeg ik er aan toe: ‘ Het mag niet meer hè, ivoor gebruiken. Weet je ook waarom niet ? ‘ ‘ Tuurlijk ! Olifanten zijn beschermde diersoorten, dus hun slagtanden ook.’ Intussen heeft hij de vierzijdige muur ge­bouwd en kijkt verwachtingsvol om zich heen. ‘Wie doet er mee ? ‘ Zoals altijd lopen de kinderen niet meteen warm voor een spel. Winnen vinden ze leuk. Verliezen kunnen ze bar slecht. En hoe begrijpelijk dat ook is, het hoort nu eenmaal bij een spel. Door het samenspelen ervaren ze lang­zaam aan dat dit winnen en verliezen hen helpt echte tegensla­gen in het leven te incasse­ren. Maar spelletjes doen wordt veel aantrekke­lijker als ‘de leiding’ mee­doet; dán worden ze en­thousi­ast. Ze hebben vandaag mazzel dat ik dienst heb, want ik ben dol op spelle­tjes. Na de eerste ronde waarin Klaas een prach­tige Majong via een ‘Spel van de hoge heren’ heeft gemaakt, glip ik er tussen­uit en ga op de bank zitten met een boek. Ik zit nog geen seconde als Dennis naast me komt zitten en vraagt of ik voor wil lezen. Hij is een scheet, maar hij leest slec­ht. Dus sluit ik een compromis. ‘Als je eerst zelf een stukje leest.’ Net als hij wil beginnen met Joris en de toverdrank stom­me­len de vader en moeder van Nicolette de groep op. Bob ziet er weer uit alsof hij een week niet heeft geslapen en loert door een Blues Brothers zonnebril in mijn richting. Sylvia heeft zich ook vandaag weer uitgesloofd om er zo clean moge­lijk uit te zien. Met kleine pupillen van de dope probeert ze haar overge­voelige ogen op een kiertje open te houden. Zonder een van de kinderen te groeten, ploffen ze neer op de bank, doven hun shaggies en beginnen onmiddellijk nieuwe te rollen. How’s life ? ‘vraagt Bob mij. ‘Met mij gaat het lekker, maar van jullie kun je dat niet zeggen geloof ik.’ Ook ik haal mijn pakje shag tevoorschijn. ‘Ik zweer ‘t je, we hebben geen heroïne gebruikt. Alleen maar een stickie.’zegt Sylvia. ‘Waar is Nicolette ? Zeker weer ziek, de trut.’ Sylvia’s vragen zijn bijna altijd retorisch. Ik zie aan haar dat ze, terwijl ze de vraag stelt, Nico­lette alweer vergeten is. Ik reageer er expres serieus op, in de hoop iets van verant­woordelijkheidszin op te wekken. ‘Nicolette is op de buurtgroep met een vriendinnetje aan het spelen. Ga maar kijken. Bob, wil jij misschien koffie gaan zetten en wat koekjes pakken ? Er komen zo nog meer ouders.’ Niet erg enthousiast hijst Sylvia zich overeind en slentert met een sigaret in de mondhoek naar buiten.  Bob opent en sluit luidruchtig de keukenkastjes.  ‘ Tering, waar hebben jullie die klotekoffie verstopt ? ‘ ‘Niet zulke taal op de groep Bob,’ zeg ik, geërgerd door zijn onnadenkendheid. ‘Ga je nu nog voorlezen ?’ vraagt Dennis ongeduldig. ‘Ik kom eraan lieverd. Lees eerst het hoofdstuk maar uit.’

Ik moet nu snel bedenken hoe ik zowel de kinderen als de ouders aan hun trekken kan laten komen. Mijn collega, die even met een paar kinderen naar de avond­winkel was, komt gelukkig net bin­nen. Nathalie rent op me af en begint een heel ver­haal over een dronkenlap die een plank met flessen omver­lazer­de. ‘Even niet Nathalie,’roep ik,’ Marijke, zullen we de taken gaan verdelen voor het hier een zooitje wordt ? ‘ Ik zie dat Dennis voorlopig nog ingespannen aan het lezen is, Hannah buiten op de schommel zit met een walkman op en Klaas en Floor hun zoveelste Chinese muur aan het bouwen zijn. Waar is Marcel eigenlijk ?  ‘Hier is koffie en koek,’ zegt Bob terwijl hij een mok en wat kaakjes in mijn handen duwt. Tot mijn stomme verba­zing gaat hij vervolgens naast Dennis zitten, pakt het boek uit zijn handen, bladert het wat door en zegt: ‘Lijkt me een tof boek. Zal ik je voorlezen ?’

In het kantoortje overleg ik met mijn collega hoe we de rest van de middag en avond zullen aanpakken. Het bezoeken en het terugbrengen van de kinderen brengt altijd emotionele tafere­len met zich mee. Marijke zal vooral de kinderschaar in de gaten houden en gezamenlijke iets gaan ondernemen en ik zal mij ontfermen over de diverse familiele­den.      Eerst maar eens Bob en Sylvia onder handen nemen. Nico­lette wil eigenlijk niet meer naar hen terug, maar durft het niet te zeggen. Ik vermoed evenwel dat haar wens een pak van hun hart zal zijn. Net heb ik een pittig gesprek met Nicolette en haar ouders achter de rug, als de oma van Dennis en zijn blinde vader binnenkomen. Oma stevent recht op mij af en begint me, zonder enige inleiding, en pleine publique de les te lezen. ‘Het is een schande dat je Henk de vorige keer verbood om zijn kind te zien. Wie denk je wel dat je bent, snotneus. Dat arme schaap. Zijn echte ouders laten hem stikken en de mensen die hem liefdevol in huis opnemen kunnen barsten van jullie. We pikken het niet meer.’ Ik sta op en wacht met mijn armen over elkaar tot mevrouw is uitgeraast. Om mij heen is het muis­stil geworden. Klaas en Floortje hebben hun spel gestaakt, Nicolette en haar ouders komen om de hoek van de kamer kijken. Dennis springt op en rent naar zijn vader. Met een triomfante­lijke blik in haar ogen kijkt oma me afwach­tend aan. ‘Als u klachten heeft over mijn manier van werken, me­vrouw Evertse, is dat uitstekend. Alleen sta ik niet toe dat u mij hier, in het bijzijn van de kinderen, voor snotneus uit­maakt. Als u daarmee doorgaat zult u het pand moeten verla­ten. Ik wil alleen met u en uw zoon praten als dat op een fatsoenlijke manier kan.’ ‘Een-nul voor Marianne,’ roept Klaas, enthousiast in zijn handen klappend. Hij is stiekem vlak achter me komen staan. ‘Bemoei je niet met zaken van volwassenen jochie. Wegwe­zen.’ zeg ik, maar ik voel me toch gesteund. Dennis’ vader is inmiddels erbij komen staan. Voor iemand die op latere leeftijd blind is geworden, weet hij verdomd goed zijn weg te vinden. Hij draagt geen bril en kijkt je ook steeds aan, lijkt het. Toen ik hem voor het eerst ontmoette, was het mij ontgaan dat hij blind was. ‘Moeder, hou nu alsjeblieft je mond. Je verpest de hele sfe­er.’zegt hij en maant haar te gaan zitten. ‘Wel ja, keer jij je nu ook nog tegen je bloedeigen moeder ? Als ik er niet was, wie zou dan voor Dennis zorgen ?’ Oma pro­beert haar geschonden imago te redden door zich nu op haar zoon te wer­pen. Snel kom ik ertussen door hen koffie en koek aan te bieden en voor te stellen apart te gaan zitten. Ik kijk even naar Marijke, die bezig is met de andere kinde­ren. Ze knikt dat het goed is en ik ga samen met oma, haar zoon en Dennis, in ons kantoortje zitten. Door de glazen deur hou ik een oogje op de groepsruimte. 

Tijdens een verhit gesprek met oma ruik ik ineens brand. Ook de vader van Dennis heeft het geroken. Hij springt over­eind en gooit een stoel om. ‘Stil Henk, dadelijk hebben we paniek in de tent. Blijf hier bij je moeder en Dennis; ik ga kijken waar het vandaan komt.’ Ik duw de glazen deur open en richt mijn neus naar de brand­lucht. Klaas en Floor zijn al ge­stopt met Majongen en staan gebiolo­geerd te kijken naar een rooksliert die traag uit het trappenhuis komt zweven. ‘Marijke, snel, wie zijn er boven?’ roep ik. ‘Marijke is al naar boven gerend,’ meldt Hannah. ‘Let jij erop dat iedereen beneden blijft?’vraag ik haar en ben in vier stappen boven. Een vette zwarte walm drijft uit de kamer van George en ik hoor Marijke bezig met de brandblusser. Een jongetje met een zwart­beroet gezicht komt de kamer van George uitzetten. Hij kijkt verschrikt achterom. ‘Marcel, wel verdorie nog aan toe, heb je nu weer een fikkie gestookt ?’zeg ik terwijl ik hem hardhandig bij zijn arm grijp en naar me toe haal. ‘Laat me los kankerwijf, ik heb het helemaal niet gedaan. Het was de lamp van George.’ Woedend probeert hij zich los te rukken. Ik trek hem mee naar de deuropening en vraag Marijke die alles onder controle zegt te hebben wat de oorzaak is. ‘Er ligt hier op bed een spot van 200 watt nog na te smeulen, dus dat zal wel de boosdoener zijn.’ George dus, de electriciteitfreak. Hoe kan dat, hij is toch het week-end naar huis ?? Marijke staart naar een plek vlak achter mij. Ik draai me om en zie George breedgrijnzend staan, met de armen over elkaar en een uitdagende blik. Surprise !’zegt hij en voordat ik iets kan zeggen:’het was zo’n teringzooi thuis dat ik maar besloot de benen te nemen.’ Marcel ziet zijn kans schoon en glipt onder mijn armen door de trap af. Ik laat hem gaan.

     Tot het eten zijn we bezig met redderen. Bob en Sylvia en zelfs de oma van Dennis helpen mee. De kamer van George is voorlopig onbewoonbaar en niemand wil hem vrijwillig op de kamer. Het is sneu, maar vooral ook zijn eigen schuld. Hij is altijd bezig anderen voor zijn karretje te spannen en als dat niet goedschiks kan, dan maar kwaadschiks. Menig kind draagt, inwendig of uitwendig, de sporen van Georges optre­den. ‘Je kunt op Michels kamer tot hij morgen terugkomt.’ besluit ik, opgelucht dat deze mogelijkheid er is. Ik ben erg moe en heb geen zin in verdere conflicten.

     Sinds de dag dat Theo werd ontmaskerd kan ik geen kwaad meer doen bij de meiden en als makke lammetjes dekken ze de tafel en helpen met koken en afwas­sen. Om acht uur liggen alle kleintjes voorgelezen en gebaad in bed. 

Net als Marijke en ik ons met een clubje oudere kinderen in de televisiehoek hebben genesteld, klinkt een snerpende gil door de ruimte. Het lijkt van de slaapverdieping te komen. Ik schiet overeind en ren, met Marijke direct in mijn kiel­zog, naar boven. Een paar kinderen staan klappertan­dend van de angst bovenaan de trap. In de lege ruimte voor de slaapkamer­tjes zie ik Marcel, van top tot teen naakt en beschilderd met fel ge­kleurde verf. In één hand heeft hij een stok waar aan de bovenkant een groot vleesmes is vastgebonden. Als een bajonet steekt hij die voor zich uit en slaakt ijselijke kreten. Ik doe een stap naar hem toe maar hij springt abrupt naar voren en priemt met het mes in de richting van mijn hoofd. Ik deins terug waardoor ik bijna de kinderen de trap afduw. Naar beneden jullie, komop, snel.’ sommeer ik ze. Even later zijn Marijke en ik alleen met de bloeddorstige krijger. Dat het menens is werd mij meteen duidelijk toen ik boven kwam en zijn uitrusting zag. Hij speelt geen indiaantje, hij ís er een en wil ons willens en wetens grijpen en pijn doen. Maar hoe hem te ontwapenen ? Standaardprocedures zijn er niet. Koortsachtig zoek ik naar een mogelijk wapen. Maar de ruimte is kaal, juist omdat we af wilden van te veel losse spullen waarmee ze elkaar de hersens in konden slaan. Marijke heeft zich verscholen in het trappenhuis, klaar om te assisteren als ik het niet red. Zoveel mogelijk zaken alleen opknappen is het devies, anders verlies je iedere geloofwaardigheid tegenover de kinderen. Ja, leuk bedacht, maar hadden we het toen ook over een achtjarige woesteling met een assegaai ?  ‘Marcel, hou op met die flauwekul, je kunt hier niet de hele avond mee doorgaan. Geef die stok hier en ga douchen.’ Als antwoord stoot hij opnieuw een dierlijk gebrul uit en slaat woedend met zijn ‘speer’ op de grond. Marijke vraagt fluiste­rend of ze moet helpen. Ik knik heel even met mijn hoofd en duik dan ineens naar Marcels benen. We slaan allebei tegen de grond en terwijl Marijke hem de stok ontfutselt worstel ik om de gillende jongen, die door zijn razernij zo sterk als een dolle stier lijkt te zijn, met zijn rug tegen mijn borst tussen mijn benen geklemd te krij­gen. Het begint me aardig te lukken, alleen krijg ik het niet meteen voor elkaar om mijn armen onder zijn oksels te wurmen en zijn armen kruis­links over elkaar te leggen zodat ik zijn polsen stevig met mijn handen kan veranke­ren. Hij slaat woest om zich heen waarbij hij mijn neusbeen­tje weet te raken. De pijn snijdt als een scheermes door mijn hoofd en ik moet mijn pogingen hem in bedwang te krijgen noodgedwongen even staken. Net als hij mij dreigt te ontglippen zie ik door mijn van pijn dichtge­knepen oogleden dat Marijke voor ons op de grond zit en zijn beide polsen stevig beet heeft gepakt. ‘Zal ik hem overnemen of gaat het weer?’ vraagt ze buiten adem van de inspanning. Als antwoord pak ik snel zijn handen over, klem mijn bovenbe­nen om zijn onderbenen en druk hem stijf tegen mij aan. Ik schuifel wat achteruit tot ik de muur tegen mijn rug voel.      Deze houdgreep is, als het eenmaal gelukt is iemand erin te krijgen, de ideale manier om een tegenstan­der uit te scha­kelen. De idee erachter is dat je iemand be­hoedt voor verder onheil en hem dusdanig vasthoudt dat hij niet letter­lijk onderdrukt wordt, zoals wel het geval is wanneer je er bovenop gaat zitten. Nu heeft hij de gele­gen­heid om te gillen en te vloeken en voelt tegelijk voortdu­rend intens lichamelijk contact. Die combina­tie van stevig vasthou­den en tegelijk gelegenheid geven om opgehoopte woede en frus­traties te uiten, leidt vaak tot een catharsis. Vooral bij kinderen.       Marcel probeert ver­woed om los te komen. Hij schudt wild heen en weer met zijn lijf en vloekt mij intussen stijf. ‘Kanker..tyfus..wijf..vuile..hoer..blijf..met..je..cole­re­..po­ten..van..me..af…’ ieder woord stoot hij hijgend uit zijn mond. Ook al is deze houdgreep relatief gemakkelijk vol te houden, door het onophoudelijk getier en geworstel van het slachtoffer treedt er uiteindelijk toch vermoeidheid op. Ik probeer aan iets anders te denken terwijl Marcel in mijn innige omhelzing tegen me brult, vloekt, krijst en vecht. Het kan uren duren als ik pech heb. Net als ik ieder tijdbesef begin kwijt te raken, hoor ik dat het schelden niet langer mijn persoon betreft, maar zijn moeder. Een uur later kan ik hem voorzich­tig wat losser laten en laat hij zich zachtjes geruststellend toespreken. Terwijl ik hem nog steeds tussen mijn benen ge­klemd houd aai ik met een hand over zijn bezwete bol. Na een poosje voel ik hem geheel verslappen en is hij in slaap gevallen. Dan pas zie ik dat we publiek hebben. Met grote ogen kijken Hannah en Nicolette toe hoe ik Marcel oppak en naar zijn bed draag. Marijke is naar boven gekomen met een  beker dampende koffie. ‘Ik heb er een scheutje cognac ingedaan.’ zegt ze met een knipoog.      Bekaf strompel ik de trap af en zijg neer in een luie stoel. ‘Goddómme, wat een baan. Je kunt me opvegen. Tsjonge­jon­gejon­ge…! ‘

Zuchtend en kreunend laat ik mij de rest van de avond door mijn collega en kinderen verwennen. Daan heeft samen met Marijke de bajonet onschadelijk gemaakt en voor de zekerheid alle messen en scharen in de leidingkast gelegd.      Later helpen Hannah en de van weekend teruggekomen Shari­fa mij met het klaarleggen van de kleertjes voor de kleineren uit de groep. Nathalie’s kast is vreemd genoeg op slot. Dan komen haar kleren morgen wel, anders moet ik haar wakker maken voor de sleutel.

     Marijke en ik gaan nog even bij Marcel kijken. Zo weer­loos als hij er nu uitziet. Zacht snurkend ligt hij languit op bed, zijn lange wimpers trillen en zijn oogbollen draaien druk heen en weer onder zijn gesloten oogle­den. De oorlogskleuren zijn uitgelopen en laten vieze sporen na op zijn kussensloop. Ik trek een deken over hem heen. Dan sluipen we zijn kamer uit en de trap af. Morgen zullen we overleggen wat we verder met hem aanmoeten. Of we hem wel hier in de groep kunnen houden.  

Tegen half elf liggen alle kinderen in bed en ik loop nog even langs Cor, de nachtwacht. Hij belooft me een extra ronde langs Marcel te maken. Omdat ik de volgende dag toch ochtenddienst heb en ik de gevolgen van mijn vechtpartij met Marcel begin te  voelen, besluit ik de nacht hier door te brengen. Tegen half twaalf lig ik gedouched en wel in bed en glijd weg in een diepe slaap.      ‘Marianne, wordt wakker, snel !’ Midden in een nachtmer­rie waarin een begrafenisondernemer mij met een mes achterna­zit, aangemoedigd door een gil­lende Marcel, schiet ik wakker en tref Cor naast mijn bed. ‘Er hing daarnet een idioot aan de lijn die beweert hier in het pand een bom te hebben gelegd, die morgenochtend om half acht afgaat.’  Even denk ik dat dit nog steeds die nachtmerrie is, maar dat idee verdwijnt snel. Ik spring uit bed, trek mijn kleren aan, en loop met Cor naar zijn kantoor.  ‘Vertel het nu nog eens precies. Wat zei hij, voor wie sprak hij, en wanneer belde hij,’ dring ik aan. ‘Hij zei dat onze organisatie een grote nazibende is die jongeren in isoleers opsluit. Het ging over het OCJ, weet je wel, die…’ ‘Ja ja, dat weet ik. Die hebben isoleercellen in hun nieuwe pand laten bouwen…, maar wat zei hij nou precies ? ‘Dat hij van het Autonome Front was, dat ze een bom hadden neergelegd, en als er geen verklaring kwam van de directie dat ze die isoleers zouden afbreken of als we de politie zouden bellen, dan zou die bom om 7.30 uur ontploffen.’ Ik kijk onwillekeurig op mijn horloge. Het is bijna twee uur. Het koude zweet breekt me uit. Er zijn in totaal 65 kinde­ren in huis, tussen de vijf en vijftien jaar. Cor en ik zijn de enige volwassenen, de enige verantwoordelijken. Moeten we toch niet de politie bellen, moeten we voor de zekerheid al ontrui­men, moeten we de directeur waarschuwen… Ineens dringt tot mij door dat er eigenlijk geen ram­pen­plan is, maar daarover mekke­ren heeft nu weinig zin. ‘We bellen Leo op,’beslis ik, ‘die moet maar komen en het zaakje opknappen. Hier word ik niet voor betaald.’ Cor belt de directeur, die doodgemoedereerd zegt dat we de politie maar moeten bellen, want het zal heus wel een grapje zijn. Zelf komen lijkt hem nog niet nodig en ontruimen is absoluut uit den boze. ‘Eigenlijk zouden we nu enorme stampei moeten maken, de kloot­zak,’bries ik, maar dat lijkt weinig zinvol. Het is twee uur in de ochtend en als die joker echt een bom heeft gelegd gaan we over vijf en een half uur allemaal de lucht in. De wereld zoals ik die een paar uur geleden dacht te kennen bestaat niet meer. Ik wil net voorstellen de politie  toch maar te bellen, als de telefoon gaat. Verstijfd van schrik kijken Cor en ik elkaar aan. ‘Zal ik hem aannemen ? ‘ vraag ik klappertandend. Cor ziet asgrauw en knikt alleen maar. Ik gris de hoorn van de haak en zeg ferm: ‘Kinderhuis Kamperoord, met Mari­anne Ligthart.’ ‘Jullie hebben nog niet ontruimd hè, en ook niet de politie gebeld. Heel verstandig. Maar waar blijft die direc­teur met zijn belofte om de isoleers op te doeken ? Ik zou maar op­schieten, want vijf uur is zo voorbij…’  Voordat ik iets kan terugzeggen, heeft hij alweer opgehangen. Ik probeer mij voor te stellen waar hij vandaan belt. En waar die bom, als die er is, zou kunnen liggen. Het kinderhuis bestaat uit acht kleine huizen die onderling door overdekte gangen zijn verbonden. Die bom kan echt overal zijn. Zou de politie dat in vijf uur kunnen uitpluizen ? ‘Wat zei-ie ? ‘ vraagt Cor zenuwachtig. ‘Hetzelfde als eerst. We moeten nu echt de politie bellen.’ ‘Maar hij zei juist dat dat niet mocht !’roept Cor in pa­niek. ‘Ja, dat klopt, maar ik denk niet dat hij het te weten kan komen. En Jezus, we moeten toch wát.’     De politie arriveert razendsnel; een hoofdagent, twee gewone agenten en een man van de Mijnopruimingsdienst. Ik verkeer nu in een voortdurende staat van opwinding; mijn zenuwen lijken in open verbinding te staan met de buitenwe­reld.       Terwijl de bomexpert met twee agenten langs de buiten­kant van het pand sluipt, stelt de hoofdagent vragen. Of er vandaag vreem­den met een verdacht pakje in het pand zijn gesignaleerd. Ik barst in hyste­risch gelach uit en vraag de goede man of hij wel beseft hoe de situatie hier is. Acht aparte huizen, met elk twee groepswerkers en twaalf kinderen, een komen en gaan van kan­toorperso­neel, ouders, vriendjes, therapeuten en leve­ran­ciers. Het wemelt hier dagelijk van ‘vreemden met pakjes,’ in aller­lei soorten en maten . De hoofdagent laat zich niet van zijn stuk brengen en noteert: ‘Meerdere vreemden, meerdere ruimtes. Niet te controleren dus.’      De mijnopruimer komt na een uur terug en meldt triomfan­telijk dat hij, zo op het eerste oog, geen bom heeft kunnen vinden. ‘Ik denk niet dat het serieus is. Hij heeft ook helemaal niet meer gebeld hè ? Ik vermoed dat hij hier in de buurt in een telefooncel heeft staan kijken of jullie actie zouden onder­nemen, en nu dat gebeurd is heeft hij zijn kick gehad en de benen genomen. Ik vind dat we niet hoeven te evacueren. We kunnen wel gaan.’ Verbouwereerd kijk ik hem aan en hoor de hoofdagent zeggen dat hij zich wel kan vinden in deze analyse. ‘Welke analyse ?’roep ik boos,’ik ben niet zo onder de indruk van de argumenten van die mijnopruimingsmeneer. Het kan net zo goed wél een gek zijn. Bovendien is zijn motief niét uit de lucht gegrepen. Weet u wel dat er al eerder dreigemen­ten met geweld zijn ge­weest rond die isoleercellen ?’ ‘Mevrouw, ik denk echt dat die expert gelijk heeft. We hebben vaker met dit bijltje gehakt en ik voel gewoon dat dit een misplaatste grap is. We gaan. Als hij zich weer meldt, belt u ons dan gerust weer op. Mijn naam is trouwens Grijp­stra.’ Ook dat nog, een hoofdagent met de naam uit een detec­tivever­haal. ‘Als u zo overtuigd bent van een practical joke, waarom blijft u dan niet bij ons tot half acht ?’vraag ik Grijp­stra,’en wellicht wil de Gier ons ook gezelschap hou­den.’ ‘De Gier ?’ vraagt de mijnopruimer verbaasd,’mijn naam is.­…’ ‘Wat kan mij uw naam schelen, man,’ schreeuw ik woedend, ‘blijf hier of rot op !’De wakkere mannen verdwijnen verontwaardigd in de nacht. ‘Wat nu ?’ vraagt Cor.  ‘Niks,’ zeg ik. Het liefst zou ik de benen nemen. Waarom doe ik dat dan niet als ik die mannen echt niet geloof ? Wil ik hen misschien graag geloven, is het een soort bezwering van een twijfel­ach­tige situatie die eigenlijk alleen kan worden opgeheven door te ontruimen ? Een extreme ingreep. 65 Kinderen op straat, ouders erbij, de pers. Precies wat dat Autonome Front wil en precies wat de directie niet wil. En ik ben maar een eenvoudige werkne­mer, die morgen op straat kan staan omdat ik tegen het besluit van Leo in ben gegaan. Ben ik nu laf door níet te ontruimen, of juist door wél te ontrui­men ? ‘Weet je wat, ik ga naar bed.’ besluit ik, ‘Roep me maar als-ie weer belt en dan zien we wel.’ 

‘Wakker worden, ik wil ontbijten.’ Nathalie is op mijn bed gesprongen en dreigt mij te verpletteren met liefde. ‘Zet alvast theewater op en laat het bad lopen,’ mompel ik slaperig. In mijn achterhoofd begint langzaam maar zeker iets te dagen. Hoe laat is het ? ‘ vraag ik plotseling. ‘Kwart over zeven pas joh,’ zegt Nathalie, terwijl ze beval­lig met haar dikke lijfje bovenop mij ploft. Ik kom abrupt overeind, schuif haar opzij en sta in een secon­de met bonzend hart naast mijn bed. Over een kwartier gaat de bom af, flitst het door mijn hoofd. Gewoon doorgaan met de routine van de ochtend. Aankleden, thee zetten, tafel dekken, kinderen wekken, ontbijten en dan wordt het vanzelf acht uur. Als een zombie loop ik naar de woon­kamer. Nathalie is moppe­rend naar de badkamer verdwenen en ik hoor gekletter van water. Thee zetten. Kom op, er is geen bom. Zou het erg veel pijn doen of ben je er gewoon van de ene op de andere seconde niet meer ?

‘Kijk eens wat ik in mijn kast heb gevonden ?’ Nathalie komt bijna struikelend over een haastig omgeslagen bad­handdoek de woonkamer ingerend. In haar hand een langwerpig pakket waarin dikke staven lijken te zitten. Zonder een secon­de te aarzelen ruk ik het pakket uit haar handen, race naar de badkamer en gooi het om twee minuten voor half acht in het inmiddels volgelopen bad. Met de vingers in mijn oren en mijn ogen stijf dicht wacht ik op de dingen die komen gaan. ‘Wat sta jij daar nou maf ?’ vraagt iemand. Ik doe mijn ogen open en zie hoe George het door­weekte pakket uit bad vist. ‘Laat liggen !,’ gil ik hysterisch. Maar George draait zich woedend om en zegt:

‘Godverdomme ! Welke ongelooflijke klootzak heeft mijn vuur­pijlen in bad gegooid ?’

6. De stagiair met de losse handen

 

Amsterdam, Herfst 1983.

Ik ben onderweg naar de Oosterbegraaf­plaa­ts. Eigenlijk ben ik al veel te laat. Het loopt tegen twaalven en Daan’s moeder zou om twaalf uur begraven worden. Ik gooi mijn fiets tegen het hek en snel het kerkhof op. Ik ben er nog nooit eerder geweest dus heb geen flauw idee waar ik moet zijn. Ik sla het eerste het beste pad in, zoe­kend naar een groepje mensen dat de indruk wekt op weg te zijn naar een begrafenis. Onwillekeu­rig vergaap ik mij aan de oude bomen die zich met een bescher­mend gebaar over de nauwelijks zichtbare graf­per­ken buigen. Een troostrijke plek.      Intus­sen maak ik me erg bezorgd om Daan. Deze dappere Dodo van dertien jaar, die zijn hele leven heeft gezorgd voor zijn kleine zusje en een alcoholverslaafde moe­der, zal wel in alle staten verkeren omdat ik er nog niet ben. Als het me niet lukt hem te helpen zijn moeder te begra­ven is dat een ramp. Geen knip voor mijn neus zal ik nog waard zijn in zijn ogen en ik zal hem moeilijk ongelijk kunnen geven. Wat ben ik ook een rund om niet tevoren te infor­meren waar dat graf precies is. Ik kijk op mijn horloge en het klamme zweet breekt me uit. Het is al twaalf uur geweest, waar zijn die mensen ? Ik loop als een kip zonder kop over de be­graaf­plaats, sla links en rechts paden in, hopend op een glimp van Daan en zijn familie. In de verte zie ik iemand druk in de weer met een graf. Ik hol er naartoe en vraag of hij weet waar Me­vrouw van de Velde begra­ven wordt. ‘Geen flauw idee wijffie. Als ik dát allemaal mot gaan bij­houden. Ik heb wél een kwartier geleden een groepie mensen naar de armeluisbegraafplaats zien lopen. Mot u daar mis­schien zijn ?’ Hij kijkt me vanuit zijn geknielde houding schuin aan en neemt de gelegenheid te baat om een shaggie te rollen. ‘Een armeluisbegraafplaats ? Wat is dat in hemelsnaam ?’De man is inmiddels uit zijn devote positie verrezen. ‘Nou, nogal simpel, schat. Daar worden mensen begraven die niet verze­kerd waren en waarvan de nabestaanden ook geen geld hebben om de teraar­debestelling te betalen.’ Wijdbeens zit hij op de rand van de kuil en trekt luidruchtig aan zijn shaggie. Hij rochelt eens flink, spuugt een fluim op de pas omgewoelde aarde en vervolgt zijn verhaal. ‘En aangezien wij hier in Neder­land nu eenmaal verplicht zijn om iedere dooie te begraven of te verbranden, draait de ge­meen­schap voor de kosten op. Maar ze krijgen natuurlijk géén praalgraf, assu begrijp wat ik bedoel.’  Deze laatste mededeling doet hij met een uitdrukking op zijn gezicht die suggereert dat hij daar ook persoonlijk tegen zou hebben gede­monstreerd.    De klok tikt intussen onbarmhar­tig door, en ik sta te wiebelen van ongeduld. Mijn rug is doorweekt en mijn wollen das plakt onaangenaam tegen mijn nek.  ‘Waar is die armeluisplek ? ‘   ‘Helemaal achter­aan. Assu dit pad verder afloopt en aan het end linksaf slaat, dan zal u ze vanzelf wel zien. Is u fami­lie ? ‘ probeert hij nog, maar ik ben al aan een sprintje begon­nen.      Het duurt toch nog een tijd voordat ik eindelijk ter plaatse ben. Nerveus kijk ik op mijn horloge: het is al tegen half een. Moedeloos wandel ik door en voorbij een boom beland ik eensklaps op een onaan­gelegd paadje dat in het niets lijkt te verdwijnen. Ik zie een lap zande­rige grond met wat slecht onderhou­den zerken en ontwaar in de verte een ploegje mensen dat rond een versgedol­ven graf staat. Ik zie nu ook Daan. Ik loop dwars door de rulle aarde op hem af en voel het zand langzaam mijn schoenen binnensijpelen. Hij draait zich om, en zegt alleen maar: ‘Je bent te laat. Ze is net begraven.’ Het liefst zou ik nu zelf onder de groene zoden verdwijnen. Omdat er geen excuus is, houd ik mijn mond en loop zwijgend met Daan, zijn oom en zijn zusje naar de uitgang. Daan omhelst zijn zusje, geeft zijn oom een hand en stapt bij mij achterop de fiets. Samen rijden we naar het kinderhuis.  

Mijn collega Jan, die de ochtenddienst heeft gedraaid, ont­vangt ons op de groep. De grote eettafel is half afgeruimd. Net als bij Sneeuwwitje en de zeven dwergen staat naast ieder bord een beker met een kindernaam. Op het beduimelde tafel­kleed liggen de sporen van een gebruikte lunch. De veelkleuri­ge suikermuisjes hebben zich gemengd met gemorste melk, en mandarijnenschillen dobberen in halfleeggegeten yog­hurt­bekers. De gebruikelijke ravage na een lunch met twaalf kinde­ren. Ze zijn allemaal thuis, want het is woensdagmiddag.      Daan glipt zonder iets te zeggen langs ons heen de trap op naar zijn kamertje. Machteloos kijk ik hem na. ‘Hoe is het gegaan ‘ vraagt Jan, terwijl hij verder gaat met afruimen. Ik pik een plakje worst en zeg met volle mond: ‘Beroerd. Ik was zo stom om niet op tijd op de begrafenis te zijn. Zijn moeder was al begraven toen ik arri­veerde.’ ‘Jezus ! Hoe krijg je dat voor elkaar. En wat afschuwe­lijk voor Daan, en voor jou trouwens ook.’ Jan is aan tafel gaan zitten en trekt een pakje shag uit zijn kontzak. ‘Ik weet eigenlijk niet wat ik met hem aan moet. Ik durf niet naar hem toe. Ik schaam me kapot.’  ‘Misschien moet je hem dat gewoon laten weten.’  ‘ Misschien wel,’ zeg ik ,’Zeg, gaan we vanmiddag nog met de kids naar het Amsterdamse Bos ? Een beetje ontspanning kunnen we allemaal wel gebruiken.’ Jan inhaleert eens diep, haalt zijn hand door zijn ongeorganiseer­de bos krulhaar en zegt: ‘Dat weet ik nog niet zo net. Klaas, George en nog een paar etterbuilen zijn vannacht aan het spoken geweest op het dak. Ze hebben de nachtwacht en de buurtgroepen behoorlijk wakker gehouden, en toen ben ik opgetrommeld. Bijster gemoti­veerd voor iets leuks ben ik dus niet.’  ‘Maar daar kunnen we de rest toch niet de dupe van laten worden ? Ga jij dan met de braverikken weg en laat mij het tuig maar onder handen nemen.’      Opeens zie ik de eenogige Dobberman Pincher van de buurt­groep in onze vuilnisbak rondscharrelen. Het is een schat van een beest, in tegenstelling tot de meeste van zijn rasge­noten. Maar hij kotst altijd in onze keuken en dat hebben we liever niet. Ik jaag hem met zachte hand weg. Jan stelt voor met de dienstoverdracht te beginnen, er is tenslotte nogal wat ge­beurd. We gaan in ons kantoortje zitten dat aan de groeps­ruim­te grenst.  ‘Dat kan me nog wat worden van­avond,’zegt hij terwijl hij het overdrachtboek pakt. ‘Dat gerotzooi op het dak afgelopen nacht, jij die de begrafenis van Daan’s moeder mist, en dan nog het geintje met Marcel. Die dacht hier de boel in de fik te kunnen steken.’  ‘Wat ?,’onderbreek ik hem,’hoezo, de boel in de fik steken ? Zoiets is niks voor hem.’ ‘Nou, je houdt het ook niet voor mogelijk. Truus, die nieuwe therapeute, had bedacht dat het goed voor hem zou zijn om zijn “agressie te reguleren” door hem een fikkie te laten steken op het balkonnetje bij haar werkkamer. Ze was alleen vergeten te vermel­den dat het niet de bedoeling is dat je zoiets ook op de groep doet.’ Jan geeuwt, wrijft in zijn ogen en ver­volgt zijn relaas. ‘Verder heeft Nancy, Floor­tjes moeder weet je wel, vanochtend uit het zie­kenhuis gebeld. Haar neus­correc­tie is achter de rug en ze zou het leuk vinden als jij met Floortje vanmiddag langskwam.’ Ik voel de moed langzaam in mijn schoenen zinken. Vanochtend naar een begrafenis en vanmiddag naar een moeder die een volstrekt overbodige operatie heeft ondergaan. En dan ook nog een leef­groep waarvan de helft oorlog wil. Jan gaat verder: ‘Dat bezoek aan Nancy kan overigens niet doorgaan, want Paul heeft zich net ziek gemeld, dus een van ons tweeën moet de avonddienst overne­men. De stagiair kan niet alleen blijven. En aangezien ik vannacht al het twijfel­achtige genoegen had om hier te zijn…’      Op dat moment vliegt de voordeur open en rent er een groepje kinderen krijsend naar binnen. Klaas voorop.  ‘Als ik je god­verdomme in mijn poten krijg,’schreeuwt Geor­ge, een van de grote­re kinderen uit de groep, terwijl hij achter Klaas aanstuift. Ik kan George nog net bij zijn lurven grij­pen, maar Klaas ontglipt Jan, en rent naar de keuken. Daar trekt hij de bestekla open, graait het broodmes eruit, draait zich om en loopt langzaam terug naar zijn achtervolgers. Even zie ik alles in slowmotion. Ik ben, met George in de houd­greep, verstijfd van schrik. Jan staat ook als aan de grond gena­geld. Het lijkt wel die scène uit Ciske de Rat, waarin de Rat zijn moeder met een broodmes aanvalt nadat zij zijn enige mooie boek aan flarden heeft gescheurd. Zelfs George heeft geen tekst meer en staat nagel­bijtend af te wachten. Dan draait de film plotseling weer op volle toeren en ik ren met de kinde­ren weg van Klaas en zijn mes. Klaas is een lieve jongen, maar als hij het op zijn heupen krijgt is hij tot alles in staat. Een litteken onder het linkeroog van zijn moeder herinnert haar er iedere dag aan dat ze hem één keer teveel had geslagen. Net als ik besluit om op Klaas af te stappen, klinkt naast mij het benepen stemmetje van Floortje. ‘Klaas, laat je toch niet zo opnaaien. Straks ben jij weer de pineut in plaats van George.’  Voordat ik haar kan tegenhou­den, stapt Floor op Klaas af, die verbouwereerd zijn mes aan haar afgeeft. Ze pakt het aan en legt het terug in de la. ‘Kom, gaan we lekker buiten spelen. Laat ze allemaal maar stik­ken.’ Ze pakt zijn hand, en gaat met hem de binnen­tuin in. Jan staart met open mond naar de tuindeur. ‘Net zo doortastend als haar moeder,’ zeg ik nogal onnozel, en neem de rest van het geschrokken kinderstel mee naar de leef­ruimte. We ploffen neer op de bank. Vandaag is de wereld een gekkenhuis. Ik neem me voor me ner­gens meer over te verbazen.  Jan komt erbij zitten, met een karaf limonade, om de goede afloop te vieren. ‘Voordat jij denkt dat je klaar bent met dit ver­haal,George, kondig ik alvast maar aan dat jij van­middag nergens heengaat, begre­pen ?’zeg ik tegen de aanvoerder van de aanvallende club. Zoals altijd reageert George met een onver­schillig schouderop­halen. Het zal hem een worst zijn. Volwas­senen deugen toch geen van allen.      ‘Wat zieten julie allemaal met siep geziecht ? ‘ Sharifa, een bloedmooie meid met een gitzwarte huid en een praktisch vol­wassen lijf, is inmiddels binnen gekomen. Ze komt uit Ruanda. Ze is waarschijnlijk 14, hele­maal zeker weten haar stiefouders het niet, want met de ge­boor­tere­gistratie neemt men het daar niet zo nauw. Ze was een kleuter toen haar moe­der, die aan Aids leed, haar bij haar stiefou­ders dropte. Die kwamen naar Nederland en hadden moeite om hier te aarden. Shari­fa werd een zeer lastige puber. En nu zit ze hier; met Mackie Messer Klaas, pyromane Marcel, gewe­tenloze George, Colombi­aanse Dennis, Marokkaanse Moustap­ha, vroegver­waarloosd Floor­tje, hypochond­rische Nicolette, sexu­eel misbruikte Han­nah, en de zich suf etende Nathalie.

     Was het in de psychiatrie nu echt zoveel erger, vraag ik me weleens af. Valt hier eigenlijk nog wel iemand voor de poorten van de psychia­tri­sche kliniek of de gevangenis weg te slepen ? ‘Nou, vertel nou wat er ie-ies…’ dringt Sharifa aan. George die al weer veel te lang naar zijn zin stil is geweest, licht haar met het groot­ste genoegen in. ‘Oh,’zegt ze alleen maar en steekt een mooie lange vinger peinzend in haar mond.  ‘Hoi Sharifa ! ‘ klinkt het uitbundig uit de mond van de net gearriveerde stagiair Theo. ‘Ik hoor even van Marianne en Jan wat er allemaal gebeurd is vandaag, en dan gaan we samen op jouw kamertje je huiswerk bekijken.’ Zoals altijd doof en blind voor de heersende sfeer, mengt Theo zich vervolgens in het nog nabevende ploegje kinderen in de zithoek. ‘Oh ,daar heb je hem ook weer,’ klinkt het uit de groep. Sharifa staart naar Theo, draait zich om en gaat naar boven. ‘Wil je geen limonade of thee, Sharifa ? ‘ roep ik haar ach­ter­na. Maar ze is al de trap op en lijkt me niet gehoord te heb­ben. Jan brengt Theo op de hoogte van alle avon­tu­ren. Ik zit nog na te denken over de gemiste begrafenis als ik Theo hoor zeggen: ‘Geeft niks dat Paul er niet is. Marianne en ik rooien het wel, hè Marianne ? ‘ Ik doe net of ik hem niet heb gehoord. Vele stagiaires heb ik zien komen en gaan. Slimme, domme, bange, arrogante. Deze is anders, deze is van alles wat, en vooral: deze deugt niet ! Ik heb hem nooit echt ergens op kunnen betrappen maar ik vertrouw hem niet helemaal met de kinderen. Tijd om dat eens met hem of in het team aan te kaarten, morgen of zo. Want nu ben ik moe en geïrriteerd. Alles lijkt vandaag te mislukken en tot over­maat van ramp mag ik ook nog een avonddienst draaien met deze oen. Dan kan ik net zo goed blijven slapen, want morgen moet ik om 7 uur weer present zijn. Niet de moeite om naar huis te gaan.      ‘George, niet naar buiten, we moeten eerst met z’n allen praten,’ hoor ik Jan schreeuwen. Ik zucht eens diep, zet Marcel van mijn schoot af, haal Nathalie’s arm, die als een slang om mijn hals ligt, weg en sta op. De hele kinderschaar is inmid­dels thuisgeko­men. Theo mompelt dat hij Sharifa gaat helpen en verdwijnt naar boven. Instinctief wil ik hem tegen­hou­den, maar bedenk me en richt me tot de kinderen. ‘Luister allemaal. We gaan vanmiddag niet naar het bos, want er is van alles gebeurd. Trek je schoenen maar uit, neem limonade, en ga rustig zitten. Ik zal het jullie zo uitleg­gen.’ Terwijl ik naar buiten loop om Klaas en Floortje te halen, stijgt achter mij een heftig gemopper op. ‘Gatverdamme, moeten we alwéér binnen blijven. Wat is er nu weer gebeurd ?’  ‘Zeker door vannacht.’  ‘Die etterbakken, ze verpesten altijd alles.’ ‘Ach gut , moet je dat heilig boontje horen.’

     Klaas zit samen met Floortje op het houten klimrek. Ze lijken diep in gesprek. Nog geen tien jaar en al zoveel pro­blemen. Mijn hart draait zich om in mijn lijf, maar natuurlijk verman ik me. ‘Klaas, Floor, komop, we hebben een groepsgesprek. Bijna iedereen is er al.’ Klaas kijkt verschrikt op, en roept: ‘Ik heb toch niks gedaan, laat me met rust.’  Floortje pakt zijn hand en praat gerust­stel­lend tegen hem. Samen lopen ze naar binnen. ‘Hang jullie jassen netjes op en kom naar de zithoek.’ Jan vraagt me intussen of ik denk dat hij wegkan. ‘Ik vind het wel prettig als je nog bij het groepsgesprek ­blijft, dan kun jij recht­streeks verslag doen van jouw avon­tu­ren van afgelopen nacht. Daarna kun je wat mij betreft gaan.’ De mok­kende meute is inmiddels bij elkaar gekropen in de zithoek. Maatjes bij maatjes. Nico­lette zit alleen, zoals altijd. ‘Ik heb weer zo’n last van mijn maag,’ klaagt ze zacht­jes tegen mij. Ik strijk even door haar haar, en ga tussen George en Dennis inzit­ten, die dat niet erg op prijs stellen. ‘Ik weet dat jullie niet graag zo met z’n allen praten, maar Jan en ik vinden een pow-wow vandaag erg nodig.’ start ik het gesprek.  ‘Doe niet zo stom mens, we zijn geen Indianen,’ klinkt het naast mij. ‘Ik dacht anders dat jij er zelf eentje was Dennis,’ zeg ik oh zo ad rem, en kan mijn tong wel afbijten, want Dennis wil niks weten van zijn Colombiaanse afkomst. Het is nu wèl stil naast me dus ik ga door. Over de sfeer in de groep, over de onvei­lig­heid voor sommige kinde­ren, over het nachtbraken en buren­gerucht en dat dit zo niet langer door kan gaan. En of ze ideeën hebben over hoe het beter zou kunnen.      Daan staat plotseling achter mij, en fluis­tert in mijn oor: ‘Marianne, je moet naar boven komen, er is volgens mij iets niet pluis met Theo en Sharifa.’ Bij ieder ander kind zou ik mijn wenkbrauwen hebben gefronst, maar niet bij Daan. Daan, de ernstige, Daan de allesziener, Daan de redder. ‘Jan, neem jij het even over ? ‘ vraag ik, terwijl ik opsta. ‘Wat ga jij nou opeens doen ? ‘ roept George, terwijl hij mijn  broekspijp vastpakt. ‘Dat gaat je niks aan, jongeman. Laat me los en bedenk liever wat goeie groepsregels.’ antwoord ik en wurm mij langs kinder­be­nen, Daan achter­na.  

‘Waar heb je het over Daan ? ‘vraag ik terwijl we naar de trap lopen. ‘Jullie hebben echt stront in je ogen hè,’ zegt hij met nauwe­lijks ingehouden woede.  ‘Het spijt me zo van vanochtend,’ hoor ik mijzelf opeens zeggen. Daan doet net of hij het niet heeft gehoord, en zegt: ‘Theo kwam een kwartier geleden boven en ging naar Sharifa’s kamer. Hij dacht vast dat er verder niemand boven was.’  Daan’s kamer grenst aan die van Sharifa, vlakbij de trap. Omdat zij en Daan de oudsten van de groep zijn en daarom later naar bed mogen. Met zijn vinger tegen zijn mond gaat Daan mij voor .  ‘Ik lag op mijn bed te … ik lag op mijn bed, en hoorde ineens rare geluiden uit Sharifa’s kamer komen.’ Mijn hart bonst in mijn keel. Daan wilde zeggen dat hij lag te huilen, maar slikte dat nog net in. En ik word ijskoud bij de gedachte wat zich allemaal in Sharifa’s kamer zou kunnen afspelen. Keep it cool, flitst het door me heen. ‘Wat hoorde je dan ?,’weet ik uit te brengen. Daan wordt vuur­rood en mompelt: ‘Nou, je weet wel, van die zoengeluiden, en gepiep van het bed.’ Ik had dus toch gelijk, vuile viezerik dat-ie is ! Ik storm de trap op en ruk de kamerdeur open. Het tafereel dat zich voor mijn ogen af­speelt, is nog erger dan ik vreesde. Voor de tweede keer deze dag heb ik het gevoel in een slechte B-film te zijn beland. Theo zit naast het bed van Sharifa geknield, met zijn ene hand haar borst strelend, de andere om zijn geslacht geklemd. Even sta ik sprakeloos in de deurope­ning, dan stap ik naarbin­nen, geef Theo een onge­loof­lijke klap in zijn gezicht en sleur hem overeind. Sharifa begint te gillen, Theo probeert tegelij­ker­tijd zijn broek op te trekken en zijn rood wordende wang te bedek­ken. Daan kijkt met stomheid gesla­gen toe.  ‘Daan, wil jij Jan gaan halen, nu direct. En probeer de kinde­ren beneden te houden.’ Ik ben me ervan bewust dat ik nu precies hetzelfde doe als de moeder van Daan; hem als een volwassene behandelen. Maar het is een noodgeval, het moet en hij kan het.

‘Het is niet wat je denkt dat het is.’ Dit cliché uit de mond van de viespeuk is me te veel.  ‘Jij moet eens even heel erg je bek houden.’ sis ik tegen hem. ‘En Sharifa, hou op met gillen.’ Ik ga naast haar op bed zitten en help haar zich weer fatsoen­lijk aan te kleden. Snikkend klemt zij zich aan me vast, en zegt: ‘Iek moest van hem…anders iek moet terug naar Ruan­da.’ Ze begint nog harder te huilen. Ik strijk haar over de haren, en hou Theo intussen nauwlettend in de gaten. Als een kat in het nauw staat hij in de hoek van het piepkleine kamertje en wrijft onophoudelijk over zijn wang. ‘Ongelooflijk klootzak, kun je het niet met je eigen leeftijd doen ? Hoelang is dit al aan de gang ? Godallemachtig, wat zal jij hier­voor boeten !’      Intussen is Jan verschenen, met, het kon ook niet anders, een paar nieuwsgierige kinderen achter zich. Ik sta op, duw Theo naar buiten en leg Jan snel uit welke scène ik zojuist aan­trof. Hij trekt wit weg om zijn neus. Zwijgend grijpt hij Theo bij zijn kraag en sleurt hem de trap af, naar de eetka­mer. Theo’s broek zakt opnieuw af en het lijkt alsof hij naar het schavot wordt gebracht. Een stel joelende kinderen gaat erach­ter aan. Voor ik kan reageren loopt Nico­lette kalm naar hem toe en spuugt hem recht in zijn ge­zicht. Terwijl het speeksel langs zijn wang druipt rent Hannah plotse­ling op hem af en schopt hem vol in zijn kruis. Dan storten ook Nathalie en zelfs Floortje zich op Theo, die inmiddels op de vloer ligt en wanhopig probeert zijn ge­slachtsdelen en zijn hoofd te be­schermen. Met stomheid geslagen kijk ik toe hoe alle meiden van de groep hem aanpakken. ‘Kill him ‘gilt Sharifa, die intussen naar beneden is geko­men. Haar geschreeuw haalt mij uit mijn verdoving en ik pro­beer Theo samen met Jan te ontzetten. ‘Wat is hier in hemelsnaam aan de hand ? ‘ Hans, onze teambe­ge­leider, blijkt inmiddels gearriveerd. Hij is gealarmeerd  door een groepsleider van de buurtgroep, die zoveel kabaal niet pluis vond.      Theo is net met moeite verlost uit de klauwen van de woedende meiden. Hij zit met zijn handen voor zijn gezicht te janken op de grond. Jan neemt alle kinderen mee naar de zit­hoek en ik leg Hans snel uit wat er is gebeurd. ‘Ik ga Peter van de buurtgroep even halen en dan bel ik meteen de politie.’ zegt hij. ‘Geen politie…’ klaagt Theo, maar niemand luistert.

Hans gaat weg en ik blijf alleen achter met Theo. Ik ga een eindje van hem afstaan, omdat ik zijn fysieke aanwezigheid nauwelijks kan verdragen. Steeds schieten beelden van daarnet als dia’s voor mijn ogen. Het bed met Sharifa. Theo met zijn broek omlaag. Zijn handen. De meiden die hem aanvallen. De beschuldigingen die ze roepen. Allevijf ! Het kan toch niet waar zijn. In dit kinderhuis, waar ze zitten om beschermd te worden tegen dit soort walge­lijk gedrag van volwassenen. Plotseling voel ik een golf van misselijk­heid opkomen. Ik red het niet meer naar het toilet en kots mijn maag leeg voor de voeten van Theo.      Daan staat ineens voor me met een handdoek en een glas water. ‘God Daan, wat een verschrikkelijke dag voor jou. En ik bak er helemaal niks van. Niet op tijd bij je moeders begrafenis, niet in de gaten hebben dat Theo smerige zaken uithaalt, en nu sta ik nog te kotsen ook.’ ‘Klopt,’zegt hij kalm,’maar je hebt hem uiteindelijk mooi te grazen genomen. Het werd anders wel tijd.’ We zitten samen op de grond en houden zwijgend Theo in de gaten. Van zijn praatjesmakerij is niets meer over. Ineengedo­ken lijkt hij te wachten tot het vonnis over hem zal worden uitgesproken. De deur vliegt open en Hans komt binnen, gevolgd door twee agenten. Ze trekken Theo overeind, vertel­len hem welke rechten hij heeft, slaan hem in de boeien en voeren hem af. Tot het einde toe blijft het een film.

‘Het lijkt mij een goed idee als ik vanavond ook hier blijf,’ zegt Hans, terwijl hij me overeind trekt. Daan, Hans en ik lopen naar de zithoek, waar Jan en de kinderen druk aan het praten zijn.  ‘Nee, natuurlijk wisten we van niks,’ hoor ik Jan zeggen,  ‘Maar hoe kán dat nou, het is al zolang als hij hier stage loopt aan de gang,’ zegt Nicolette. ‘Mij heeft hij nooit echt durven pakken, omdat ik zo vaak ziek ben. Maar de rest…’ ‘Waarom hebben jullie niks gezegd ?’ vraag ik, de kring met de verschrikte, bange maar ook boze gezichten rond­kijkend. ‘Omdat hij dreigde aan onze ouders te zullen vertellen dat wij hem hebben uitgelokt. En omdat we toch al als een soort slet­ten worden beschouwd,’ antwoordt Hannah en barst vervol­gens in tranen uit. ‘Laat één ding jullie meiden heel duidelijk zijn,’ zeg ik vastbesloten,’dit is niet jullie schuld. Volwassenen moeten gewoon met hun poten van jullie afblijven, zo simpel zit dat. Jullie zijn afhankelijk van ons, daar mag nooit misbruik van worden gemaakt.’ De jongens zitten er wat schutterig bij. George trekt met zijn gezicht en bijt op zijn nagels. Dennis zit dicht tegen Marcel aan, en fluistert af en toe iets tegen hem. ‘Theo is net door de politie opgehaald. Hij zal zijn straf krijgen. Jullie zullen door ons van alles op de hoogte worden gehouden. Ook jullie familie moet natuurlijk worden ingelicht. Hans gaat ze straks bellen, later zullen we ze zelfs hier uitno­digen om alles door te praten. Met jullie moet er natuur­lijk ook worden gepraat. Door ons en door de politie.’ vervolg ik. ‘Moeten we dan getuigen ?’ vraagt Daan, die naast me is komen staan. ‘Dat lijkt me heel rot.’ Plotseling begint hij te snikken. Snel sla ik mijn armen om hem heen tot hij uitgehuild lijkt. Met zijn mouw veegt hij zijn tranen weg en geeft mij een zoen.  ‘Bedankt, het gaat al weer beter.’ zegt hij en loopt naar de keuken om zijn hoofd onder de kraan te steken. De meiden vertel ik dat ze waarschijnlijk onderzocht moeten worden om te zien of er lichamelijke sporen zijn van de aan­randingen en verkrach­tingen. Dapper vragen ze wat dat allemaal voorstelt en ik probeer erachter te komen op welke wijze Theo hen heeft misbruikt.     

Het is tien uur ‘s avonds. Alle kinderen, ook de grotere, liggen nu in bed. Het kostte heel wat energie om iedereen genoeg aandacht te geven en we weten allemaal dat dit muisje nog een lange staart zal hebben. Ik ben in het groepsleiders­ka­mertje de overdracht aan het schrijven. Een zeurende koppijn is inmiddels mijn deel. Opeens verschijnen de hoof­den van Nicolette en Nathalie om de hoek.

‘Marianne ? We kunnen niet slapen. Hij is toch wel écht opge­sloten hè,?’ vraagt Nathalie. Bibberend van kou en angst wringt ze zich tussen mij en het bureau op schoot. Ik aai door haar krullen en zeg tegen Nicolette dat ze op het ‘leidingbed’ mag gaan zitten. ‘Logisch dat jullie enorm geschrokken zijn vanmiddag en dat zal nog wel een tijdje duren. Maar: voor Theo hoeven jullie nooit meer bang te zijn,’zeg ik, terwijl ik me tegelijkertijd afvraag of ik die uitspraak wel kan waarmaken. Je hoort tegen­woordig zo vaak dat dit soort zaken geseponeerd worden bij gebrek aan bewijs, of omdat de slachtoffers uitein­delijk niet durven doorzetten. Ik zal er in ieder geval voor zorgen dat deze klootzak tij­dens míjn diensttijd niet meer aan de kinde­ren kan komen.      Achter me hoor ik gestommel. Ik draai me om en zie de andere meiden op een kluitje in de deuropening staan. ‘Mogen we bij jou slapen vannacht ?’ vraagt Hannah. De tranen schieten me in de ogen en ik wou dat ik genoeg armen had om ze allemaal tegelijk te omhelzen. ‘Kom op, laten we in de zitkuil hier beneden een groot bed maken.’ Enthousiast en opgelucht rennen de meiden naar boven om hun ma­trassen en dekbedden te halen. ‘SSShhhht ! Doe zachtjes, dadelijk komen de heren ook naar beneden.’maan ik ze. Te laat want Klaas staat al bovenaan de trap met afgezakte pyamabroek en vraagt wat er nu weer loos is. Zuchtend loop ik naar boven en neem hem mee naar zijn kamer­tje. Gelukkig zijn de andere jongens diep onder zeil. Klaas slaapt nog half want hij laat zich gedwee door mij instoppen. Met zijn duim in de mond en een arm stijf om een foeilelijke smurf geklemd, mom­pelt hij slaperig: ‘Dat mes was niet eens scherp weet je, je kunt er op je kont mee naar Keulen rijden ! ‘  

Nadat alle meiden gezusterlijk in het enorme geïmprovi­seerde bed zijn gekropen, loop ik naar de nachtwacht voor de over­dracht. ‘Cor, zet je schrap want je krijgt de overdracht van je leven te horen.’zeg ik, terwijl ik op de punt van zijn bu­reau ga zitten. Een half uur later verlaat ik zijn kantoortje en ga naar de ‘leidingkamer’ om te proberen wat te slapen. Morgen moet ik weer om zeven uur aantreden. En voor het eerst maakt Cor niet zijn stan­daardgrapje met de kinderen door zich via de baby­foon te melden met: ‘Hier spreekt God’.   Alles is ineens anders. De boze wereld is ook hier bin­nenge­drongen.

5. De brandende verfkast

 Amsterdam, Herfst 1978

Deze avonddienst begint al fout. Ik heb een barstende koppijn en trillende handen. De pillen die ik probeer in allerlei bakjes te doen glippen steeds uit mijn handen en vallen op de vloer of, nog erger, in het ver­keerde bakje. Het valt me zwaar om mijn ogen goed gefocussed te houden. Na een half uur geef ik het op omdat tot me doordringt dat ik onverant­woord bezig ben. Stel je voor dat Gerrit de pillen van Boukje krijg­t.    Weer een grens bereikt ? Teveel geprobeerd de werk­stress te verzuipen ?      ‘ Kan het wat vlotter met die medicijnen; ik wil vanmid­dag met een aantal bewoners naar het zwembad.’ Kees steekt zijn hoofd om de hoek van het kantoortje en fronst zijn wenk­brauwen als hij ziet dat de helft van de bakjes nog leeg is. ‘Wil jij het overnemen, ik voel me niet zo lekker,’.Ik loop weg van de medicijnkast, ga achter het bureau zitten en leg mijn tollende hoofd op mijn armen. Kees begint tegen me te foeteren. Over onverantwoordelijk gedrag en dat drinken niets oplost en meer van dat gezeur. Het is de beken­de druppel , want ik ont­plof bijna van woe­de. ‘En waar was jij toen ik  bijna door Johannes werd vermoord ? Geen telefoontje kon eraf en ook na de dood van Joop was je niet erg actief in de weer met de bewoners. Medicijnen lossen niet alles op, kloothommel !’Ik ben intussen opgestaan en loop verongelijkt de gang in. Maar waar moet ik nu heen ? Kees en ik hebben samen avond­dienst, ziekmelden kan dus niet en bovendien begint in mij een schuldgevoel te knagen. Het ís een klootzak, maar hij heeft wel gelijk. Hij had het alleen niet zo rauw op mijn dak moeten laten vallen.

     Het licht in de gang doet pijn aan mijn ogen. Wat een pokke­werk, wat bezielt me toch om ermee door te gaan ? Het verdient niet eens goed. Is het katholieke meisje toch stiekem met missie­werk bezig ? Vroeger wilde ik naar Kameroen, naar de arme negertjes. Maar alras bleek dat ik niet zo geschikt was als verpleegster. Het gefriemel aan vreemde li­chamen stond me tegen. Al die enge ziektes trouwens ook. Bovendien kon ik nooit goed tegen extreme hitte.      Boukje komt op me afgelopen met een boek over Zenboedis­me. Ook dat nog. Zijn we bijna van de stemmen af, gaan we aan Zen doen. Het is niet eerlijk tegenover haar om dit te denken, maar ik doe het toch. Mijn defentiemechanis­me is duidelijk aan revisie toe. Dit afreageren op anderen wordt hinderlijk. ‘Goed boek?’ vraag ik haar, maar voordat ze kan antwoorden loop ik al weer terug naar het kantoortje.      Kees staat zwijgend de medicatie in de bakjes te doen. Ik bekijk hem eens goed. Een toonbeeld van rechtschapenheid. Piekerig blond haar met hier en daar een grijze draad en kalend. Trouw­ring, met diamantje, een blauwe broek van een ondefi­nieerbare stof en een streepjes­overhemd met das. De enige consessie aan het huidige tijdsgewricht is een John Lennon-brilletje. Kees kennende is dat ongetwijfeld toeval en geen bewuste keuze. Ik stap naar binnen en zeg tegen hem dat het me spijt en dat ik mijn leven zal beteren. Dan reageert hij precies zoals ik verwacht en wat ik zo haat: hij draait zich langzaam om, kijkt me met een medelijdende blik aan en zegt: ‘Ach, het kan iedereen overkomen.’ Hij bedoelt juist het tegen­deel. Hem zou dit helemaal niet over­komen. Kees zich laten gaan, eens lekker zuipen of huilen ? Ben je gek zeg. Ik bijt op de binnenkant van mijn wang om mijzelf te beletten een kattig weerwoord te geven. ‘Peter is niet naar zijn werk gegaan,’ zeg ik na enige secon­den van ijzeren zelfbeheersing,’ik ga eens kijken hoe het met hem is.’

     Hoe het met hem gaat weet ik niet, maar het is overduide­lijk wat hij aan het doen is. Door de gang dendert het lawaai van een drumstel dat mishandeld wordt. Ik kijk op mijn horloge en zie dat het zijn oefenuur is. Onzin om naar hem toe te gaan. Laat hem maar lekker afre­ageren. Voor Peter heb ik een warm plekje in mijn hart. Offi­cieel is hij zwakbe­gaafd, wat in zijn geval betekent dat hij minder vlot is in zijn denken en doen dan de gemid­delde mede­mens. Het probleem is dat hij dit don­dersgoed beseft maar het niet accepteert. Voortdurend vertilt hij zich aan onmoge­lijke projecten, waar­door hij óf zwaar teleur­gesteld óf zwaar in de nesten raakt. Zijn ouders werden gek van zijn eigenwaan en hebben hem , hoewel met bloedend hart, aan de hulpverlening overgedaan. Zijn moeder vertelde laatst nog een staaltje van zijn zelf­overschatting dat voor de toe­komst het ergste doet vrezen. Peter ging op de fiets naar de sociale werkplaats. Onderweg kwam hij door een ach­ter­buurt. Er was hem op het hart ge­drukt zo snel mogelijk door te fiet­sen en niet af te stappen. Maar Peter zag dat vlak voor hem een auto bijna een fietsend meisje schepte. Het meisje schrok zo hevig dat ze haar evenwicht verloor en viel. En natuurlijk reed de hufter door. Peter be­sloot niet om af te stappen en het meisje overeind te helpen, maar om de boosdoe­ner achter­na te gaan. Hij nam een spurt en plantte zijn fiets vlak voor de auto. Tegen de kle­renkast die toen uitstapte was hij echter niet opgewassen. De schade viel achteraf mee, maar een bloed­neus en een blauw oog hield hij er wel aan over. En denk maar niet dat hij had geleerd in het vervolg geen koene ridder meer te spelen. Wat bij ons door eigenbelang allang is afgezwakt, bezit Peter in over­vloed: een groot gevoel voor rechtvaardig­heid en de vaste overtuiging dat je daar ook daadwerkelijk naar moet handelen. Koste wat het kost. En daarom heb ik een zwak voor hem.

     Kees drijft inmiddels de bewoners bij elkaar om te gaan zwemmen. Hij had dat weleens mogen overleg­gen, want nu blijf ik alleen met de achterblijvers. Maar veel praat­jes kan ik nu natuurlijk niet hebben, dus ik berust in mijn droe­vig lot. Er zijn acht mensen aanwezig op de afde­ling, de rest werkt of is gaan zwemmen. Ik besluit polshoogte te gaan nemen in groep 3. Ze zullen Johannes waar­schijnlijk missen als kiespijn, maar je weet het maar nooit.  

In de huis­ka­mer van groep 3 zit een aantal bewoners gezamen­lijk te zwijgen. Maaike zit zoals altijd met haar armen over elkaar en een verbeten trek om haar mond voor zich uit te staren, loe­rend op een gelegenheid om iemand met haar scherpe tong de les te lezen. Het zonnetje in huis. Ze zegt precies wat ze denkt, waardoor ze mensen afstoot, maar het maakt haar ook voor­spel­baar. En dat is hier in huis geen overbodige luxe.      Mevrouw Boekholt ziet er vandaag slonzig uit. Dat is bij haar meestal het voorteken van een aankomende depressie. ‘Heeft u van de week uw pillen wel regelmatig inge­nomen?’, vraag ik terwijl ik naast haar op de bank ga zitten. ‘Natuurlijk niet,’kijft Maaike,’madame vindt toch dat zij die krengen niet nodig heeft. Ze is véél beter dan wij.’ Mevrouw Boekholt kijkt even op, maar zegt niets. Nog een teken dat het niet goed met haar gaat. Als ze in haar goede doen is dient ze Maaike altijd meteen van repliek. Haar lange zilver­grijze haar heeft ze in een losse knot gewonden. Er hangen pieken voor haar uitdrukkingsloze gezicht. Alleen haar mond trilt een beetje. ‘Mevrouw Boekholt ?’ probeer ik nog eens.  Ze staat plotseling op. Het tijdschrift dat ze doelloos op schoot had liggen glijdt op de grond. Ze wrijft over haar armen alsof ze het koud heeft en loopt de huiskamer uit. In de gaten houden vanavond. Ik wend mij tot Maaike. ‘Moest je perse zo vervelend zijn tegen mevrouw Boekholt ? Wat is er met jou loos ? ‘ ‘Helemaal niks, wat zou er zijn. Ik heb het hier reuze naar mijn zin. Leuke mensen om mij heen, veel privacy, fantastisch eten, begripvol personeel, wat wil ik nog meer ? ‘ zegt ze venijnig. ‘Zullen we een potje canasta doen, misschien helpt dat tegen het sjagrijn,’ stel ik voor.  ‘ Als je dat zo graag wilt, mij best,’ zegt ze schouderopha­lend en loopt naar het buffet om de kaarten te pakken.  Als ik niet wist hoe lief ze kan zijn als mensen haar echt nodig heb­ben en dat ze bovendien geen alternatief voor dit gesticht heeft, zou ik haar door de wc trek­ken. ‘Doe je ook mee Willem ?’vraag ik aan de man die stil in een hoekje zit en zich achter een krant verschuilt. Hij gromt iets onver­staanbaars.  ‘Is dat ja of nee Willem,’informeer ik, intus­sen de kaarten schud­dend. ‘Neehee zeg ik toch,’ Geïrriteerd slaat hij een pagina om en duikt weer onder. ‘Willem, als je vindt dat je omgeving moet snappen wat jij van ze wilt, dan moet je toch echt duidelijker praten. Dat heb ik je al tachtigduizend keer verteld. Waarom wil je trouwens niet meedoen, je vindt canasta toch altijd leuk ? ‘ ‘Nou, vandaag niet,’bromt hij terwijl hij demonstratief zijn krant dichtvouwt. Even later verlaat ook hij de kamer. Er is veel dat mijn geliefde bewoners niet kunnen, maar vlu­cht­gedrag is bij hen buitengewoon goed ontwikkeld.      De volgende anderhalf uur brengen Maaike en ik in rela­tieve rust door. Af en toe verheffen onze stemmen zich. Wij kunnen alle­bei slecht tegen ons verlies, maar zij moet het leren incas­seren ,ik niet.      Het loopt tegen theetijd wanneer de portier ineens voor mijn neus opduikt. Hij fluistert in mijn oor:’Harry Vink is weer terug op het nest, maar er zijn problemen met een taxi-chauffeur. Kom je even naar de hal ?’ Het zal eens een dienst zijn zonder evenementen. Zuchtend sta ik op, zeg ‘ben zo terug’ tegen Maaike en loop met hem mee. Ik zie nog net hoe Maaike geroutineerd de kaarten bijeen­veegt. Dat ‘ben zo terug’ kent ze.

 In de hal staat een uit de kluiten gewassen stadsgenoot tegen Harry Vink te schelden. ‘Als je godverdomme maar niet denkt dat je niet hoeft te dokken omdat je gek bent, vader. Dan ken jij Gerard nog niet.’ Och Jezus. Nog eentje die het niet meer nodig vindt zijn medi­catie in te nemen. Een manische bui kan veel verschillende vormen aannemen. Bij Harry is dit er een van. Hij heeft kenne­lijk weer eens niet betaald voor andermans diensten. Een poos geleden heeft hij bijna alle restaurants in Oost belazerd door na uitge­breid dineren niet te betalen. De restaurateurs ont­dek­ten, net zoals binnenkort deze taxichauffeur, dat je als gek weliswaar ook geacht wordt te betalen, maar dat je bij iemand met een rechter­lijke machtiging toch niet veel bereikt. En de instelling waar de wanbetaler behan­deld wordt is niet aanspra­kelijk voor zijn daden. Ik vind het geen prettig voor­uitzicht dit aan deze taxichauf­feur te moeten mededelen. Maar ja, niemand heeft ooit beweerd dat het leven prettig is, dus stap ik maar weer eens het onge­wisse tegemoet. Zoals ik al bevroedde ziet de man de humor van de situatie niet in. Hij scheldt mij nu ook uit voor rotte vis en sommeert met bijna overslaande stem dat de direc­tie moet worden geroepen. De portier is er bij komen staan en probeert denk ik in te schat­ten of hij deze meneer alleen kan verwijde­ren of dat hij om versterking moet bellen.        Harry intussen staat erbij alsof hij een toevallige passant is. Zijn oogjes glimmen. Ik weet niet of het van woede of van pret is. Harry vindt zichzelf momenteel geen mens zoals alle anderen. Hij bevindt zich eenzaam op een hoger plan en kijkt meewarig toe hoe anderen staan te klunge­len in het leven, terwijl hij de wereld in zijn zak heeft. Iedere keer weer ben ik verbijsterd door de meta­morfose wan­neer hij in een depressie wegzinkt. Niets is er nog over van zijn gevoel van grandeur. Dan is hij er diep van over­tuigd dat de wereld niet op Harry Vink zit te wachten en is de kans erg groot dat hij eruit stapt. ‘Hèb je geen geld Harry, of wil je het niet geven,’probeer ik nog. ‘Je weet dat ik geen geld nodig heb Marianne. Ik sta boven het slijk der aarde. Leg dat die meneer nu even uit, dan kan ik thee gaan drinken.’ Hij maakt aanstalten om uit deze eenak­ter voor vier personen te stappen, maar de taxichauffeur grijpt hem woedend bij de kraag. ‘Betalen godverdomme. Ze moesten je opsluiten, achterlijke idioot.’ ‘Zo is het wel genoeg,’zegt de portier en rukt Harry los uit zijn handen. ‘We vinden het rot dat u uw geld niet krijgt, maar u moet wel met uw handen van onze cliënten afblijven. Gaat u nu maar.’  De man is blijkbaar zo verbouwereerd dat hij besluit het op te geven. Maar pas nadat hij, zoals het een rechtgeaarde Amster­damse taxic­hauffeur betaamt, nog wat reactionaire opmerkin­gen heeft geventileerd. ‘Stelletje imbecielen… en daar geven we ook nog ons goeie belastinggeld aan. Achter slot en grendel moeten ze…’. Meer horen we gelukkig niet, want de glazen deur is achter hem dicht­geval­len. Net als ik me wil omdraaien om Harry eens goed de oren te wassen, zwaait de deur weer open en komt Kees met zijn zwemmersploeg lawaaierig binnenzetten.  ‘Volgende keer moet je meegaan,’roept Gerrit goedgemutst,’we hebben ons rot gelachen om Kees.’ Misschien moest ik dat maar eens doen, want hoe je je om Kees rot kunt lachen is mij een raadsel. Harry neemt intussen de benen en verdwijnt naar zijn kamer. ‘Harry, wacht.’roep ik, hem achternahollend. Met een ongeduldige trek op zijn gezicht blijft hij staan. ‘Wat is er nou toch, die man is niet goed snik om zo’n drukte te maken om een beetje geld. Er zijn belangrijkere zaken om me mee bezig te houden.’ ‘Daar ben ik het roerend mee eens Harry. Ik weet ook nog wel een boeiend onderwerp om eens met jou over van gedachten te wisselen.’  ‘Werkelijk ?’vraagt Harry op een toon die suggereert dat hij nauwelijks kan geloven dat ik iets boeiends ter overpein­zing zou kunnen hebben. ‘Ja, je medicatie bijvoorbeeld. Dat lijkt mij een buitengemeen interessant thema.’ ‘Pfff, medicatie heb ik niet meer nodig. Ik voel me prima. En ik heb trouwens andere woonruimte gevonden, dus binnen­kort heb je geen last meer van me,’antwoordt hij wrevelig. Het is erger dan ik dacht. Hij lijkt al niet meer voor rede vatbaar. Omdat hij een rechterlijke machtiging heeft moet ik proberen hem op andere gedachten te brengen. In ieder geval moet hij zijn psychiater zo snel mogelijk spreken. Gelukkig is het woensdag, dan houden ze allemaal spreekuur hier in huis. ‘Harry, je kunt niet zomaar hier verdwijnen. Je weet dat je een rechterlijke machtiging hebt, dus je psychiater en de rechter hebben daar ook nog het een en ander over te zeggen.’  Maar Harry vindt het genoeg zo en loopt zonder verdere tekst naar zijn kamer.  

Kees is me achterna gekomen. ‘Wat was er daarnet aan de hand met die taxichauffeur ? Hij liep me zowat omver toen hij de deur uit denderde.’ Nadat ik hem kond gedaan heb over wat er tijdens zijn zwemuur­tje is gebeurd besluiten we dat het verstandig is om zowel de psychi­ater van mevrouw Boekholt als die van Harry te spreken voordat ze aan hun consulten beginnen. Het gaat niet zo gewel­dig met onze manisch-depressieve klanten en Joops suïcide is voorlopig meer dan genoeg.      Het is bijna etenstijd en we lopen ieder naar onze groep om te kijken of eenieder braaf zijn corvee aan het doen is en zo niet, erop toe te zien dat de rest van de groep de boosdoe­ner dat goed inpe­pert. Onze pogingen om mensen te leren weer verant­woordelijkheid over hun leven te nemen zijn niet altijd even succesvol. En in ieder geval nemen onze gekken het ons niet altijd in dank af. Verantwoordelijkheden hebben is voor velen geen aanlokkelijk beeld. Het betekent meer vrijheid, maar ook meer zorgen, meer aandacht voor anderen, maar vooral: minder moge­lijkheden om zaken op andermans bordje te leggen. Als er iets fout gaat zijn zijzelf voortaan aansprakelijk. Natuurlijk is het niet de bedoeling hen te overvragen. De kans dat mensen dan terug­vallen in een nog ergere vorm van afhanke­lijk­heid is niet ondenkbaar.

     We schuiven uiteindelijk redelijk op tijd aan tafel. Het eten ziet er lekker uit, al zal er wel weer flink op gekankerd worden. En inderdaad word ik in die verwachting niet teleurge­steld. ‘Waar is Peter eigenlijk,’ vraagt een van zijn groepsgeno­ten. Ineens realiseer ik me dat ik al een tijdje geen gedrum meer heb gehoord. Door het akkefietje met Harry en zijn taxi­chauf­feur was ik Peter helemaal vergeten.  ‘Zal ik even boven gaan kijken op zijn kamer ?’biedt iemand vriendelijk aan. ‘Nee, ik ga zelf wel. Scheppen jullie maar vast op.’ Ik sta op en loop naar de trap. Onderaan blijf ik even staan en probeer het laatste uur in mijn herinnering terug te roe­pen. Was hij nou nog aan het drummen toen ik met Maaike aan het kaarten was of niet ?  Hij was ook al niet naar zijn werk geweest en nu niet bij het eten, terwijl hij daar altijd naar uitkijkt. Vooruit, naar zijn kamer. Ten­slotte heeft niet ieder­een hier zelf­moordneigingen. Nog even en ik zie overal doden. Terwijl ik mijzelf gerust­stellend toe­spreek loop ik naar boven en sta stil voor zijn kamer­deur. Hoor ik binnen huilen ? Zacht­jes klop ik op de deur. Verdrie­tig roept Peter dat ik binnen kan komen. Hij zit ineen­gedo­ken op zijn bed , de armen om zich heengesla­gen, en wiegt zichzelf driftig naar voren en achter. In een opwelling ga ik naast hem zitten, leg een arm om zijn schouders en zo wiegen we zwij­gend een tijdje samen. ‘Het is niet eerlijk dat ik zo stom ben. Het is zo moeilijk om hier te zijn,’zegt hij plotseling. Hij maakt zichzelf van mij los , staat op en ijsbeert de kleine kamer op en neer. ‘Ik red het niet hier, ik probeer en probeer, maar ik kan niet net als de anderen zijn. Zij hebben andere problemen, zij zijn gek. Ik ben alleen maar stom. Ze snappen me niet. En jullie snappen mij ook niet. Ik wil terug naar mijn vader en moeder.’ Met vochtige ogen kijk ik naar deze lange slungel van dertig jaar die het liefst bij zijn ouders is. Raar is het ook eigen­lijk niet. Iedereen heeft datzelfde verlangen wel eens, alleen kunnen we er niet aan toegeven, dus komt het zelden aan de oppervlakte. ‘Het doet je veel verdriet hè, dat je niet meer thuis mag wonen,’ zeg ik. Hij knikt heftig en veegt met zijn mouw het snot van zijn neus. Ik geef hem mijn zakdoek en pak een glaasje water voor hem. ‘Kom, je groepsgenoten zitten al aan tafel. Ze misten je, daarom ben ik nu hier. Je vader en moeder zijn heus niet de enigen die jou een lieverd vinden.’ Er verschijnt een bibberig lachje om zijn mond. Hij steekt zijn hoofd onder de koude waterstraal en dan lopen we gearmd naar beneden. Daar worden we met gejuich begroet. Boukje wenkt hem naast zich en schept vervolgens zijn eten op. Het wordt zowaar een ontspannen en zelfs gezellige maaltijd.

     Tijdens de afwas sta ik met Jan en Gerrit te discussieren over of het nu moeilijker is om viool te spelen of piano. Jan speelt niet onverdienstelijk viool en Gerrit doet het leuk achter de piano. Ik bespeel geen instrumenten, dus ik weet van niks en kan heerlijk neutraal blijven in deze kwestie.      Hans loopt rusteloos om ons heen te drentelen en kijkt vanuit zijn ooghoeken naar Gerrit. Hij is erg op zichzelf sinds die avond dat Gerrit hem bij zijn lurven greep omdat hij het zoeken naar motie­ven voor Joops zelfmoord bespotte. Eigen­lijk zou ik iets moeten doen met die observatie, maar ik voel me nog steeds niet helemaal senang en ik ben ook niet zo gek op Hans. Het is een slijmbal van jewelste en dat soort gedrag haat ik. Ik droog de laatste borden af en loop de huiskamer uit. Kees en ik herinneren vervolgens iedereen aan de afspraak met hun psychi­ater en lopen naar het kantoortje. Medicatie klaar­zetten voor later op de avond en eventjes een paar minu­ten zonder onze dierbare gekken.

     Na luttele tijd arriveert de eerste psychia­ter al.‘Hallo Siegfried, goed dat je zo vroeg bent. We zijn wat ongerust over een van jouw klanten.’ Ik vertel hem van mevrouw Boekholt, die overigens wel was komen eten, hoewel mondjesmaat. ‘ Ik zal met haar praten en bekijken of we de medicatie kunnen bijstellen. Het zou zonde zijn als ze in een depressie zakt. Het kost haar iedere keer zichtbaar meer moeite om er goed door­heen te komen.’ Hij maakt nog wat aantekeningen van onze verdere avonturen met zijn klanten en beent weg naar zijn spreekkamer elders in het pand. Dit tafereel herhaalt zich nog enkele malen met vijf andere psychia­ters. De psychiater van Harry Vink vraagt een van ons in de buurt te blijven als hij Harry spree­kt. Je weet nooit hoe hij zal reageren op de mededeling dat hij, zoals hij nu is, absoluut niet op zichzelf kan gaan wonen. 

Tot onze opluchting verloopt de avond rustig. Iedereen lijkt besloten te hebben zich koest te houden. De meeste bewoners praten wat met elkaar, anderen kijken t.v. of lezen in de huiskamer van hun groep. Hans blijft geluk­kig uit de buurt van Gerrit. Peter doet een spelletje pesten met Boukje en mevrouw Boekholt praat met Harry Vink over hun beider depressie. Het is een vreemde conversatie. Zij in een depressieve – en hij in een manische fase. Misschien dat het uit­wisselen van die uiter­sten hen beiden wat meer in balans brengt. Waarschijnlij­ker is dat ze meer medicatie nodig zullen hebben om de ergste pieken en dalen weg te nemen.  

Het is vanzelf half elf geworden en ik zal blij zijn als ik naar huis kan. Mijn kater is nu wel grotendeels bezworen maar ik heb het gevoel alsof ik met een beer gevochten heb. Ik maak nog een groots gebaar naar Kees door te zeggen dat ik de overdracht aan Tineke wel wil doen.      Terwijl ik Tineke de belangrijkste dingen van de avond ver­tel ­dringt plotseling een branderige lucht mijn neusgaten binnen. ‘ Verdomme, Hans is zeker weer bezig met z’n pannetje warme melk,’ roep ik en race het kantoor uit om die klootzak eens even te zeggen wat ik van hem vind. In de gang zie ik een vette rookwolk uit het zijgangetje ko­men. Het alarm in mijn hoofd gaat plotseling af. Ik ren het kantoor weer in, roep ‘Bran­d !’tegen Tineke, pak de telefoon, bel het dienst­doend hoofd op, en meld dat er brand is op de parterre. Zij moet de brandweer bellen, maar lijkt daartoe niet in staat, gezien haar paniekerige reactie. Ik draai het nummer van de brandweer dat op elk telefoontoe­stel te vinden is, meld de brand, gooi de hoorn op de haak, grijp Tineke, die als door de bliksem getroffen in het kantoor staat bij haar arm en trek haar de gang in. ‘Jij gaat mevrouw Maas en Van der Broek uit hun kamer ha­len, dan de mensen uit de kamer ernaast. Snel, en laat ze alle­maal in de hal komen.’  Ik loop intussen naar de zijgang waar de rookontwikkeling steeds sterker wordt. Ik loop de slaapkamer recht tegenover de gang in en tref de tachtigjarige mevrouw de Bruin lezend in bed aan. Ze kijkt verstoord op. ‘Kom mevrouw de Bruin, snel opstaan en met me meelopen. Er is brand op onze afdeling.’ Ik sla haar dekbed terug, pak haar arm en trek haar half uit bed. ‘Hoe dúrft u zuster, laat me los, ik kan zelf wel op­staan.’ ‘Sorry mevrouw de Bruin, maar het brandt echt en u moet heel snel zijn.’ Als ze inmiddels naast haar bed staat en haar peignoir en sloffen aantrekt, ren ik haar kamer uit en een andere weer in en spoor de inmiddels wakkergeworden bewoners aan snel naar de hal te komen. De gang begint aardig vol te raken met geschrok­ken mensen maar ik zie nog geen mevrouw de Bruin. Ik vlieg terug naar haar kamer en zie haar rustig rond­schuifelen alsof er niets aan de hand is. ‘Mevrouw de Bruin, u komt nú mee !!,’ik pak haar vierkant op en sleep haar de kamer uit. ‘Nee nee zuster, ik moet mijn paspoort en mijn foto-album en mijn juwelen meenemen.’jeremiëert ze, en mijn hart breekt bijna, maar de adrenaline die door mijn lijf giert jaagt mij voort en ik sleur haar mee naar de hal. Die is nu vol angsti­ge mensen. Al mijn bewoners staan bij elkaar, maar ik mis er nog een: Anita. ‘Godallemachtig, die zit nog in de isoleer op de eerste eta­ge !’ roep ik, en stuif naar boven. Het nog aanwe­zige personeel rent er als een kip zonder kop rond. ‘Waar is Raisy ?’vraag ik een willekeurig iemand. ‘In het kantoortje geloof ik, ze belt de brandweer,’ klinkt het ontstellende ant­woord. ‘­De brandweer ? Die staat als het goed is zo op de stoep­, die heb ik al gebeld.’ In het kantoortje zit Raisy, het nacht­hoofd met grote schrikogen en een tele­foon in haar tril­lende handen achter het bureau. ‘Is Anita al uit de isoleer ? ‘ bijt ik haar toe.  ‘Anita…? Wie is Anita…ik weet het…’ ‘Geef me de sleutel, snel, en loop met me mee. Ik weet niet hoe groggie ze nog is.’ Geheel verdwaasd doet Raisy wat ik haar vraag. Even later staat ook Anita beneden in de hal, waar ze met gejuich door haar groepsgenoten wordt ontvangen.

     Plotseling klinkt er van buiten een oorverdovend lawaai van sirenes en niet lang daarna stoppen meerdere brandweerau­to’s met piepende remmen voor het huis. De glazen deuren vliegen open en de eerste brandweerlieden stormen met gasmas­kers op, bijlen in de hand en flessen met perslucht op de rug, het pand binnen. Het is inmiddels overduidelijk waar de brand is.      Zonder woorden gaan ze op hun klus af en plotseling glij­den mijn benen onder me vandaan en lig ik op de grond. Omdat ik niets meer te doen heb, lijkt de adrenalinetoe­voer ineens afgeslo­ten te zijn. Het is weer Jozef die ogenschijnlijk onaan­gedaan een kussen onder mijn hoofd legt, en mij maant te blijven liggen. Ik voel me erg slap en laat mij dan ook dank­baar vertroetelen. De een hijst me over­eind, de ander brengt me naar een luie stoel in de hal en weer een ander duwt een kop koffie in mijn handen. Ik tril zo erg dat het kopje tegen het schoteltje rinkelt. Omdat ik wil voorkomen dat ik koffie over me heen gooi, duurt het wel even voor ik het kopje leeg heb. Maar het is wel het lekker­ste kopje koffie dat ik ooit dronk ! Ik doe mijn ogen dicht en sta mijzelf toe even weg te dommelen. Ik schrik wakker uit mijn hazeslaapje door een brand­weer­man die een van top tot teen beroet figuur voortsleept. ‘Is die van u mevrouw ?’vraagt de brandweerheld terwijl hij zijn last op de grond laat zakken. ‘Willem ?’ vraag ik wijfelend, en bekijk het erbarmelijk uit­zien­d schepsel nog eens goed. Dan opent er een spleet in het zwartuitgeslagen gezicht en een gesmoorde stem zegt: ‘Ik wou helpen blussen, maar al gauw zag ik niks meer en toen ­stikte ik bijna in die rottige verflucht. Godallemachtig wat een ellen­de.’ Ik moet ondanks de deplorabele toestand van mijn collega mijn best doen niet de slappe lach te krijgen. Willem doet altijd zo bijdehand, weet in iedere situatie zo goed wat er wel of niet moet gebeuren en bemoeit zich overal mee. Dat heeft hij nu hopelijk afgeleerd. Intussen probeer ik uit te vinden of hij ook iets mankeert onder al dat vuil of dat hij zich alleen grondig moet schrobben. Hij blijkt buiten wat schrammen en builen en een gekwetst ego niet gewond. Ik raad hem aan gauw naar huis te gaan en een bad met borrel te nemen.

     Niet lang daarna verlaat de laatste brandweerman het pand. Ze laten een ravage achter van vuile voetsporen, water­plassen, en een zwartgeblakerd trappenhuis. Het had zoveel erger kunnen zijn. Morgen een schoonmaakploeg er door­heen jagen en klaar is Kees. Wat zou Kees trouwens zeggen morgen ? Met enig leedvermaak probeer ik mij voor te stellen hoe zijn reactie zal zijn. Hij zal er waarschijnlijk niet om kunnen lachen en mij hier op de een of andere wijze verantwoordelijk voor stellen.  Moeizaam kom ik overeind en probeer samen met mijn nog aanwe­zige collega’s de bewoners terug te krijgen naar hun afdeling. Daar praten we nog wat na en dan kan ik eindelijk naar huis. Ik neem een taxi en val uitgeput op mijn bed neer.

 De volgende dag belt Paula mij thuis op. ‘Je bent een kanjer, de heldin van het huis,’zegt ze,’ik hoorde dat mijn lieve collega Raisy haar kalmte totaal verloor en dat we nu werkeloos zouden zijn als jij niet had opgetre­den. Ik wil je even laten weten dat ik het geweldig vind. Je begrijpt natuurlijk dat de offi­ciële versie anders zal zijn ? Anders wordt Raisy wellicht ont­sla­gen en de meeste van mijn collega’s vinden dat gezien haar staat van dienst iets te gortig.’ ‘Het is toch wel weer godgeklaagd Paula,’ zeg ik woedend ,’ze had al veel eerder op non-actief moeten worden gesteld, maar nu ze bijna iemand in de isoleer heeft laten verbranden…’ ‘Ja, hó maar, ik weet wat je gaat zeggen en je hebt nog gelijk ook, maar…enfin. Je weet hoe dat gaat.’ Ja, ik weet zeker hoe dat gaat. Krampachtig probeer ik de stortvloed van woorden die op mijn tong ligt in te slikken. Het heeft geen zin. Het is overal hetzelfde. Wind je niet op. Het wordt je niet in dank afgeno­men. Een keer diep in-en een keer diep uitademen. ‘Is al bekend hoe die brand is ontstaan ?’vraag ik haar. ‘Jazeker, het was de brandweer meteen duidelijk dat het was aangestoken. De verfkast in de zijgang was aangestoken en Hans schijnt het gedaan te hebben.’ ‘Hans ?? Hans uit mijn groep ? Dat bestaat niet. Hij is altijd zo bang voor geweld en agressie, hij zou nooi…’ Ineens zie ik hem weer tijdens het afwassen met een broeierige blik in zijn ogen rondscharrelen en hou verder maar mijn mond. ‘Vanmorgen heeft hij tegen­over Hetty en mij bekend. Uit wraak heeft hij de boel in de fik gestoken. Om Gerrit te straffen die hem een tijdje geleden in het openbaar voor flikker had uitge­maakt. Maar ook om te voorkomen dat verder ie­mand zou horen dat hij homo is. Alsof de hele tent dat niet allang wist. Nou, tot maandag. Rust maar lekker uit. Er valt heel wat te doen als je weer terug­bent.’ Ik leg de hoorn op de haak en al half in slaap besef ik dat we door de zelfmoord van Joop ook nog bijna een massa­moord hadden gehad.

4. Het vliegende colaflesje

Amsterdam, zomer 1978.

Mijn fiets heeft een lekke band dus ga ik vandaag met het openbaar vervoer naar mijn werk. Ik loop langs De Oosterbe­graafplaats, die er weer lieflijk bijligt, zo in de middagzon. Ik groet de bloemenman en loop het plein op. Aan het eind van dat plein staat de langgerekte laagbouw waarbinnen zo’n hon­derd mensen met allerlei gektes en van verschillende leeftij­den, langere of kortere tijd verblij­ven.

     Net als ik het pand binnen wil gaan stormt Boukje langs me heen de straat op. In een reflex draai ik me om en grijp nog net een stuk van haar mouw. ‘Los…laat me los…kutwijf,’ krijst ze helemaal over­stuur. ‘Niet voor je me vertelt wat er loos is.’ zeg ik en probeer een arm om haar heen te slaan. ‘Alsof jij dat niet weet, rooie teef…godverdomme…wat een colerezooi is het hier ! ‘ Ze rukt zich los en blijft ineens midden op de stoep staan, haar armen strak langs haar lichaam. Het lijkt alsof ze ingespannen naar iets luis­tert. Plotseling kijkt ze op, grinnikt zacht en loopt, alsof er niets is ge­beurd, rustig het pand weer in. Verbaasd en lichte­lijk geër­gerd loop ik achter haar aan, naar de afdeling waar zij woont en ik werk. Ik loop de gang in naar het kantoortje van de verpleging.

     Deze gang heeft niet de omvang van die van Santpoort, maar is ook niet gering. Er komen aan de ene kant twee huiska­mers, een eetkamer en drie slaapkamers op uit en aan de andere kant een huiskamer, twee kantoorkamers en een zijgange­tje dat naar de ergotherapieruimte en het trappenhuis leidt. In de smalle ruimte staat ook nog een grote grijze kast vol met verf voor de bezigheids­therapie.       Voor een woens­dagmiddag is er ongewoon veel bedrijvigheid op de gang. Cliën­ten die aan het werk of naar een therapie zouden moeten zijn, lopen rusteloos rond. Ik zie niemand van mijn collega’s. Verdacht. Vanuit mijn ooghoeken zie ik Boukje haar slaapka­mer inglip­pen. Zonder me eerst bij mijn collega’s te melden loop ik haar achterna en klop op de deur. Geen reactie. Na een tweede poging ga ik naar binnen. Ze zit met haar rug naar de deur op bed en kijkt niet op of om. Ik loop naar haar toe en zie aan haar blik dat zij niet aanwezig is in deze wereld. Ik hurk voor haar neer, pak haar handen vast en zeg zacht maar duidelijk haar naam. Ze rea­geert niet.      Buiten op de gang klinkt een luide gil. Ik ren naar de deur en kijk de gang in. Meneer De Leeuw zit onder­uit gezakt tegen de muur en houdt afwerend zijn handen omhoog. Gerrit torent boven hem uit en staat op het punt hem te slaan. ‘Durf dat nog eens over Joop te zeggen, klootzak !’ briest hij. Ik kijk nog een keer om, maar Boukje reageert helemaal niet op de geluiden van buiten. Ik ren de gang op. Ook collega Kees komt aangehold en hij grijpt Gerrit meteen bij de klad­den. ‘Wat is er toch met iedereen aan de hand ? ‘ roep ik vertwij­feld. ‘Weet je het dan nog niet ?,’zegt Kees, terwijl hij Gerrit probeert te kalmeren. ‘Jezus…nou, ga dan maar gauw naar het kantoor van Dijkstra, daar zit ons hele team.’ Ik kniel nog even naast meneer De Leeuw om te zien of hij in orde is. Zo te zien wel. Ik aai hem over zijn hoofd en loop naar het kantoor.  Daar zitten vijf van mijn collega’s sociotherapeuten bedrukt met elkaar te praten. Hetty’s witte huid lijkt nog doorschijn­ender dan anders en Jaap zit te snotteren. Mijn gevoel van onbehagen groeit. ‘Wat is er in godsnaam aan de hand ? ‘ vraag ik aan Paula, het afdelingshoofd, die er ook al zo belabberd uitziet. ‘Joop van Buren heeft zelfmoord gepleegd. Nee, niet hier, bij hem thuis. Hij schreef een afscheidsbrief aan de groep en aan het team. Die brieven kwamen vanochtend. We hebben de poli­tie meteen gewaarschuwd, maar het was al te laat. Ik begrijp er niets van.’ Paula barst in tranen uit en onhandig probeer ik haar te troosten. Intussen gaat er van alles door mij heen: Joop? Hoezo Joop. We hebben gisterenochtend nog samen met Boukje naar radio vier geluisterd. Naar het requiem van Fau­ré. Verdomme, hij wist het toen natuurlijk al. ‘Hoe… Hoe heeft hij..? ‘ ‘Opgehangen. Aan zijn rekstok boven de deur. Ze vroegen of hij familie had. Toen ik zei dat dat niet zo was vroegen ze of ik…’ Weer beletten tranen Paula verder te praten. Opgehangen? Joop? Dat is toch niks voor hem. Het ging de laat­ste tijd zo goed. Hij was optimistisch en dacht dat hij deze keer wat langer zonder depressies zou kunnen blij­ven. Had dat requiem me niet moeten waarschuwen? Had ik niet iets belang­rijks over het hoofd gezien? Het was de laatste weken erg druk. De nieuwe groepsleden vroegen veel aan­dacht. Hij was wel stil. Maar dat was hij meestal. ‘Hé Marianne, zeg eens iets…wat vind jij ervan, hoe voel je je ? Hij hoorde bij jouw leefgroep. We hebben het trouwens alle bewoners meteen gezegd. Als je wilt kan ik je daarover wat vertellen.’ ‘Bedankt Anne…,’ mompel ik. Hoe ik me voel. Ik voel niet veel. Ik heb het erg koud en zie steeds het gezicht van Joop voor me. Joop de mislukte ingenieur, Joop de Himmelhochjauch­zende en zum Tode Betrübte. Joop die als hij zich goed voelde alles voor zijn groepsgenoten en de begeleiding deed. Joop die na vijf opnames op gesloten afdelingen eindelijk een balance leek te hebben gevonden tussen het alles of het niets. Joop die nu kennelijk voor het niets had gekozen.   Langzaam aan begin ik iets te voelen. Het is tot mijn verba­zing geen ver­driet, maar ontzettende woede. Ik ben zo razend dat ik er bijna in stik. ‘Godverdegodver…hoe haalt ie het in z’n hoofd…ons zo achter te laten…klootzak…egoïst…,’schreeuw ik, mijn handen tot vuisten gebald in mijn broekzakken, om te voorkomen dat ik uit woede de vieze kopjes en volle asbakken van de tafel veeg. Op dat moment vliegt de deur open en Jozef van der Walle, een geflipte kernfysicus, roept dat we onmiddellijk naar de huiska­mer van groep 1 moeten komen. ‘Het is er een bloedbad, ze vermoorden elkaar.’ Groep 1 is niet mijn leefgroep, maar in geval van nood maakt dat niet uit, dus ook ik storm het kantoortje uit naar de plek des onheils.  In de huiskamer staat Anita op de salontafel met een aantal gillende mannen en vrouwen om zich heen. Ze probe­ren haar te pakken, maar haar maaiende armen, waar uit beide polsen het bloed stroomt, beletten dat. Bovendien heeft zij in haar lin­kerhand een scheermesje, waar ze woeste bewegingen mee maak­t. ‘ ­Wel goddomme.’ schreeuwt Kees,’ Anita hou op met dit slechte toneelstuk, Joop is dood en aan één drama hebben we voorlopig genoeg ! ‘  Het tableau vivant voor mij lijkt te bevriezen in de tijd. Anita stopt met maaien, de anderen draaien zich om naar Kees. Paula en ik maken gebruik van hun eerste verbazing en schieten op Anita af. Paula springt op de bank achter haar en pakt haar linkerpols stevig beet, waardoor het scheermesje uit haar hand valt. Ik heb Anita inmiddels bij haar benen vast en ga met mijn volle gewicht aan haar hangen. Anne komt aanzetten met een injectiespuit Valium. Anita, Paula en ik liggen ondertus­sen op de vloer en Kees is op haar onderbenen gaan zitten om Anne de kans te geven de spuit in Anita’s dij te prikken. Dwars door haar spijkerbroek heen, want ze is niet meer te houden van woede. De andere bewoners staan wat verloren naar ons gedoe te kijken. De actie is gelukt en Anita wordt binnen een minuut slap.  Jozef heeft inmiddels de verpleegkundig manager van zijn kantoor gehaald, die nu met een eerste hulp kistje bij Anita is neergeknield. Vlug legt hij noodverbanden aan, veegt het bloed van haar armen en consta­teert dat het er erger uitziet dan het is. ‘Waarom leren ze nou nooit eens goed te snijden ? In de lengte in plaats van overdwars,’ moppert hij. ‘Nou jongens, dat wordt sjouwen; of wacht eens, pak maar een rol­stoel uit de gang en neem haar mee naar de isoleer bo­ven. Paula, bel jij Ben van Oorschot, die heeft vandaag dienst.’ ‘Die komt er al aan vanwege de suïcide van Joop,’ zegt Paula nog bleek om de neus van deze nieuwe ontwikkeling.   Mijn collega’s zorgen ervoor dat Anita in de isoleer terecht- komt. Ik peil intussen de gemoedstoestand van haar groepsgeno­ten. Het lijkt mee te vallen. Plot­seling schiet mij Boukje door het hoofd. Verdom­me, daarom deed ze zo maf. Joop was een van haar favo­rieten. Met bonzend hart loop ik naar haar slaap­kamer en ga naar binnen.

 Ze zit nog steeds op haar bed, in precies dezelfde houding als waarin ik haar achterliet. Langzaam voel ik de spanning in mijn maagstreek wat wegtrekken, en ga naast haar zitten. Ze reageert nog steeds niet. De plotselinge dood van Joop heeft haar waarschijnlijk weer teruggesleurd in de wereld van elek­trisch licht en onmetelijke ruimtes. Het is te hopen dat ze daar geen rampzalige opdrachten krijgt. Om haar de ware proporties van dingen te laten waarnemen, helpt het soms om de grote tijger­knuffel in haar armen te drukken en te zeggen dat hij haar zal beschermen tegen alle kwaad. Waarschijnlijk is het zinloos maar toch pak ik Tijger en zet hem op haar knieën. Er gebeurt niets. Maar dan pakt zij onverwachts het pluche beest op en sluit hem stevig in haar armen. ‘Bijna hadden ze me te pak­ken..,’fluis­tert ze in zijn oor,’maar tegenwoordig gaat dat niet meer zo makke­lijk, dank­zij jou Tijger.’ Ze draait zich naar mij toe en zegt:­ ‘En ook dankzij jou.’ Daar doe ik het nou voor, denk ik. Joop is voorgoed verlo­ren, A­nita zal waarschijnlijk haar hele leven blijven snij­den, maar Boukje, dat ziet er een stuk rooskleuriger uit. ‘Kom, het is bijna etenstijd. Ga mee naar de huiskamer,dan kunnen we met z’n allen de geestelijke schade gaan opne­men die Joop heeft veroorzaakt.’zeg ik en samen lopen we stevig gearmd naar de ruimte van groep 2. De groep van Joop. ‘Hier,’zegt Jozef,’je zult wel bekaf zijn.’en hij schuift een bijzettafeltje onder mijn benen. Ik zit onderuitgezakt op de bank met in mijn linkerarm Boukje en in mijn rechterarm Jaap,­ mijn collega van groep 2. Hetty is ook gebleven. Het is beter nu samen te zijn dan thuis in je eentje. Ze ruimt samen met Nienke en Hans, die vandaag corvee hebben, de etensrom­mel op en zet koffie.      Jozef gaat in de stoel tegenover me zitten en zegt: ‘ Ik heb het gisterenmiddag nog uitgebreid met Joop gehad over die satansvloek, de neutronenbom. Hij was niet zo erg geïnteres­seerd geloof ik, maar ik bleef maar doorgaan over welk een vileine geest de vent moet heb­ben die dat ding heeft uitgevon­den. Joop is vast zo depressief geworden van mijn praatjes dat hij zich maar heeft opgehangen.’ Hij leunt achterover, slaat zijn ene been over het andere, be­kijkt uitgebreid zijn nagels en vouwt dan zijn armen over elkaar. Hij lijkt zo net een braaf jongetje dat heel oplettend in zijn schoolbankje zit en vol verwachting uitziet naar het oordeel van de juf. Geen spoor van emotie is van zijn gezicht af te lezen. Hoe gemakkelijk om je daar­door te laten mislei­den.      Boukje schiet overeind waardoor Tijger van haar schoot rolt. ‘Nee Jozef, dat is het niet hoor. Trek het je alsje­blieft niet aan. Het is vast mijn schuld. We hebben giste­renochtend, omdat ík het zo graag wilde, naar een requiem ge­luisterd. Dát is pas stom. Met iemand die last heeft van zware depressies gezellig naar een requiem luisteren.’ ‘Eerlijk gezegd moest ik ook meteen aan dat requiem denken toen ik dat van Joop hoorde. Ik was er toch ook bij ?’ z­eg ik, verrast dat ook zij dat verband heeft gelegd. Meest­al is ze vooral met zichzelf bezig. ‘Hè ja mensen, laten we elkaar lekker gaan aftroeven wie nou precies Joop over de rand heeft geholpen. Eens even pein­zen wat ik daaraan kan toevoegen.’ Hans is naast Jozef komen staan met in de ene hand een bord en in de andere een thee­doek, die hij met een dramatisch gebaar zuchtend tegen zijn voorhoofd legt. ­Gerrit is inmiddels onhoorbaar de kamer inge­lo­pen, en grijpt Hans woedend bij z’n lurven. ‘Begin jij nou godver­domme ook al, ik ram je helemaal tot gort, vuile flikker die je bent…,’ en net als hij aanstalten wil maken om zijn woorden in daden om te zetten, zijn Jo­zef, Jaap en ik al opge­sprongen en trekken Gerrit van Hans af. ‘Nou zeg, durf je wel, zo’n grote vent tegen zo’n iel manne­tje als ik,’zegt Hans, terwijl hij snel een stap achteruit doet. ‘Hou jij nou verder alsjeblieft je mond Hans,’ blaf ik hem toe,’en jij, Gerrit, dat is al de tweede keer vanmiddag dat je je handen niet thuis kunt houden. We hebben hier allemaal last van de dood van Joop, maar we slaan er niet op los, hoe graag we dat ook zouden willen. Ga zitten en pak een kop koffie. En schenk meteen voor ons in. Maar je bent gewaar­schuwd. Nog een keer en je gaat maar in je eentje op je kamer zitten.’ ‘Je moet je inhouden makker, want Anita heeft de isoleer al bezet,’ voegt Jaap er nog aan toe.’Kunnen we je los laten zonder dat je doordraaft ? ‘ ‘Ja man, láát me nou ,’ Gerrit wringt zich los, hetgeen hem met zijn kollossale lijf niet echt moeite kost, en hij gaat ver­der­op aan de eettafel zitten.      Hans is weggeslopen en staat in de deuropening toe te kijken. Hij knippert zenuwachtig met zijn oogleden en wrijft zijn handen langs zijn broekspijpen alsof ze nat zijn. Lang­zaam aan komt het weeïge gevoel in mijn maag weer opzetten. De situatie is explosief, iedereen probeert op zijn manier met de plotselinge dood van Joop om te gaan. Dat lukt niet vanzelf. Ik kijk eens naar Jaap en Hetty. Ook zij zijn op hun hoede. Hetty is naast Gerrit aan tafel gaan zitten en legt een hand op zijn vuisten. Jaap heeft de twee laatstgekomen bewoners uit hun slaapkamer gevist en mee naar de groepsruimte genomen. Alsof we het tevoren gerepeteerd hebben. Het weeë gevoel trekt een beetje weg. Ik pak het blad met koffiepot en kopjes, zet het op de salontafel en vraag de aanwezigen om rond de tafel te komen zitten.      Dan volgt een lange sessie van praten, huilen, kwaad zijn, en schuldig voelen om Joop. Tot we er bijna zelf dood bij neerval­len.

‘Kom op Gerrit,ik breng je even naar bed,luisteren we samen nog even naar de lievelingsplaat van jou en Joop. Miles Davis toch ?’zegt Jaap en neemt Gerrit mee, die hem gedwee volgt. 

Iedereen van groep 2 ligt in bed. De een met een slaap-of ontspanningsmiddel, de ander met een extra aai of nachtpraat­je. Hetty zit aan ons bureau en schrijft voor de nachtwacht de gebeurtenissen van deze gedenkwaardige dienst op. Jaap zit knikkebollend op een stoel tegenover haar. ‘Hé Jaap, zou jij niet eens je biezen pakken en een goeie borrel nemen ?’ zegt Hetty, terwijl ze luidruch­tig het boek dichtslaat. ‘Het was je eerste suïcide is het niet? Dat is even wennen.’ ‘ Wat is dat voor een bezopen opmerking Hetty ,’ zeg ik,’nooit wen je eraan en degene die beweert dat het wel zo is liegt, of is zo godvergeten afgestompt in dit werk dat….’ ‘Ja ja, ik weet wel wat je allemaal wilt gaan zeg­gen. Bespaar me je gezever over beroepsdeformatie en mijn gebrek aan ver­antwoordelijkheids- gevoel. Het is wel goed met jou. Ik ga naar huis. Aju !! ‘ Hetty staat op, graait haar jas van de kap­stok en beent met woeste stappen het kantoortje uit. ‘Tot morgen Hetty,’ roept Jaap, die ineens weer helemaal wakker is, haar nog na. Ik kan geen zinnig woord meer uitbren­gen en besluit verstandig te zijn. We zijn allemaal overstuur. Jaap rekt zich uit, geeuwt uitgebreid, pakt zijn spullen en vertrekt.

         Kees stapt binnen en informeert naar mijn welzijn en dat van mijn groep. We vertellen elkaar kort van onze weder­waar­dighe­den. Even later komen Anne en Paula erbij. In groep 1 was de isolatie van Anita wisselend ontvangen, de dood van Joop leek daarentegen minder ophef te veroorzaken. Het blijft echter voorlopig oppassen. Daarover zijn we het roerend eens. In groep 3 was alles zijn gezapige gangetje gegaan. In onze chronische club heeft men wat vechtpartijen en suïci­des be­treft zijn portie in het verleden al ruimschoots gehad. Paula informeert als laatste hoe het met ons gaat. ‘ Volgende teamvergadering maar veel aandacht daarvoor, dacht ik zo. Wat is Tineke laat. Wie blijft er nog even met mij hier om haar monde­ling over te dragen? ‘ ‘Dat doe ik wel,’zeg ik impulsief. Ver­domme. Tot mijn afgrij­zen hoor ik me er nog aan toevoe­gen: ‘Maar ga jij toch lekker naar huis, je staat al vanaf acht uur van­och­tend op je benen. Kom op, wegwe­zen.’ Even zie ik haar aarzelen. Dan pakt ook zij haar spullen en verlaat samen met Kees en Anne het huis.      Verbijsterd kijk ik hen na. Hoe komt het toch dat ik iedere keer weer degene ben die na een moeilijke dienst als laatste achterblijft en de mondelinge overdracht mag doen ? ‘Sufferd, wanneer leer je het nou eens,’denk ik.     

De voetstappen van mijn collega’s verdwijnen in de nacht. Ik ben nu helemaal alleen op de afdeling. Het suizende geluid van een kapotte tl-buis boven de medicijnkast klinkt ineens onheilspellend. Snel ga ik achter het bureau zitten om de overdracht te lezen. Zo beleef ik opnieuw de ge­beur­tenissen van deze dag. Boukje, Gerrit, Hans, Anita en niet te vergeten, Joop. Vandaag draaide het immers allemaal om hem. Gevoe­lens van geloof, hoop, liefde en schuld beheers­ten deze dag mijn gek­kenhuis. Maar waarom overheersen er vooral sch­uld­gevoelens als iemand zelfmoord pleegt ? Het zal de Hol­landse inborst wel weer zijn die ons zo dwingend de schuldkant op­stuurt en ons andere gevoe­lens zoals opluchting en bewon­de­ring voor zo’n daad niet toestaat. Zelfs af­gunst dat het hém is gelukt aan zijn gekte te ontsnappen zou hier in huis een voorstelbaar gevoel kunnen zijn. Maar daar mogen we niet over praten. Het zou mensen maar op een idee kunnen brengen.

     Ik fantaseer dat ik uitge­breid met mijn bewoners praat over de voordelen van zelfmoord. Dat het hen en hun naasten veel onnodig lijden bespaart en dat zo’n daad de geesten uit hun psycho­tische werelden mooi de loef af zou steken. Anita en Jozef zijn opgelucht dat het taboe op het onderwerp doorbroken is en vertellen enthousiast over de manier waarop zij eruit denken te gaan stappen. Al gauw melden zich meer kandida­ten en we zijn urenlang in gesprek over de juiste motieven en hand­zaam­ste middelen. Uiteindelijk wil de helft van mijn groep er vóór het komende weekend wel een eind aan maken. Eensgezind en in grote harmonie komen we tot weloverwo­gen beslissingen over het wanneer en hoe. Iedereen kiest zijn plek en methode, en de manier van afscheid nemen.

     ‘Zuster, ik kan niet slapen.’ Mijn zelfmoordwalhallah spat uit elkaar. Spijtig kijk ik op en zie mevrouw De Bruin voor mijn bureau staan. Zo krom als een hoepel en stokoud. En vastbesloten om minstens honderd te worden. Ook dát moet kun­nen. ‘Zal ik een lekker glaasje warme melk met honing voor u klaar­maken ?’zeg ik terwijl ik haar magere arm onder de mijne steek en samen met haar naar de keuken loop.

     Nadat ik haar in bed heb gestopt verdiep ik me weer in het overdrachtschrift. Plotseling krijg ik het gevoel dat achter mij iemand door het raam loert. Er loopt een rilling over mijn rug. Onwillekeurig kijk ik achterom en zie daadwer­kelijk een bleek gezicht achter het beslagen glas. Mijn hart bonst in mijn keel en tot het uiterste gespannen kijk ik toe hoe een paar grote ogen langzaam mijn kant op draait. Ik verman me, schiet over­eind en loop naar het raam om te zien wie mijn begluurder is. Het gezicht trekt zich onmid­dellijk terug. Bij het raam gekomen zie ik met moeite een vage gestal­te bij het fietsenhok om de hoek verdwijnen.      ‘Wat een vredige rust hangt er hier op de afde­ling. Er is bijna niemand meer op. Hebben jullie eindelijk besloten de medicijnen in het eten te gooien ? ‘ Tineke dragon­dert het kantoor binnen, gooit haar jas in een hoek en een stapel Prive’s op het bureau. Nog peinzend over de identiteit van de gluurder, draai ik me om en zeg: ‘Nou, de oorzaak is wat drama­ti­scher dan dat. Ga zit­ten, pak een kop koffie en luis­ter.’

 Na de overdracht loop ik, tollend van de slaap, de gang op. De meeste bewoners zijn naar bed, het licht in de gang is ge­dempt. Uit de huiskamer van groep 3 hoor ik nog wat gestom­mel. Op weg naar de voordeur werp ik een blik naarbinnen en zie Johannes in een hevige discussie verwikkeld met een cola­fles. Ik trek me snel terug en ga om de hoek nadenken over wat mij te doen staat. Mijn polsslag heeft alweer een ongezon­de snel­heid en ik voel dat ik begin te hyperventileren. Ik krijg een droge mond en mijn hartslag is onregelmatig. Om het ver­stoorde ritme weer normaal te krijgen knijp ik mijn neus dicht en blaas hard. Opgelucht voel ik het bloed weer onbelem­merd door mijn borst stromen en het akelige bonken is weg. Ik ben klaar voor verdere actie.      Johannes is een van de weinige bewoners waar ik bang voor ben. Zijn paranoïde buien lijken van het ene moment op het andere te ontstaan en dan volgt altijd een agressieve uit­barsting. Meestal naar zich­zelf, maar soms ook naar ande­ren. Hij is al zeven keer in een inrichting opgenomen geweest en altijd ont­staat hetzelfde patroon: Johannes neemt braaf zijn medica­tie, het gaat goed. Hij wil naar een resocialisa­tieafde­ling en dan gaat het fout. Hij neemt zijn medicatie slecht in, wordt weer achterdochtig en vervolgens agressief. De laatste keer was hij hier van twee hoog uit het raam ge­sprongen. Dat leverde hem twee verbrij­zelde voeten op, maar helaas weinig inzicht. Hij lijkt nu in de laatste fase van deze cyclus te zijn beland. Het is iedere keer weer de kunst om dan de schade zo beperkt mogelijk te houden. Zal ik Tineke om hulp vragen ? Nee, die werkt meest­al op Johannes als een rode lap op een stier. Nou voor­uit, naar binnen en hem gewoon vragen zijn medicatie te pakken en naar bed te gaan. Ik haal diep adem en stap de huiskamer binnen.      Johannes is nog steeds geagiteerd in gesprek met de colafles, die voor de helft leeg is. Hij staat met zijn rug naar me toe en ziet me niet binnen­komen. ‘Hallo Johannes, een latertje vanavond ? Het was ook allemaal wel heel hectisch hè ?’probeer ik dapper. Als door een wesp gestoken draait hij zich om en kijkt me met broeierige ogen aan. ‘Sodemieter gauw op, jij…jij…,’ hij staat bijna te schuim­bekken van woede en kan kennelijk niet op een voor mij passen­de bena­ming komen. Maar deze aanhef is meer dan genoeg om te maken dat ik wegkom. Ik verlaat achteruitlopend de huiska­mer en ren de gang in, naar het kan­toortje. Daar is echter nie­mand. Ik hoor Johannes briesend achter me aan komen. Voor iemand met ver­minkte voeten ontwik­kelt hij een griezelig hoge snelheid. Ik ben bijna aan het eind van de gang en kan geen kant meer op, behalve het trap­penhuis in. Snel besluit ik om links de kamer van Boukje in te vluchten. Stom van me, want nu zit ik in de val. Het is ook te laat om de deur achter me dicht te ­trekken want hij zit me letterlijk op de hie­len. Wanhopig kijk ik achterom. Net op tijd om de cola­fles te zien aankomen die ik in een reflex ontduik en vervolgens rakelings langs mijn hoofd dwars door het raam hoor vliegen. Het oor­verd­ovende gerinkel van brekend glas maakt dat de inmiddels toege­snelde Tineke mijn belager onopgemerkt van achte­ren kan be­sprin­gen. Gelukkig werkt haar enorme omvang in ons voordeel. Johannes kwakt op de grond en Tineke gaat ponteficaal bovenop hem zitten.      Boukje zit intus­sen rechtovereind in bed met ogen zo groot als schotel­tjes en een deken vol cola en glasscher­ven. ‘Blijf zitten waar je zit,’zeg ik zowel tegen haar als Tineke en ren de kamer uit om hulptroepen van de eerste etage te halen.

     Een uur later kijken Tineke, Boukje en ik opgelucht naar de snel ver­dwijnende achterlichten van de ambulance die Johan­nes meeneemt naar een psychiatrisch ziekenhuis ver van ons vandaan. Een ziekenhuis met gesloten deuren en ramen en met, voor de zekerheid, een vangnet in het trappenhuis. Een zieken­huis waar vast geen colaflessen te krijgen zijn.

    

Geeuwend van de weggevloeide spanning en de slaap verlaat ik uiteindelijk toch nog het pand. Buiten is het gelukkig wat afgekoeld, hoewel ik mijn jas niet nodig heb. Als ik de deur van het fietsenhok opendoe pakt een benige hand mij bij de pols. Voor ik de kans krijg bang te worden, zegt een vriende­lij­ke stem: ‘Zou ik alstublieft eventjes met u mogen praten ? Het gaat over Joop. Weet u wel, die zelfmoord heeft gepleegd?’

Ik bedwing mijn neiging om te lachen. Al zou ik het willen, ik zal Joop voorlopig niet vergeten. Ik vraag wie hij is en of híj door het raam van het kantoortje heeft staan gluren.

‘ Dat was ik ja. Het spijt me als ik u heb laten schrikken, maar ik wilde niemand anders dan u spreken. Ik ben de broer van Joop. Ja, ik weet het, hij zei altijd tegen iedereen dat hij enig kind was, maar dat is niet zo. Ziet u, we zijn gro­tendeels gescheiden opgegroeid. Hij bij onze moeder en ik bij onze vader. Hij wilde niets met onze vader van doen hebben, vandaar dat hij ook met mij geen contact wilde. Hij beschouwde mij als iemand die heulde met de vijand, ziet u.’

Terwijl ik stil en verrast naar hem luister, wrijft hij ner­veus in zijn handen en kijkt me boven zijn bril oplettend aan.

De gelijkenis met Joop is frappant. Dezelfde droevige ogen, dezelfde mimiek. Het is griezelig. Alsof Joop’s broer mijn gedachten raadt zegt hij: ‘Nee, we waren geen tweeling, hoewel de band erg sterk was. Ook al hield Joop al die jaren mijn pogingen tot contact af, toch lukte het me af en toe om hem onverwachts te benaderen. Dan praatten we over onszelf en onze toekomstverwachtingen, want onze ouders waren wat hem betreft een gesloten boek. Dat heb ik altijd erg jammer gevon­den. Voor hem, maar ook voor mij­zelf. Waarom denkt u dat kinderen de nei­ging hebben om de fouten van hun ouders op zichzelf te projec­teren ? Waarom zijn twee verwoeste levens niet genoeg en moest Joop ook nog dat van hemzelf en mij bederven ?’ Zijn stem is van zacht en vriende­lijk overgegaan in schril en boos. Ik kijk om mij heen en zie dat ik helemaal alleen met Joops broer op straat sta. Ik zal mij zelf hieruit moeten redden.

‘Wat wilt u van mij horen ?’ vraag ik vriendelijk, terwijl ik de deur van het fietsenhok sluit en er met mijn rug tegen­aan ga staan. Zijn handen zijn nog steeds druk in de weer, maar zijn stem klinkt alweer wat minder opgewonden als hij vertelt dat hij zo graag bij Joops begrafenis wil zijn. Of ik hem kan laten weten waar en wanneer die plaatsvindt. Lichtelijk ver­baasd maar vooral ontroerd door de eenvoud van zijn verzoek, zeg ik hem dat zodra het bekend is ik het hem zal doorbellen.

‘Helaas heb ik geen telefoon. Is het goed als ik morgen weer hier langskom, als u tenminste dan dienst heeft ? Dan hoor ik het wel.’

     Net als ik zijn adres wil vragen omdat ik het niet zo’n pret­tig idee vind dat deze man mij morgen weer zo benadert, valt mij ineens op hoe sjofel hij eruit ziet. Hoewel hij zichzelf zichtbaar gewas­sen en geschoren heeft, hangen er rafels aan zijn manchetten en een stuk touw om zijn middel zorgt ervoor dat zijn broek niet afzakt. Op de grond staan twee grote plastic tassen met onduidelijke spullen. Even aarzel ik nog, maar dan zeg ik: ‘ Het is prima als u morgen weer langskomt. Dan weet ik zeker meer.’

Iets in zijn ogen weerhoudt mij ervan om op wat voor manier dan ook naar zijn deplorabele staat te verwijzen. Hij drukt mij de hand, mompelt een bedankje en schuifelt weg in de nacht.

     Ik pak mijn fiets en rijd diep in gedachten door Am­ster­dam – Oost, langs het Tropenmuseum, over de Maurits­kade, naar mijn zolderetage. Daar maak ik mijn buurvrouw wakker en ont­kurk een fles wijn.

     Als ik eindelijk in bed stap, is mijn hoofd aangenaam verdoofd en de fles leeg.

 

3. De vrouw die het wel welletjes vond.

Het is inmiddels zomer geworden en ik ben overgeplaatst naar een zogenaamde chronische afdeling. Deze afdeling is gesloten en wordt bevolkt door vrouwen die gemiddeld al meer dan dertig jaar in het ziekenhuis wonen. Tot mijn verbijstering blijken de meeste verpleegsters er al net zo lang te wer­ken. Het verschil tussen patiënt en verpleging is mij soms vol­strekt duister. Neem zuster Ria. Een lange, grofgebouw­de vrouw met handen als een bouwvakker. De wijze waarop zij en mevrouw Pieter­se elkaar bejegenen doet sterk denken aan een stel dat al veertig jaar in onmin samen­leeft.

Zuster Ria, wanneer mevrouw Pieterse haar voor de zoveelste keer sommeert te komen: ‘ Sofia, ik zou het zeer op prijs stellen wanneer je me niet tien keer voor hetzelfde roept. Ik heb nog andere dingen te doen.’  Mevrouw Pieterse, met een klagerige, gebroken stem antwoordt  hoorbaar geroutineerd: ‘Als je niet voor me wilt zorgen zoals dat hoort, had je maar geen verpleegster moeten worden. Maar ja, je had geen keus hè, na dat debâcle met die Johan…’ Alsof een aantal vrouwen perse Freud’s opvattingen over hyste­rische ziekte­beelden wil onderstrepen, is ook deze vrouw al jaren­lang aan haar stoel gekluisterd omdat ze niet kan lopen. Er man­keert haar, volgens de doktoren, medisch gezien niets, maar desal­niettemin weigeren haar onderdanen iedere medewer­king. Met enige moeite kan ik me wel voorstel­len wat haar winst is. Het verschaft haar al dertig jaar een veilig bestaan met veel bedie­nend personeel. De wereld is rustig en overzich­telijk, het snelle bestaan buiten de poort gaat vol­strekt langs haar heen. Het idee dat zij in staat zou zijn te lopen en dus zelfstandig het terrein af zou kunnen, de trein zou kunnen nemen naar Haarlem, of, nog erger, naar huis, is haar waarschijnlijk een gruwel.      Haar geestelijke armoede compenseert zij door zich eens per maand naar de gestichtsbibliotheek te laten duwen, waar zij een forse greep doet naar boeken als Dik Trom, Eeuwig zin­gen­de bossen, Angelique koningin van de engelen en De neger­hut van oom Tom. Zuster Ria en consorten hebben dan het twij­fel­achti­ge genoegen om de boeken naar de afdeling te slepen. Mevrouw Pieterse heeft op haar manier een reputa­tie hoog te houden. En dat wil ze ook graag laten merken aan nieuwkomers zoals ik. ‘Zeg meisje, hou jij eens even mijn tas vast en breng me naar het toilet,’ klinkt het een van mijn eerste werkdagen vanuit de hoek van de woonkamer. Ik ben druk doende om mevrouw Sui­kerbuik zo gek te krijgen dat ze haar beddegoed niet langer als tafel­kleed gebruikt dus antwoord ik nietsvermoedend dat ze even moet wachten. Achter mij barst mevrouw Pieterse in luid gehuil uit. Ze laat haar tas op de grond glijden en maakt aanstalten zichzelf ook te laten vallen. Geschrokken loop ik op haar af en steek mijn handen uit om haar daarvan te weer­houden. Mevrouw Pieterse is ook letterlijk nogal een zwaarge­wicht en ik voel er weinig voor om haar van de grond te moeten oprapen en mijzelf een hernia te bezor­gen. Zij heeft nu alle registers opengetrok­ken en brult als een dier in het nauw. ‘Zuster Ria, zuster Ria, help, help, zij heeft me gesla­gen en van mijn stoel geduwd,’ schreeuwt ze tot mijn afgrij­zen. Op het tumult zijn inmiddels andere patiëntes afge­komen en ik raak ingesloten in een kring van starende en fluisterende vrou­wen. Een van hen stapt naar voren en gaat demonstratief tussen mevrouw Pieterse en mij instaan. ‘Je moet van mijn moeder afblijven,’ zegt ze, de vrouw lief­devol over haar hoofd aaiend. Sprakeloos kijkt ik toe hoe Miep, die zeventig jaar is, de veel jongere mevrouw Pieterse met mamma aanspreekt en haar probeert te kal­meren. Kalmeren ? Het is volgens mij één groot toneelstuk, een waan­zinnige eenakter die mevrouw Pieterse met verve en zichtbaar succes opvoert. Ze trekt duidelijk spottend een wenkbrauw omhoog, en kijkt me intussen triomfantelijk aan. Zuster Ria komt aangestormd en staart naar het tafereel voor haar. Op een toon die suggereert dat ze mij zojuist betrapt heeft op het plegen van een onzedelijke hande­ling, vraagt ze wat ik aan het doen ben. Ik moet me kennelijk schuldig voe­len, alsof ik haar vier­jarig dochtertje ben. Het moedertje spelen is kennelijk erg populair hier, maar ik wens niet mee te doen aan dit krankzin­nige rollenspel.      Wat een rotstreek ook van dat alcoholische oplei­dings­hoofd om mij op zo’n soort afdeling te zetten ! Ze weet dat de pure zorg niet mijn sterkste kant is. Net als de zwakzinnigen maken deze ‘chronisch zieke’ vrouwen me razend met hun al dan niet gespeelde hulpe­loos­heid en afhankelijkheid. Ik heb thuis niet voor niets twee katten. Katten kunnen voor zichzelf zorgen als ik de pest in heb. Ze blijven uit mijn buurt of draaien demon­stratief hun rug naar me toe. Honden daaren­tegen voelen zich persoonlijk aange­sproken en proberen je stemming positief te beïnvloeden door juist naar je toe te komen. Ik kan daar niet tegen en dan loopt zo’n dier bij mij de kans een schop te krij­gen. En in plaats van je naar de strot te vliegen gaan ze in een hoekje zitten janken. Of worden vals. Een kat laat het nooit zover komen. En dat geeft mij het veilige gevoel dat ik niet per ongeluk over de schreef kan gaan. Ik hoef niet als enige op mijn grenzen te letten. Daarom voel ik mij onder deze mensen af en toe een gevaarlijk roof­dier en ik wil hen en mijzelf die bedreiging besparen. Bij verbaal en licha­melijk agressieve patiënten voel ik me veel meer op mijn plaats. Maar ja, de opleiding ver­eist contact met zo verschil­lend mogelij­ke pa­tiënten.    ‘Zuster, help mevrouw in haar stoel en kom daarna ogen­blikke­lijk naar mijn kantoortje ‘. Zonder verder af te wachten of ik haar bevel wel opvolg, stampt zuster Ria resoluut weg uit het toneel­stuk. Ik draai me langzaam om naar de hoofdrol­speelster. ‘Zo mevrouw Pieterse,’ zegt het roofdier in mij,’ dat had u toch beter niet kunnen doen. ú bent hulpeloos, ík niet. ú zit hier voor de rest van uw leven, ík maar tien maanden. Maar oh, wat kunnen die maanden vervelend voor u worden als u mij dit nog eens flikt !’ Half onderuitgezakt kijkt mevrouw Pieterse me met priemende blik aan. Ik priem terug en na enige spannende ogenblikken haalt ze bakzeil. Op een verrassende, directe manier.  Ze beveelt haar ‘dochter ‘ haar omhoog te hijsen en zegt:‘Zo zo, zuster Ligthart. U bent een stuk slimmer dan de meeste van uw soortgenoten. Dat kunnen tien interessante maanden voor mij worden. Welke schrijvers vindt u mooi ? ‘  Soortgenoten ? Even denk ik dat zij het roofdier in mij be­doelt, dan begrijp ik dat ze het over mijn studiegenoten heeft. Ineens voel ik bewondering voor haar omdat het haar lukt om binnen deze wereld van gekken en dwazen die mensen uit te pikken aan wie ze wat kan hebben. In een opwelling steek ik mijn hand uit en zeg: ‘Mevrouw Pieterse, ik denk dat wij het samen wel kunnen vinden. Ik hou erg van Jan Wolkers en Simone de Beauvoir. En u ? ‘ 

Gevaarlijke situa­ties zoals op de vorige afdeling doen zich hier niet voor. De bewoonsters zitten al jaren onder de medi­catie en brengen hun tijd door met roken, limonadedrin­ken, snoepen en elkaar het leven zuur maken. Het enige risico dat je hier loopt is de kans dood te gaan van verveling. De dagen kruipen voor­bij.       De ruimte ziet er verloe­derd uit. Er zijn, behalve voor me­vrouw Pieterse, geen gemak­kelijke stoelen en er is geen plant­je te bekennen. In het oude linoleum zit een waanzinnig patroon van brand­gaatjes, veroorzaakt door jaar in jaar uit achteloos uitgedruk­te sigaret­tenpeuken. Mijn handen jeuken om de boel eens een frisse beurt te geven, desnoods doen we het zelf. Maar na een vergadering met de al dertig jaar hier werkende collega’s ben ik geneigd dat idee maar te laten varen. Hun woonruimtes die zich ook op het terrein bevinden, zien er ongetwijfeld net zo uit.      Laatst toonden ze vol trots een film van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Zuster Ria en mevrouw Pieterse samen op de schommel. Twee leuke jonge meiden, ge­doemd om voor eeuwig bij elkaar te blijven in dit gekkenhuis. Zuster Eva en zuster Margreta met een aantal patiëntes onkruid wiedend in een van de tuinen van het zieken­huis. De beelden schieten zonder  geluid voorbij. Alleen het geknars van de oude projector is te horen en het gesnuif van de patiëntes die elkaar af en toe aanstoten als ze zich­zelf herkennen. De film is grijsge­draaid. Het beeld zit vol strepen en flikkeringen. Het geeft je de illusie dat de gefilmde mensen niet van deze wereld zijn. En dat zijn ze ook eigenlijk niet.  

Na een smakeloze maaltijd, doorgebracht naast een vrouw die al twintig jaar niets meer zegt en steeds gevoerd moet worden, is het tijd voor de afwas. Mijn idee om deze wereldvreemde zielen wat meer in het hier en nu te betrekken door ze mee te laten helpen met afwassen en opruimen ontvangen mijn collega’s bijna met hoongelach. Ze zijn bang dat het veel te lang duurt en dat ze alles zullen laten vallen. Maar ik ben niet voor een klein­tje vervaart en besluit om een eigen experiment te starten.       Mevrouw Visser loopt, met schalkse huppelpasjes, luid zingend door de gang. Ze waant zich een ballerina en heeft het de hele dag over Rudolf Noere­jev. Zij zou best in staat zijn om wat karweitjes te doen op de afdeling. Ik stap dus welge­moed op haar af en vraag haar met me mee te gaan naar de huiskamer. Ze haakt een arm door de mijne en danst vrolijk neu­riënd met me mee. In de huiskamer zitten Miep en mevrouw Pieterse samen over een boek gebogen. De laatste leest voor en maakt gebaren om haar verhaal kracht bij te zetten. De balle­rina en ik stoppen eventjes om te luisteren. Zoals de schepper van Paulus de Boskabouter in zijn eentje al zijn creatu­ren een stem geeft, zo schiet mevrouw Pieterse moei­teloos van een snerpende sopraan naar een wellu­idende bari­ton.  Miep geniet zichtbaar. Het is een fraai schouwspel.       Mevrouw Visser trekt rusteloos aan mijn arm. ‘ Gaan we nu samen dansen ?’ vraagt ze met een hoopvolle blik in de ogen. ‘Nee, vandaag niet. Vandaag gaan we hier de boel eens een opknapbeurt geven.’ Ze kijkt me bedremmeld aan. Haar onderlip begint verdacht te trillen. Stomverbaasd zie ik hoe mevrouw Visser van een vro­lijk danseresje in een stampvoetende kleuter verandert. ‘Ik wil dánsen !’ blert ze,’ ik wíl niks op­knappen !’ Bij ieder woord zwelt het stemvolume aan. Ik maan haar tot stilte terwijl ik verschrikt om me heen kijk of zuster Margreta er al aan komt hollen. Het is oplet­ten gebla­zen voor me, want ik sta intussen in haar zwarte boekje ver­meld. Bovenaan de pagina schreeuwen grote rode letters het uit: ‘Zuster Lig­thart is eigen­wijs en luistert slecht naar haar meerderen. Ze meent beter te weten wat goed is voor de pati­nten dan de psychia­ter.’ Nu is dat wel waar, maar juist dat maakt mij niet bepaald popu­lair bij de meeste oudgedienden. Ik grijp mevrouw Visser dus bij de lurven en probeer haar de huiskamer uit te krijgen. Eerst met zoete woordjes, maar al snel met rigoureuzere maat­regelen want ze heeft het inmiddels op een brullen gezet. Ik leg mijn arm om haar schouder en druk mijn hand op haar mond , om het geluid te dempen. Ze worstelt om los te komen en hoewel ik licha­melijk niet erg sterk ben lukt het me haar de huiska­mer uit te lood­sen, de slaapzaal in. Met een voet trap ik de deur achter ons dicht en duw mevrouw Visser naar een bed. Daar poot ik haar neer en hurk voor haar op de grond. Dat had ik beter kunnen laten want zodra ze los is schopt ze venijnig tegen mijn borst. De siuatie dreigt te escale­ren. Ik moet  geen fysiek geweld meer gebrui­ken. Dat leidt tot niets. Maar wat moet ik dan beginnen met deze agres­sieve Margot Fonteyn ? Terwijl ik overeind krabbel en probeer haar schoppende voeten te ontwijken, vliegt de deur open. Ik durf niet om te kijken. Voetstappen komen dichterbij en voor mij verschijnt Miep. Ze gaat naast de huilende vrouw op bed zitten en neemt haar troostend in de armen, terwijl ze iets in haar oor fluis­tert.Opgelucht kijk ik toe hoe Miep haar kalmeert. Ik fatsoeneer mijn scheefgetrokken schort en wacht af wat ze verder gaat doen. Ze staat op, pakt de handen van mevrouw Visser en trekt haar overeind. Ze veegt de tranen van haar gezicht en neemt haar mee naar de gang. Even later komt Miep terug en zegt: ‘ Ze is weer aan het dansen. Wil je mevrouw Pieterse even komen helpen ? Ze moet naar het toilet.’ In de huiskamer zit mevrouw Pieterse met een voldane trek op haar gezicht mij op te wachten. Ze zegt niets over het inci­dent, maar het kan niet anders dan dat zij Miep heeft ge­stuurd om mij uit de nesten te halen. Ik ben haar eeuwig dankbaar maar realiseer me ook dat ik nu bij haar in het krijt sta. Hoe zou ze mij die schuld laten inlos­sen ? Enfin, dat is van later zorg. Voorlopig ben ik uit de brand. Als Miep mij niet had gered zou ik hier waarschijnlijk niet lang meer hebben ge­werkt.

     Pas later dringt tot mij door dat dat nu juist was wat ik wilde: overgeplaatst worden. Kennelijk zijn een aantal mensen hier mij dierbaarder dan ik zelf besef. Ik neem mij overigens wel voor om niet meer te experimenteren met patiëntenpartici­patie.  

 Ik heb steeds meer het idee in een tijdmachine te zitten die kapot is. De wijzers van de grote klok bewegen zich alsof ze door een dikke laag stroop moeten. Ik kijk om me heen, naar de treurigheid van deze bewoonsters. Of is dat mijn projectie ? Is het mis­schien wel zalig om alleen maar te exis­teren ? Geen bruisend leven, geen vrienden, geen part­ner, geen sex maar óók geen liefdesverdriet, belas­tingaansla­gen of verant­woorde­lijk­heden.      ‘Zuster, mogen we naar Musis ?,’ mevrouw Looienstijn heeft een arm om mij heen geslagen en kijkt me smekend aan. Dus tóch nog behoefte aan wat vertier. Mevrouw Looienstijn is overi­gens een van de weini­gen, naast mevrouw Pieterse, waar nog leven in lijkt te zitten. Ze is ook nog niet zo oud, tegen de zestig. Ze is verzot op muziek maken. Dat wil zeggen: uit verschillen­de instrumenten weet zij op onna­volgbare wijze een hoop herrie te halen. En dat vindt ze nu juist zo leuk. Gewoon af en toe eens flink uit haar dak gaan. Om niet krankzin­niger te worden dan ze al is. ‘Ja, laten we eens even een frisse neus gaan halen,’roep ik, ‘Kom op dames, in de start­blokken.’ De een mopperend, de ander stilletjes schuifelend, scharen zich een achttal dames om mij heen. We stommelen de onhandige stijle trap af naar de uitgang. Net als we het pand willen verlaten, ik heb de sleutel al in het slot, valt er een grote scha­duw over ons gezel­schap. Zuster Margreta wil weten wat wij van plan zijn. Zij stelt de vraag in de pluralis majesta­tis want met ‘wij ‘bedoelt ze duidelijk mijn persoon. Inmiddels ben ik gewend aan de gewoonte van mijn oudere colle­ga’s om te pas en te onpas mijn geweten te masseren en zeg ik op onbekommerde toon dat ‘wij ‘ met deze dames naar Musis willen. Wat drinken, wat muziek, kortom, een beetje leven in de brou­werij. Even vrees ik dat zuster Margreta haar veto over deze onderneming uit zal spreken. Maar waar­schijnlijk schrikt ze terug van de vastberaden blik in mijn ogen, die haar be­looft dat ze nog niet jarig is als ze ‘ons’ een strobreed in de weg legt.

 Innig gearmd wandelen we vrolijk langs de afdeling naar Musis, het drink en gelag paviljoen midden op het terrein, waar alle gekken met hun bewakers regelmatig naar toe trekken. We passe­ren de grote bosvijver, waarin al menig terreinbewoner zich­zelf heeft verdronken. Rustge­vend inderdaad, deze bossen en duinen.     Haar ‘dochter ‘en ik duwen ons gezuster­lijk bijna een breuk aan haar antieke rolstoel, maar we doen het beiden graag. Ieder met ons eigen motief. Er ontspint zich een geani­meerd gesprek over de boeken die ik aan haar heb uitgeleend. Voor een vrouw van haar leeftijd heeft ze in mijn ogen revo­lutionaire opvattingen. Ze vindt Kort Amerikaans van Wolkers erg goed, maar hier en daar wel een beetje schunnig. Vooral die scène in het atelier met de torso is haar wat te pikant. Simone de Beauvoir spreekt haar meer aan. De wijze waarop die haar de­pressie beschrijft in Een welopgevoed meis­je vindt ze heel oprecht. Ze bedankt me nogmaals voor het lenen.

     Naarma­te mijn opleidingstijd verstrijkt verbaas ik me steeds meer over deze vrouw. Wat doet ze toch in dit ge­sticht, tussen die passieve en vaak ook onont­wikkel­de vrouwen. Toen ik het haar laatst vroeg keek ze me alleen maar wat meewarig aan en dook zonder antwoord te geven weer in haar boek.      We naderen Musis en even later overspoelen mij de bekende geluiden van deze uitspanning. Monumentaal lijkt het uitgangs­punt te zijn geweest van de architect van dit ziekenhuis, want ook dit gebouw is zo groot als een flink zwembad. En zo klinkt het er ook. De stemmen van de tientallen bezoekers weerkaatsen vele malen in de ruimte. Dat maakt het converse­ren zeer moei­zaam. Niet dat het de bedoeling is van de meeste patiënten om te praten. Het gaat hen om het snoep, de chips en de limonade die er heel goedkoop zijn. Die in grote hoeveelhe­den inslaan en zo snel mogelijk opeten heeft de hoogste prioriteit.

     Ook hier kruipt de tijd, maar er is iets meer te beleven. Het malle mannetje met piek­haartjes, bretels en een eeuwige snottebel bijvoorbeeld, die altijd een sigaret komt biet­sen. Schuifelend en kwijlend van de medi­cijnen lispelt hij met zijn tandeloze mond ‘saffie, saffie’, onderwijl mimend dat hij rookt. Net als mijn voorgan­gers heb ik geprobeerd nog andere teksten aan hem te ontlok­ken. Tever­geefs. Het lijkt alsof iedere andere gedach­te uit zijn brein is gewist. Niets aan te doen. Stempel­tje erop. Chronisch verklaard.      Of Anneke die mij, met haar lange magere lijf in veel te grote schoenen en een blonde kuif, sterk doet denken aan tante Sido­ni­a en die, als ze het flink op haar heupen heeft, met haar handen vooruitgestoken gillend de ruimte rondrent.      Ik laat het geroezemoes rustig over me heen komen. Als ik dan ook nog door mijn oogharen kijk worden de beslagen ramen stoom­wolken en de aanwezige mensen wazig. Met enige fantasie heeft het dan wel iets van een groot Turks bad. De meeste patiënten zullen niets eens weten wat dat is.      Steeds meer raak ik onder de indruk van het gegeven dat voor de meeste mensen hier dit ziekenhuis en het omliggende terrein de enige werkelijk­heid is. Sexuele revolutie, verande­rende ge­zagsverhoudingen, kabi­net Van Agt of -Den Uyl, het zal hen een worst zijn. Iedere dag brengen ze door in hetzelfde ritme, met dezelfde hande­lingen, dezelfde gezichten, dezelfde wandelpa­den, dezelfde rijdende C & A winkel, dezelfde kapper op het terrein. Een leven prak­tisch zonder kranten, radio of televi­sie. Ieder­een is met zichzelf bezig en zelden met een ander. Bijna niemand is nog in staat binnen de echte wereld buiten de poort te functione­ren. En het gros van de ver­pleging stimuleert dit gedrag alleen maar.

     Als de mensen in de wereld buiten het ziekenhuis door een neutronen­bom zouden worden weggevaagd, blijven deze zielen hier vol­strekt hulpe­loos achter. Of zouden ze hier een dappere nieuwe wereld creëe­ren, waar gevoe­ligheid weer mag en grof bejegenen zwaar zal worden gestraft met een nachtje in een isoleercel ? Een klein Utopia waar iedereen, bevrijd van de zware eisen van de vergane wereld buiten, zijn talenten kan ontplooien op elk denkbaar terrein. De afdelingen zullen natuurlijk gemengd bevolkt gaan worden. Er zullen zowel let­terlijk als figuur­lijk waan­zinnige liefdesrelaties ontstaan en het kleine amphitheater in het bos zal in ere worden hersteld door de vele, eerder ver­guisde poëten en schrijvers. En aan de poort zullen bewakers komen die erop toezien dat eventuele ontsnapten van buiten niet zomaar dit paradijs inkunnen. Ze zullen worden gescreened op eigenschap­pen zoals fantasie, inlevingsvermogen, kunstzin­nig­heid en tolerantie.      Mijn dromerijen worden abrupt onderbroken. ‘ Zullen we weer eens opstappen ?’vraagt mevrouw Suiker­buik, het babydekentje, waarvan ze de punt altijd zacht­jes tegen haar neus wrijft terwijl ze duimt, stevig onder haar arm geklemd. Hoe zou zij zich bijvoorbeeld redden, mijmer ik nog even na, maar gillende Anneke haalt me nu volle­dig terug in de werkelijkheid en samen met een aantal dames verzamelen we de rest van ons illustere gezelschap. ‘Gezellig was het hè ? ‘ zegt een van de dames, haar tas volgestouwd met frisdrank, koek en chips.  Mevrouw Pieterse is voor haar doen erg stilletjes op de terug­weg. Ik vraag haar of we nog even langs de bibliotheek zullen gaan, maar ze zegt dat dat niet nodig is. Haar ‘dochter ‘ duwt zwijgend de rolstoel en ik loop achter hen aan, met aan iedere arm een kinderlijk tevreden dame.      Ineens kondigt mevrouw Pieterse aan dat ze samen met Miep nog wat langer buiten wil blijven en moedigt ons aan om alvast door te lopen. Ze halen ons later wel in. De regel is dat verplegend personeel altijd achter de patiën­ten blijft zodat je kunt zien wat ze uitspo­ken. Maar wat zou mevrouw Pieterse nou kunnen uitspoken ? Ik ga akkoord en spreek over een half uur met hen af bij de ingang van de afdeling. We halen het tweetal in de buurt van de vijver in en verdwijnen voorbij een mooie jeneverbes­struik uit hun zicht. Na een mooie omweg door het eikenlaantje arri­veren we bij de afde­ling. Net als ik de sleutel uit mijn sch­ort­zak wil vissen, zie ik in de verte ‘dochter’ Miep aan komen wande­len. Ze is alleen en schopt als een klein kind kiezelsteentjes voor zich uit. Gea­larmeerd door zowel de afwezig­heid van haar ‘moe­der’als door haar hou­ding, loop ik snel naar haar toe en vraag waar mevrouw Pieter­se is. ‘Die is naar huis, ze vond het wel welletjes.’ is het crypti­sche antwoord.  Wat zou Miep in hemelsnaam bedoelen, ze heeft helemaal geen eigen huis. Langzaam komt er kippevel op mijn armen. De dames zijn om ons heen komen staan en worden wat onrustig door de toon van mijn stem. Een van hen moet nodig plassen en ik ontgrendel de deur en drijf het ploegje dames naar bin­nen. Miep houd ik bij me en terwijl ik de deur op slot doe vraag ik haar nog­maals waar mevrouw Pieterse is. ‘Naar huis zeg ik toch,’ reageert ze korzelig. ‘Maar waar is dat huis dan,’ dring ik aan. ‘Bij haar vader en moeder natuurlijk,’ zegt Miep met een blik vol verbazing over zoveel domheid. Haar vader en moeder ? Die zijn al twintig jaar dood. Wat zou Miep nou toch bedoelen verdomme. Ineens dringt het tot me door. Ik duw Miep opzij en ren terug naar de bosvijver. Als ik de jeneverbesstruik ben gepasseerd strui­kel ik bijna over de rolstoel die midden op het pad staat. Leeg. Ongelovig volgen mijn ogen de onregelma­tige maar over­duidelijke voetsporen naar de drassige waterkant. Het spoor houdt op aan de rand. Als gehypnoti­seerd loop ik langzaam naar de met riet begroeide oever.  ‘ Mevrouw Pieterse ?’roep ik zachtjes, vaag vermoedend dat het al te laat is. Ik zie geen spoor van haar, zie geen li­chaam drijven. Waar is ze ? Moet ik niet ogenblikkelijk hulp gaan halen ? Nagelbijtend sta ik daar maar te staan en ineens schuift het tafereel met mevrouw Van Tijen, de aaneen­geknoopte lakens en de dwarslesie als een dia voor mijn gees­tes­oog. Ik speur nog eens goed het wateroppervlak af en zie dicht bij het reigersnest, dat midden in de vijver ligt, iets drij­ven. Ik loop rustig langs de oever om te kunnen zien wat het is. De tas van Mevrouw Pieterse ligt half verzonken tussen de katte­staarten. De tas waarin ze haar hele hebben en houden bewaart.      Even twijfel ik nog, maar dan draai ik resoluut mijn rug naar het water. Tevreden loop ik op mijn gemak terug naar de afde­ling. Ik sta niet meer bij haar in het krijt.  Miep zit op een oude vuilnisbak naast de afdeling en kijkt me verwachtingsvol aan. Ik pak haar hand, open de afdelings­deur en terwijl we naar boven lopen zeg ik te hopen dat me­vrouw Pieterse het naar haar zin zal hebben thuis, bij haar vader en moeder.

 

2. De deur die even openstond.

  Santpoort,oktober 1975.

Het is een kille avond, slierten mist drijven laag over de afgetrapte grasvelden rond het psychiatrische ziekenhuis waar in totaal 2000 mensen wonen en werken.       Het is doodstil op het terrein. Achter de hoge, matglazen ramen van het hoofdgebouw schieten af en toe schimmen voorbij. Om mij heen hoor ik krassende uilen en ritselende bladeren. Een vleer­muis scheert rakelings over mijn hoofd waardoor ik zo schrik dat ik over een uitstekende boom­wortel struikel. Ik krabbel overeind, kijk onwil­lekeurig over mijn schouder en begin wat harder te lopen. Voor de zoveelste keer nader ik de wanstaltig grote, wel drie meter hoge en twee meter brede deur, mijn oren ge­spitst op voetstappen of stemmen. Gelukkig, geen mensen in de buurt. Ik duw uit alle macht tegen de deur en zet de eerste stappen in de ook al enorme gang van het hoofd­gebouw. De gang is ongeveer 50 meter lang en kruist precies in het midden van het gebouw een andere gang. Je kunt er met gemak een paard doorheen jagen. Ik loop stevig door, mijn voetstappen tienvou­dig weerkaatst in deze kolossale, volstrekt verlaten en schaarsverlichte passa­ge. Midden op het kruis­punt stop ik en kijk snel de gangen in of er iemand aankomt. Zo’n twintig meter naar links gaat een van de afde­lingsdeuren open en een vrouw rent gillend de gang op. Ik loop snel door. Plotseling sta ik weer buiten. De eerste hinder­nis heb ik genomen. Gretig adem ik de mistige avond­lucht in en loop langs het zusterhuis naar het personeels- en oplei­dings­centrum. Daar verzamelen alle wachten van het gekkenhuis zich en halen diepvriesmaaltijden op voor zichzelf en colle­ga’s. De ruimte die overdag wemelt van ver­pleegkundigen en artsen, is nu vrijwel uitge­storven. De maan is net achter de wolken verdwe­nen en het enige licht komt van de tl-balk boven de counter van het restaurant, waar de uitba­ter met een sja­grij­nig smoel het bevroren eten uitdeelt.       Met twee studiegenoten die elders op het grote terrein wer­ken, spreek ik af om na de wacht een flinke borrel te gaan nemen op de Botermarkt in Haarlem. Van alle kanten roepen mensen  ‘prettige wacht ‘ naar elkaar en gaan naar hun afde­ling. Tot in de wee small hours of the morning.

     Gelukkig heb ik geen last van het vreemde dag- en nacht­ritme waarin je verzeild raakt als je een week nachtdienst hebt. Het heeft wel wat. De nacht in en rond het zieken­huis is gespeend van elk stadsgeluid. Het lijkt een andere planeet, met haar eigen atmosfee­r, haar eigen geluiden, haar eigenaar­dige bewoners.   Met stevige pas , want je weet maar nooit wie je verder nog tegen komt, loop ik terug naar de gang in het hoofdgebouw. Bij het kruispunt sla ik linksaf en leg de laat­ste meters af naar de relatieve veiligheid van mijn werk­ter­rein.

     De eerste maanden als leerlingverpleegkundige in dit grote gekkenhuis vallen niet mee. Vanavond ben ik alweer in mijn eentje loopwacht. Dat betekent de zitwachten van drie afdelingen een uur aflossen en de slaapzolder controleren op ongeregeldheden. Het betekent ook dat ik eerst de sleutels van die afdelingen uit de afgesloten kamer van de hoofdzuster moet pakken en die kamer bevindt zich op een afdeling waar mensen wonen van wie ik doodsbang ben. Zuchtend pak ik mijn sleutel en open een tweede gigantische deur. Eigenaardig soepel draait hij open. Alice in het gekkenhuis. Mijn hart stokt bijna in mijn keel als ik zie dat achter die deur een groep diepzwak­zinnigen mij staat op te wach­ten. Alsof ze tegelijkertijd een voor mijn oren onhoorbaar bevel opvolgen, komen ze op mij af. Het schuifelt, lispelt, kwijlt, en wil mij aanraken, zoenen, aaien. Met het zweet op mijn rug zoek ik vertwijfeld naar de sleutel van de kamer waar ik gered zal zijn. Even maar, want als ik de sleutelbos heb gepakt zal ik weer door deze graaien­de groep van verstandsloze zielen heen moeten. Mijn handen zijn zo glibberig van het angstzweet dat ik de sleutel bijna laat vallen.   ‘Sesam open u,’ fluister ik en net als de eerste plakkerige hand mijn arm aanraakt, glijdt goddank de sleutel in het slot en zwaait de deur open. Razendsnel vlucht ik naar binnen en leun met mijn ogen dicht tegen de gesloten deur. Een paar gelukzalige minuten hoor ik helemaal niets. De deur dempt ieder ge­luid. Ik zou me kunnen wijsmaken dat ik net wakker word uit een nachtmerrie. Maar het is al tegen elven. Tijd om de avonddienst te laten weten dat ik er ben. Ik open een kastje en haal er een flinke sleutelbos uit. Een sleutel van elke afdeling, een sleutel van de liftdeur, een sleutel van de slaapzolder en ten slotte een sleutel van de toiletten voor de verpleging. Onderscheid moet er zijn. Denken ze hier soms dat je gek kunt worden van een w.c.bril ?       Opnieuw beleef ik benauwde ogenblikken tussen de naar aandacht en aanraking dorstende wezens en glip snel de desola­te gang in. Ik roep nog net door de kier van de deur ‘tot straks’ naar mijn collega. Ook haar zal ik vannacht een uur moeten aflos­sen.

 Ik open de deur naar de afdeling resocialisatie waar ik altijd werk als ik geen wacht heb. ‘s Nachts lijkt alles zo anders. De grote woonzaal is, op een eenzame figuur na, verlaten. Ze leest de krant, zittend aan een ronde tafel, die precies in het midden van de ruimte in een lichtcirkel staat. Alsof een reus met een passer in de weer is geweest. Schemerlampen zijn er niet. In de zaal brandt alleen het plafondlicht boven de tafel. Het is te diffuus om je het gevoel te geven dat je elk moment aan een kruisverhoor onderworpen kan gaan worden, maar te fel om het als zitwacht een beetje behaaglijk te krijgen. En ik kan het weten, want ook die hondebaan heb ik al twee keer gehad.

     Een twintig meter lange gang komt uit op de leef­ruimte. In kleine kamertjes aan weerszijde van die gang slapen de pas opgenomen vrouwen, die volgens de hoofdzuster en de psychiater nog niet zonder constante aanwezigheid van de ver­pleging op de slaapzolder kunnen.       Ik loop de afdelingskeuken in om de net opgehaal­de maal­tijden in de koelkast te leggen. De ruimte ziet eruit als een keuken, maar is het niet. Er is een aanrecht, een gootsteen en er zijn kastjes met serviesgoed. Maar er zijn geen potten en pannen. Al het eten komt uit de centrale gaar­keuken en wordt iedere avond weer door de verpleging in grote etenskarren aangevoerd. Voedzaam, veel, maar vrijwel kleur- en smaakloos. Wijzelf eten niet mee, maar zitten her en der tussen de vrou­wen, om het geheel ordelijk te laten verlo­pen.       Wat levert het deze vrou­wen, die zo in de war zijn, zo gete­kend zijn, zo kwaad en machteloos zijn, in hemelsnaam op als ik hier als een dieren­temmer in een kooi erop toezie hoe ze braaf hun pillen inne­men ? Pillen tegen depressies, wanen, hallucinaties en pillen die de bijverschijnselen moeten ophef­fen.

     Ik loop de keuken uit en blijf even op de drempel van de woonzaal staan. Vannacht tref ik het niet met mijn collega. Ze werkt al eeuwen in het ziekenhuis en is vaste zitwacht op mijn afde­ling. Ze is net zo afgestompt als de meeste van haar colle­ga’s. Helaas heeft ze een tijd geleden ervoor gekozen om alleen nog maar wachten te draaien. Dat betekent dat ik Nel nogal eens tref ‘s nachts. Ondanks haar aardige voorkomen en gezellige bab­bels kan ze heel vals worden en dat heb ik liever niet. Ik besluit de sfeer van deze nacht gunstig te beïnvloe­den door haar eens flink wat stroop om de mond te smeren.  Zogenaamd geïnteresseerd zeg ik dat het reuze knus is op haar stek en vraag hoe het met de toestand in de wereld is. Nel reageert ,voor haar doen spits, met de mededeling dat ik dat maar eens aan Mr.Dr.G.B.J.Hilterman moet vragen. Ze gaat zelfs zover een stoel voor me bij te trekken.    ‘ Is de avondploeg al verdwenen ? ‘, vraag ik verbaasd maar vooral opgelucht door haar gastvrije reactie.  ‘Ach ja, mevrouw Van Tijen was, zoals zij dat noemen, weer bezig. Ik zou ook denk ik wel bezig zijn als ik in plaats van in mijn huisje in de Jordaan ineens hier in dit van god verla­ten oord moest slapen. En dan nog zwaar depressief zijn. Je zou er gek van worden. Enfin, ze wisten zich geen raad met haar dus maakten ze aanstalten haar te isoleren. Het was al tegen half elf en mijn lieve collega’s wilden de trein halen. Ik heb haar toen even apart genomen, een kopje thee gezet en haar wat laten razen en uithuilen. Een aai over haar bol, een arm om haar heen, en afgesproken dat ik jou zou vragen af en toe wat extra te komen kijken op zolder. Ze slaapt vanavond voor het eerst boven en dat leek haar vreselijk, wat ik me levendig kan voorstellen.’  Ongelovig kijk ik haar aan. Nella die medelijden heeft met een patiënt ?  En dan ook nog een extra bezoek aan de slaapzolder beloven ? Is ze zelf wel goed snik ? Ik zie me alweer op die spookzolder rondsluipen, met het kippevel op mijn lijf, doods­bang dat mijn zaklantaarn het plotseling begeeft en ik onver­wachts door een psychotische vrouw zal wor­den besprongen.  Ze doet het vast om mij te jennen. Ze vindt het altijd weer een uitdaging om leerlingen op de kast te krijgen. Doodsbang ben ik van haar grillen. Maar vanavond lijkt het alsof de wereld een andere kant op­draait want ik hoor mijzelf ook al ongehoor­de teksten uit­spre­ken.  ‘Fijn hoor dat je haar een extra rondje hebt beloofd ! Ik doe niks liever dan boven in het donker rond te dwalen. Weet je wat ? Ik ga maar meteen ! ‘  Ik laat Nel stomverbaasd achter en been driftig richting goede­renlift die hier gebruikt wordt voor het vervoer van zo’n twintig vrouwen tegelijk. Onderweg graai ik een zaklantaarn uit een kastje, pak mijn schort van de kapstok en haal alvast de liftsleutel uit mijn broekzak. De in mijn lijf opgeroepen adrenaline zorgt er even voor dat ik in plaats van bang vooral erg boos ben. Maar zodra ik alleen in de lift sta ebt die boosheid akelig snel weg en maakt plaats voor het inmiddels zo ver­trouwde weeë gevoel in mijn maagstreek. Het is zo stil om mij heen dat mijn oren ervan suizen. De lift stijgt tergend lang­zaam op. Met een hol metalen geluid staat hij abrupt stil. De altijd sluimeren­de claustrofobie dreigt even de kop op te steken, maar geluk­kig krijg ik de liftdeur vlot open. Op de gang is het, behalve de lichtbundel uit de lift, pikdon­ker. Mijn ogen moeten eraan wennen. Hier slapen zo’n zestig vrouwen , slechts van elkaar geschei­den door een bleek­groen gordijn dat rondom het bed kan worden getrok­ken.

     Ik knip mijn zaklantaarn aan en loop de slaapruimte in, op zoek naar mevrouw Van Tijen. Plotseling realiseer ik mij dat ik Nel vergat te vragen waar dit zielig hoopje mens pre­cies slaapt. Dat wordt dus, bed voor bed, het gordijn zacht­jes wegtrekken en met de zaklantaarn het, hopelijk slapende, gezicht bekijken. Het is geen aanlokkelijk vooruitzicht. Het alternatief is evenmin aangenaam: terug in die lift en terug naar Nel, op wie ik liever nog even kwaad blijf in plaats van haar toorn over mijn gedrag aan te moeten horen, en dan weer omhoog.

     De onafzienbare rij van groen textiele hokjes, de enorme hanebalken en de vale stroken maanlicht die uit de kleine dakramen vallen, maken deze plek tot een wereld die niet meer verbonden lijkt te zijn met die van beneden.       Ik loop verder en probeer mij te herinneren wie waar slaapt. Links mevrouw Hildebrand en naast haar, dat is makke­lijk te onthouden, haar hartsvriendin, mevrouw De Wit. Daar­naast Lydia Oudejans, die de vorige nacht nog op eigen verzoek in de isoleer heeft doorgebracht, omdat ze bang was vermoord te worden door de talloze wezens die zij alleen kan zien en horen. Rechts ligt Bianca, zoals altijd met haar hoofd aan het voeteneind onder de dekens ver­stopt. Naast Bianca is een leeg bed en gelukkig klopt dat; mevrouw Van der Ende is vandaag met ontslag gegaan. Zij is ontko­men, gered. Weer terug in de gekte van buiten. Ik loop verder en net als het weeë gevoel wat begint weg te trekken valt de lichtbundel van mijn zaklantaarn op een stel aan elkaar ge­knoopte lakens. Razendsnel schieten allerlei gruwe­lijke ge­dachten door mijn hoofd en voel ik het bloed uit mijn gezicht wegtrekken. Ze wilde zich na­tuurlijk ophangen en toen kwam ik ineens boven. Waar is ze nu in gods­naam ? Zou ze achter het gordijn met kloppend hart staan te hopen dat ik doorloop en niks heb gemerkt ? Of is ze de zolder opgelopen en heeft ze zich verstopt, wachtend op een nieuwe kans ? Rillend van angst ruk ik abrupt het gordijn opzij en zie met opluch­ting en afgrijzen dat er niemand in bed ligt. Maar waar is ze dan en wie is het eigenlijk ? Wie lag er naast mevrouw Van der Ende ? Niemand, volgens mij. Het bed is al een week leeg. Maar dan zou hij dus wel eens van die mevrouw Van Tijen kunnen zijn. En had Nel niet gezegd dat ze depressief was ?      In mijn hoofd zegt een stem ‘ga terug en haal hulp, doe het jezelf niet aan om een dode vrouw te vinden met een af­schuwe­lijk vertrokken gezicht en een zwarte opgezwollen tong.’  Maar ik voel me toch gedwongen om verder te zoeken, om naar de w.c’s te gaan en te controleren of er soms een op slot zit. Als door een magneet word ik naar de hal getrokken die tussen twee slaapzolders ligt , doe daar het licht aan en laat mijn ogen langs de drie toiletdeuren glijden. Twee staan op ‘vrij ‘, de derde op ‘bezet ‘.       In gedachten zie ik mevrouw Van Tijen aan een balk in de w.c hangen. Zachtjes bungelt haar lijf heen en weer, haar voeten maken nog flauwtjes een trappe­lende beweging, haar opgezwollen tong schiet uit haar mond. Vanuit haar geknakte hoofd staren haar ogen me verwijtend aan. ‘Weg, loop weg, hou hier­mee op ‘, krijst de stem in mijn hoofd.  ‘Wie zit er op de w.c.? ‘, vraag ik en ik schrik van mijn eigen stemgeluid. Er komt geen reactie. In een reflex steek ik mijn hand uit naar de deurknop. Nog even schiet de gedachte door mij heen de deur open te breken. En dan dringt eindelijk de waanzin van mijn gedrag tot mij door en hol ik terug naar de lift. Vreemd genoeg is de deur gesloten maar de lift is er godzijdank nog. Zenuwachtig zoek ik naar de sleutel en net als ik de deur open wil trekken voel ik een arm op mijn schouder. Mijn mond produceert op slag geen speeksel meer en mijn benen dreigen het te begeven. Langzaam draai ik me om en zie tot mijn opluchting Bianca achter me staan. In haar witte nacht­pon, met haar lange loshangende haren en blote voeten lijkt ze op een verdwaalde engel.  ‘Ze zijn er weer, allemaal tegelijk ‘, fluistert ze. Als om het beeld van een engel te versterken begint ze te neuriën. Het lijkt op een litanie om boze geesten te weren. Voor­zichtig pak ik haar bij een arm en leid haar langs de rij groene hokjes tot bij haar eigen bedgordijn. Ze neuriet nog stee­ds. Dadelijk wekt ze haar buurvrouw en wat moet ik dan ? Ik moet hier eerst weg zien te komen. Hulp halen. Mevrouw Van Tijen zoeken. ‘Sssshhht, Bianca, iedereen slaapt’ probeer ik en tot mijn verbazing houdt ze op met zingen. Met het hoofd naar het voeteneind kruipt ze onder de dekens waar ze, door het bedde­goed gedempt, doorgaat met haar bezweringen.      Ik loop gauw terug naar de lift en ga gauw naar beneden.  Nel’s humeur laat me inmiddels koud. Ik moet hier weg. Beneden gekomen ren ik direct naar de woonzaal, maar Nel is er  niet. Ze zit in de gang bij de slaapka­mers aan een tafeltje te breien. Ik loop trillend van top tot teen naar haar toe en vertel over mijn bevindingen boven. Zonder enige aarzeling pakt ze de zaklantaarn uit mijn handen en stuift de afdeling af, naar de lift, naar de slaap­zolder, naar de aan elkaar geknoopte lakens, naar een gruwe­lijke vondst op een van die w.c’s­.

 Langzaam loop ik naar de lift. IJsberend wacht ik op de terug­keer van Nel. Ik hou op met dit werk; ik moet hier weg; dit kan ik niet aan; wat moet ik nu doen; moet ik geen hulp voor Nel gaan halen; wat zou er met die vrouw zijn gebeurd; had ik toch niet beter die deur open kunnen maken, misschien leefde ze nog en had ik kunnen helpen, maar ik weet zo weinig van eerste hulp…De ene gedachte struikelt over de andere en net als ik begin te vrezen dat ik zelf gek ga worden, hoor ik uit de verte de lift naar beneden komen.       De deur schuift met veel kabaal open en Nel ver­schijnt met een kleine, mij onbekende vrouw die met grote angstige ogen om zich heen kijkt. Nel is woedend. Ik heb haar nog nooit zo kwaad gezien. Het is geen pretti­ge ervaring. Ze heeft het bibberende mensje stevig bij de nek en schudt haar heen en weer alsof ze een stofdoek uitklopt. ‘Kijk, mevrouw Van Tijen, dit is de zuster die zo vreselijk is geschrokken van uw fratsen met die lakens en die gesloten w.c. deur. Het is schandalig om iemand die nog maar net komt kijken in dit werk zoiets aan te doen. Misschien komt ze er niet overheen en dan is het uw schuld. U blijft nu verder hier beneden en slaapt in deze kamer, met de deur open.’

Ik krijg geen woord over mijn lippen en kijk toe hoe Nel mevrouw Van Tijen al capittelend naar een van de kamertjes duwt. Ik schaam me dood om Nel. Wat kan die mevrouw eraan doen dat ze gek is ? Daarom is ze toch hier. Wat mij betreft heeft ze er zelfs recht op om zelfmoord te plegen. Uiteraard durf ik dit niet tegen Nel te zeggen.       De rust is weergekeerd en samen drinken we een kop koffie  tegen de schrik. Dan vervolg ik mijn loopwacht. Alsof er niets is gebeurd. En dat is, volgens de normen van dit ziekenhuis, ook eigenlijk zo.

 De volgende stop is de gesloten afdeling op de eerste etage. Joke is zitwacht; ze zal het wel weer druk hebben met Mira, die in de isoleer slaapt. Ik maak de afdelingsdeur open en groet Marijke, die zoals altijd vlak achter de deur staat en haar kans afwacht om de benen te nemen.

       Joke zwaait me uit de verte toe. Ze trekt net de deur van de iso­leer open. ‘Je komt als geroepen. Ik kan wel wat hulp gebruiken als ik Mira verschoon en haar medicijnen geef.’ Ik ga in de deuropening staan en vraag me voor de zoveelste keer af hoe iemand het dag in dag uit in zo’n hok kan uithou­den. Mira’s verblijf is niet meer dan een volstrekt kale ruimte van drie bij drie meter. Op de grond ligt een matras die met scheuren en bijten niet stuk te krijgen is. Op die matras zit Mira aan haar hemd te plukken. Ook dit hemd is van zulke stugge stof gemaakt, dat het onmogelijk is het kapot te trekken. Ze is geheel naakt onder het hemd, dat los om haar heen hangt want knopen, ritsen en veters zijn uiteraard taboe. Zonder merkbare gêne heeft ze een hand tussen haar benen geklemd en wiegt ze met gesloten ogen langzaam heen en weer. Haar armen zijn van boven tot onder stijf gezwachteld en ze heeft een soort bit in haar mond. De eerste keer dat ik dit zag was ik diep verontwaardigd, totdat ik zag hoe zij zichzelf toetakelt als deze voorzorgsmaatregelen niet worden genomen. Ze bijt, snijdt, brandt en krabt zichzelf tot bloedens toe en zit onder de littekens. Heel vroeger werden mensen zoals Mira in ketenen aan een muur vastgemaakt en nog niet zo heel lang geleden werden dwangbuizen en spanla­kens gebruikt. Maar de patiënten werden daar zo claustrofobisch van dat ze nog gekker werden en bovendien kwamen er steeds meer medicijnen die agressie en onrust konden onderdrukken. Maar wat dat voor leven is, zo opgesloten in een isoleer, onder de medicijnen en met weinig zicht op verbetering, daar denk ik maar liever niet aan.

     Ik groet Mira en help Joke haar te wassen en te verscho­nen. Ze laat het, ogenschijnlijk zonder protest, allemaal  gebeuren. Het beeld van een geknakte roos doemt in mij op als ik naar haar fijnbesneden gezicht kijk. Wat voor verwach­tingen heeft zij ooit gehad van het leven ? Wilde ze misschien de wereld rondtrekken of juist traditioneel trou­wen en kinde­ren krijgen ? Of had ze een schit­te­rende carrière voor ogen als violiste of beeld­houwster ?       Joke geeft haar de po en we draaien ons een ogenblik discreet om. Buiten de deur wachten kan niet, dat heeft een collega van ons moeten bekopen met een hersenschudding en een gat in haar hoofd. Mira was de isoleer uitgeslopen en had haar met de volgepieste po op het hoofd geslagen.      We geven haar een injectie met een kalmerend en anti-psychotisch middel. Tot slot zingen we samen een van Mira’s lievelingsliederen: ‘Het land van Maas en Waal’, want voor Mira zijn ook radio’s en afspeelapparatuur gevaar­lijke attri­buten. We nemen de po en het vuile scheurhemd mee en sluiten de deur. Joke loert nog even door het groothoeklensje, om te kijken hoe Mira zich na ons bezoek gedraagt.

‘Alles o.k. geloof ik,’ zegt Joke, ‘ik ben helemaal klaar voor die verrukkelijke diepvriesmaaltijd.’  Ik neem haar plek in de gang over. Elk gekraak of gepiep doet mij recht overeind veren; wat zouden ze allemaal uitspoken achter die deuren ? Overdag is het al eng genoeg tussen die knettergekke vrouwen, ‘s nachts sta ik doodsangsten uit. Voor de zoveelste keer vraag ik me af of ik wel ge­schikt ben. Goddank is Joke weer snel terug. Ze moet nog veel doen. ‘Tot vijf uur,’ zeggen we, en ik ga verder naar de parterre. Naar de afdeling met de zwakzinnigen en diepidio­ten, die ook nog psychisch gestoord zijn. Naar de afdeling waar mijn avond begon…Voor hen ben ik nog het bangste. Ik vind het karika­turen van mensen. Ze zijn niet gevaarlijk maar ik word misse­lijk van die intense lichaamsgeuren, die neiging tot aaien en zoenen, die drang tot directe bevrediging van hun behoeftes.

     Afgelopen week was juffrouw Ooievaar zich te buiten gegaan aan de inhoud van de asbakken. Behalve de peuken had ze ook de punaises ingeslikt die een van de leerling-verpleegkun­digen per onge­luk daarin had gelegd. Met spoed werd ze opgeno­men in het Wilhel­mina Gasthuis in Amsterdam, alwaar men een halve ijzerwinkel in haar maag en ingewanden aantrof. Het was kenne­lijk niet de eerste keer dat ze punaises en spijkers had gegeten. Volgende week komt ze weer terug, klaar voor nieuwe lek­kernij­en. En voor wie precies is het nu zo fijn dat de verpleging hen leert met mes en vork te eten of op een trom­meltje te slaan ?  Zuchtend loop ik door naar Marga, die midden op de slaapzaal tussen de patiënten zit. ‘De aflossing is nabij,’ fluister ik, terwijl ik de omgeving nauwlettend bespied. Zie ik daar een schaduw uit bed glippen of is dat verbeelding ?

     Ook Marga maakt dankbaar gebruik van mijn aanwezigheid, en verdwijnt naar de keuken om daar in alle rust haar maaltijd te kunnen nuttigen. Ik ga in haar stoel zitten en zet me schrap voor een half uur durende bezoeking. Het ergste is het mastur­beren. Niet dat ik dat deze mensen misgun, maar de wijze waarop een aantal vrouwen zich hieraan overgeeft, vind ik weerzinwekkend. Amorfe vormen bewegen wild onder de dekens. Het gesop en gesteun is ook vanavond weer niet van de lucht. De combinatie van li­chaamsgeuren en geluiden doet me denken aan de apekooien in Artis. Vastberaden stop ik de meegenomen oordopjes in mijn oren. Er zíjn grenzen en dit zijn de mijne.

     Na Marga heb ik even rust op mijn eigen afdeling, waar ik nog een potje klaverjas met Nel. Om vijf uur ga ik de medi­cijnen klaarzetten, en tegen zessen keer ik terug naar Marga om haar te helpen met het wassen van de zwakzinnige vrouwen. Een verschrikkelijk karwei. Ik moet alle zeilen bijzetten om niet gillend weg te lopen. De dungeworden washandjes bescher­men mijn handen nauwe­lijks tegen een directe aanraking met hun huid die, als een te grote jas, in dikke plooien en vetlagen om hen heen hangt.      Tegen zevenen zie ik het eindelijk licht worden. De slierten mist trekken, samen met het weeë gevoel in mijn maag, langzaam weg. Tijd voor een borrel. Op naar Haarlem.

 De volgende dag wordt mevrouw Van Tijen wegens suicidaal gedrag naar de gesloten afdeling op de eerste verdieping ge­bracht. Het is daar erg moeilijk om uit een onverdraaglijk leven te stappen. Er zijn geen messen, scharen, of andere scherpe voorwerpen. Iedere dag worden de kamers en de vrouwen doorzocht op eventueel achtergehouden medicatie. Ramen en deuren zijn van onbreekbaar glas en moeten altijd dicht blij­ven, ook in de zomer.      Ik neem mij voor om haar snel eens te bezoeken, hoewel mijn motieven niet zo filantropisch zijn. Ik voel me schuldig aan haar situatie omdat ik me daarboven op die zolder zo heb aange­steld. Zo laf was. Zo angsthazerig. Slechte eigen­schappen voor iemand die met gekken werkt.      De rest van mijn wachtweek is het rustig op de slaapzol­der. Bijna saai. Het is ook nooit goed.

 Vrolijk fluitend marcheer ik het ziekenhuisterrein op na een welverdiende week vrij. Overdag ziet het terrein er totaal anders uit. Uilen en vleermuizen slapen, de gevallen bladeren ritselen nu vredig in een zacht herfstbriesje en ik kan mijn omgeving haarscherp bekijken. Grote eiken staan als wach­ters aan weerszijde van een smal pad aan het einde waarvan ik de grote bosvij­ver , glinsterend in de herfstzon, zie liggen. De grote deur die mij ‘s nachts in Alice in Gekkenland laat veranderen is overdag groot, maar meer niet. De helverlichte gang erachter is zonder de nachtelijke schadu­wen evenmin  angstaan­jagend. Ik loop naar mijn afdeling en groet collega’s die ik onderweg tegenkom.       De afdelingsdeur staat open want de schoonmaakploeg van Spaan­se vrouwen is druk aan het poetsen. Ze vertellen elkaar van alles en nog wat, terwijl ze met rappe handen de vloeren dweilen en de meubels afsoppen. Hoewel ze nauwelijks Neder­lands spreken hebben ze een merkwaardig goed contact met de patiënten die hen graag zien komen. Soms ben ik ik een beetje jaloers op hen. Wat zou hun geheim zijn ?

 Als ik een week later naar de eerste etage ga om een studiege­noot te spreken, ontmoet ik veel ongewone bedrijvigheid onder personeel en patiënten. Terwijl ik het kantoortje van de ver­pleging nader hoor ik mijn collega’s heftig in gesprek:

‘Vreselijk…..mevrouw Van Tijen…. een dwarslesie….’,

‘….met haar hoofd naar beneden ja…..,’

‘Niet te geloven, die balkondeur stond maar even open……,’

Terwijl de tranen over mijn wangen lopen, besef ik dat ik haar haar gang had moeten laten gaan op die zolder.

 

1. Het huis der verdwaalde zielen

 Amsterdam, lente 1971. Het is het jaar van de demo­cratise­ringsgolf op de universiteiten en ik kan mijn studie Neder­lands niet volgen omdat er grootscheepse stakingen en bezet­tingsacties zijn. Ik ben het eens met die acties maar ik doe zelf niet mee. Net twintig, net op kamers, net een vriend­je. Er moet brood op de plank.

 In het psychiatrisch verpleegtehuis waar ik voor halve dagen als verpleeghulp ben gaan werken, klampt mevrouw ‘zeg maar Helena, zuster’ Meyer zich angstig vast aan mijn stijf geste­ven schort. Het is mijn vermomming als verpleegster. Ze moest eens weten dat mijn ervaring niet veel verder reikt dan het plakken van pleisters.

We staan in een rij voor de enige badkamer die het ver­pleegte­huis met zijn 100 patiënten rijk is. Naast mij klinkt geklet­ter als van een overlopende wastafel. Het is mevrouw De Groot, die jammerend en handenwringend, staat te plassen.

Een van de vaste verpleegsters valt boos tegen haar uit waarop zij ver­schrikt terugdeinst. Dat mevrouw De Groot veel last van aambeien heeft en het bovendien naar vindt om zonder haar moeder naar het toilet te moeten, zijn omstan­digheden waar geen rekening mee wordt gehou­den.

De facili­teiten zijn slecht. De huisvesting totaal onge­schikt met al die kamers, gangen, op- en afstapjes, trappen en nis­sen. Voor de vaak toch al in de tijd verdwaalde mannen en vrouwen geeft dit huis nog meer oriënta­tieverlies en angst­ge­voelens. De verpleging, voor zover je ons zo mag noe­men, is snel moe en geïrriteerd door onkunde of door de slech­te om­stan­dig­heden; kwantitatief is er personeel genoeg.

Mevrouw Meyer en ik staan iets dichter bij de badkamer­deur, waar geluiden achter vandaan komen die doen vermoeden dat het daarbinnen niet aangenaam is om te verblijven.

Mevrouw De Groot intussen kan niet worden verschoond, want de onderbroe­ken zijn weer op rantsoen. Ook vanoch­tend stond ik tegenover Mina, de van onmacht steeds hysteri­scher wordende juffrouw van de linnenkamer, die iedere ochtend letterlijk de lakens uitdeelt. En onderbroeken. Niet zoveel als er nódig zijn, neen, zoveel als er zijn. En dat is heel iets anders.

Mijn snel opkomende woede bedwingend, bedenk ik wat ik zal zeggen tegen de bezoekers wanneer die hun ver­wan­ten straks in hun blote kont aantreffen.

 

Mevrouw Meyer en ik zijn in de overvolle badkamer beland. Drie douches en een bad zijn in een ruimte van nauwe­lijks vier bij vijf meter gepropt. Alle kranen staan open en dikke stoomwol­ken maken de mensen tot onwerkelijke figu­ren. Mevrouw Meyer begint zachtjes te huilen en draait zich in de richting van de deur. Dat doet ze altijd als ze in de badkamer is. Niemand weet waarom, ze zal wel geen zin hebben. Maar hier in huis is het motto: zinkoekjes bakken we niet. Ik probeer me­vrouw Meyer naar een douchecabine te krij­gen, maar haar gehuil is inmid­dels overgegaan in luid gebrul; ze probeert mijn hand van haar bovenarmen los te trekken en kijkt intussen wanhopig om zich heen. Ik zie hoe overstuur ze is en vind het eigenlijk waanzin om zo’n oude vrouw te dwingen onder de douche te gaan. Wat een vernedering. Ik stel me voor dat ikzelf zo zou worden behan­deld. De rij achter ons groeit aan, de vaste krachten kijken verstoord op, de druk om mevrouw Meyer ‘gewoon’ op te pakken en, desnoods met kleren en al, onder de douche te zetten, neemt toe. Ik probeer haar nogmaals gerust te stellen, maar het lukt niet. Met een groot gevoel van schaamte sta ik toe dat een collega mij ‘helpt ‘en samen kleden we mevrouw Meyer, die intussen geen stem meer over­ heeft, uit en zetten haar onder de douche. Ik houd haar vast, en de collega zeept haar in. Het doet me sterk denken aan het wassen en schoon­spuiten van dieren in een dierentuin.

                            *****

Terug op de afdeling vlucht mevrouw Meyer naar de slaapzaal en gaat in een hoekje op de grond zitten bibberen. Ik weet niet wat ik moet doen. Niemand weet het.

Ik word afgeleid door de zware, sonore stem van Rika, de enorme vrouw die direct om de hoek van de deur in de slaapzaal ligt. ‘Zuster, wanneer word ik gewassen ? ‘

Rika wassen is in meerdere opzichten een hachelijke onderne­ming. Zij is een zwakbegaafde vrouw, die al jaren op bed ligt en niet meer kan lopen door zwaar geatrofieerde voeten. Rika wilde heel lang niet lopen en bleef steeds op bed liggen. Daar is toenter­tijd niets aan gedaan, met als gevolg dat ze volle­dig invalide is geworden. Haar wassen is een klus die veel van je rug vraagt. Rika heeft verder de gewoonte iedereen uit te schelden en af en toe een klap te verkopen. Ik vind dat niet zo vreemd. Ze wordt niet bepaald prettig bena­derd en haar wasbeurt ervaart het perso­neel overduidelijk als een last. Temeer omdat aan de over­kant van Rika een mevrouw Onder­water in bed ligt, die óf met een mondharmonica in de weer is, óf bezig zich te wurgen met een nylonkous. Ze lijdt aan hysteri­sche aan­vallen en denkt dat ze niet meer kan lopen. Een Rika in wor­ding.

Het overgrote deel van het personeel, vaak net als ik, van de straat geraapt, of met een minimale opleiding, vindt twee van deze vrouwen te veel van het goede. Maar mensen met grote monden schrik­ken mij niet zo af. Boven­dien vind ik het tra­gisch dat deze vrouwen de godganse dag niets anders doen dan liggen. Zonder aan­dacht, want iedereen heeft het te druk met de lichame­lijke verzorging van de vijftig vrouwen, die zwaar geeste­lijk en/of zwaar lichamelijk gehandicapt zijn.

Ik ga Rika wassen en masseer die plaatsen op haar lijf waar door het vele liggen lelijke decubitusplekken zouden kunnen ont­staan. Een mooi Latijns woord voor afschuwelijke gaten met afge­stor­ven weefsel. Door te weinig aan­dacht en tijd te beste­den aan de bedlegerige vrouwen komt dit verschijnsel veel te vaak voor. Er is geen geld om lams  vachtjes onder de drukplek­ken te leggen. Daarom zijn we gedwongen ijs, föhn en chlorofiel ­gaas te gebruiken. Dat is heel secuur werk. Eerst wrijf ik met een ijsblokje over de zwart geworden huid­randen , dan pak ik de föhn en blaas het geheel droog. Ten slotte dek ik de aldus schoongemaakte wond af met een stuk gaas dat door­drenkt is met een zalf die de aanmaak van nieuwe huidcellen bevordert. Het is onaangenaam werk omdat ik het afgestorven weefsel kan ruiken. Een vreemde, zoete lucht. Omdat er ook al geen geld is voor maskertjes, haal ik angstvallig alleen door mijn mond adem. Net zoals bij het opruimen van poep, pies of braak­sel.

     Ik heb een leuk contact met Rika opgebouwd en regelmatig klinkt nu uit deze hoek een laagingezet gelach. Ik denk wel eens: hoe moet het met haar als ik er straks niet meer ben, als de stakingen zijn opgeheven ?.

                            ****

Toen ik voor het eerst in het psychiatrisch verpleeghuis kwam, werd mijn beeld van gekken onmiddellijk bevestigd door de Fellini-achtige figuur die in de gang op mij toesnelde. Wilde ogen, kwijlende mond, onverstaanbare klanken uitstotend en met uitgestoken armen. Dat het Bill was, die niet gek was maar de ziekte van Parkin­son had, wist ik toen nog niet.

Hier in het tehuis zitten mannen en vrouwen met psychi­a­trische ziektebeelden , zoals manische-depressie, hyste­rie, chronische psychoses, maar ook dementen of gees­telijk gehan­dicapten. Joke bijvoorbeeld, met het Down’s syndroom, die met haar mongoloï­de smoeltje bij iedereen vertedering oproept. Of Marijke, die diep-idioot is, en vanuit haar rolstoel alleen kan grommen. Ze heeft een ziekte die een voortdurende over­vloedige zweet­pro­duktie veroor­zaakt, waardoor het niet langer dan een minuut of tien in haar buurt is uit te houden. Om die reden zetten we haar vaak en lang in bad, waardoor haar huid steeds weker en kwetsbaarder wordt.

Of mevrouw De Vries, die al twintig jaar dement is ten gevolge van een niet behandelde syfilis. Ze wordt iedere week trouw bezocht door haar man, die nog geheel bij zinnen is, en haar voert met een fles babyvoeding. Mevrouw De Vries is namelijk weer een baby. Een onoog­lijk klein wijfje van negen­tig jaar, die als een foetus opge­rold in haar bed ligt. Zelfs haar ontlasting lijkt op babypoep.

En dan is er nog mevrouw Van der Pijl, die directiesecre­tares­se was, voordat de manisch-depressieve buien te extreem wer­den. Als ze manisch is scheldt ze iedereen uit, vindt zichzelf de beste van alle patiënten, en het personeel over het alge­meen nogal dom. Dat zij in mijn ogen eigenlijk gelijk heeft, nemen mijn collega’s mij niet in dank af. Me­vrouw is tenslotte gek en heeft bovendien kapsones, zeker omdat ze secretaresse was. Ook met haar krijg ik meer contact. Ik probeer af en toe in te gaan op haar hulpgeroep ‘Zuster, ik wou dat ik die mond van mij kon dichthouden; ik voel me net een bandrecorder die niet meer kan ophouden.’

                            ****

Ik doe mijn best om al deze verdwaalde zielen, die niets met elkaar gemeen hebben, behalve dat ze hulpeloos lijken, een beetje aandacht te geven. Ze lopen als schimmen langs elkaar heen. Ze hebben alleen maar last van elkaar en geen alterna­tief. Enkele verpleegkundigen proberen hun situatie te verbe­teren maar stuiten op gebrek aan geld of onwil van colle­ga’s. Ik begin er langzaamaan erg triest van te worden. Moeten mensen zo leven anno 1972 ? Ik raak ook steeds vaker geïrri­teerd door de wijze waarop sommige patiën­ten aandacht vragen. Moe als ik ben maar ook door het groeiende gevoel van onmacht, word ook ik steeds meer net als die colle­ga’s wier gedrag ik veroordeel.

Het personeel drinkt koffie met elkaar tussen de patiën­ten en de schuif­deuren die de slaapzaal van de huiskamer scheiden. Mevrouw Jansen, een tachtigjarige zwaar demente vrouw die eens aan het hoofd stond van een groot boerenbe­drijf en negen kinderen baarde, is acht jaar nu en roept de hele dag om haar moeder. Ze friemelt aan alle tafelkleedjes, raakt ieder­een, met tranen in de ogen, aan. Ook nu loopt ze weer rond met een schuifelen­de, maar razend­snelle tred. Ze nadert mij en grijpt, luid in zichzelf mompelend, naar het kleed van onze tafel waarop de volle koffie­kopjes staan. Plotseling overvalt mij zo’n ontzettende woede dat ik mij niet meer kan beheersen. Ik grijp haar beet en duw haar hardhandig van mij weg. Ze verliest haar even­wicht, slaat vol tegen de grond en blijft liggen. Ik zit verstijfd van schrik. Mijn collega’s snellen toe en consta­teren dat er niets met mevrouw Jansen loos is. Dat was een narrow escape en ik schaam me dood. Ik neem mij voor om zo snel mogelijk ontslag te nemen. Als ik dit soort dingen ga doen, is het tijd om op te stappen.

                            *****

Niet lang daarna vraagt het afdelingshoofd of ik voor een keer een avonddienst wil draaien. Ik werk al acht maanden uitslui­tend in de ochtenduren. Aarzelend ga ik ak­koord.

Die avond ben ik alleen op de afdeling. Plotseling komt een vrouw naar beneden gerend en vertelt angstig dat mevrouw Michels uit bed is gevallen. Niets vermoedend loop ik met haar mee. Op haar kamer zie ik nog twee vrouwen recht­overeind in hun bed zitten, de een met angstige ogen, de ander met een grijns op haar gezicht. De laatste wijst grinni­kend naar een stille gestalte naast een van de bedden. Ze ligt op haar buik. Uiter­lijk kalm kniel ik bij haar neer en zie dat naast haar hoofd een plas bloed ligt. Het angst­zweet breekt me uit.  Terwijl ik haar geruststel­lend toespreek draai ik de vrouw voor­zichtig om zodat ik haar hoofd­wond kan zien. Op het aange­zicht van een dode ben ik niet voorbereid. Het ziet er afschu­welijk uit. Later hoor ik dat ze een longembolie heeft ge­had. Zonder op mijn eigen angst acht te slaan, loop ik naar ‘ de huiskamer,’ het woonverblijf van de direc­teur en zijn vrouw, en meld mijn vondst. Hoewel zij weten dat ik maar een ver­pleeg­hulp ben, maar waarschijnlijk ook misleid worden door mijn zelfver­zeker­de optreden, vragen zij of ik, samen met de nachtzuster, de dode wil afleggen.

‘Natuurlijk,’ zeg ik, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is en vervoeg mij bij zuster De Wilde, die mij ontvangt met de woorden: ‘de hoeveelste is het van jou ? ‘ alsof er sprake is van een competitie binnen de categorie ‘afleggen’.

‘Mijn eerste,’ stamel ik.

‘Oh. Wat onhandig. Nou ja, samen zal het ons wel lukken. Ik ga de spullen halen en intussen zal de dokter wel komen om de dood officieel vast te stellen.’

De dokter arriveert en constateert geen tekenen van leven meer. Ik sta er als een zoutpilaar bij en voel geen zweem van angst of ander ongemak. Ik kijk als door een microscoop toe hoe de dokter met zichtba­re routine de dode vrouw onderzoekt.  Hij tekent een overlijdens­ver­klaring en ver­dwijnt weer in de nacht. De familie is door de directie gebeld en onderweg hier­heen. 

Terwijl de kamergenotes toekijken,- een kamerscherm of een speciale ruimte is er niet- , help ik mijn collega bij het afleggen. Er moet snel worden gewerkt voor de eerste lijkver­stijving in­treedt. Ik ken dat verschijnsel tot dan toe alleen uit detectiveverhalen. Het heet daar rigor mortis, maar behal­ve die twee Latijnse woor­den, heeft het verder niets fraa­is. We treffen eerst wat voorbereidingen voor we met het eigenlij­ke werk beginnen. Als in trance help ik het bed af te halen, een rood zeil erover­heen te leggen, de dode vrouw op te rapen en te ontdoen van nacht­pon en onder­goed. Terwijl zuster De Wilde controleert of ze alles heeft wat we nodig hebben, maak ik de vloer scho­on. We geven de vrouw een grondige was­beurt; ze heeft bij het dood­gaan alles laten lopen.

‘Allereerst gaan we ervoor zorgen dat mevrouw niet verder leegloopt,’ zegt mijn collega op belerende toon.

Ze haalt uit een plastic zak een flinke prop gele, vettige watten. Zonder veel omhaal stopt ze die zo ver mogelijk in de anus van de nog warm aanvoelende vrouw. Ineens klinkt er uit de mond van het lijk een luide boer en er stromen etensresten langs haar kin, over haar linkerschou­der, op het zeiltje.

Verschrikt doe ik een stap achteruit en val bijna op het bed van een van de patiënten.

‘Kijk, daar is dat zeiltje nou voor,’ zegt zuster De Wilde nogal overbodig, ‘ Meestal gaan ze ook nog flatuleren en hoor je de darmen tekeer gaan.’

     Sprakeloos verricht ik op haar aanwijzingen allerlei handelingen waarvan ik het tot voor kort niet voor mogelijk had gehouden dat ik ze zou doen. Ik maak alsnog zeer indrin­gend kennis met mevrouw Michels. Haar lichaam heeft voor mij na dit ritueel geen geheimen meer.

     Van de zenuwen schiet ik in de lach als de armen die we netjes op haar borst hebben gelegd, voor de tweede maal langs haar lichaam afglijden. Voorts zie ik ineens een gat in de net met moeite aangetrokken nachtpon met bloemetjes. Des te be­langrijker wordt het nu dat de armen op het lichaam blijven liggen, want zo bedekken ze het gat en hoeven wij haar niet nog eens te verkleden.

‘Jammer van die blauwe kleur in haar gezicht. Erg naar voor de nabestaanden, maar wij kunnen d’r niets aan doen. Dat is werk voor de begrafenisondernemer,’ zegt mijn collega op een toon waarin ik spijt meen te horen.

Het ruikt in de kamer naar urine, poep en vette watten.

                            ****

Later op de avond komt mijn vriendje mij op zijn Puch met hallelujastuur ophalen.

‘Nog iets bijzonders gebeurd ? ‘ 

‘ Nee hoor,’zeg ik. Waarom weet ik niet. We gaan nog naar vrienden op de Lijnbaansgracht, een verjaardagsfeestje.

Ik zit op de grond, nip aan een glaasje smerige wijn en luister naar de gesprekken om mij heen. Ineens begint mijn hart tegen mijn ribben te bonzen. Mijn mond wordt kurk­droog en het zweet breekt me uit. Ik voel me onderuit glij­den. Is dit nu flauwvallen of doodgaan, denk ik nog. Ik hoor iemand gil­len:  ‘Ik ga dood, ik ga dood !! ‘

Later, als ik weer bijgekomen ben, vertelt mijn vriendje dat ik dat was.

                            ****

De volgende ochtend fiets ik met een kater van jewelste door het Vondelpark naar mijn werk. Af en toe flitsen beelden van het gesol met mevrouw Michels door mijn hoofd. Hoe is het mogelijk dat ik daaraan heb meegedaan ?

De frisse lentelucht verdringt de imagi­naire, onprettige geuren van gisterenavond. Mijn maag knort en ik hoop dat de kok een bordje havermout voor me heeft bewaard. Wij geven de bewoners van het verpleegtehuis iedere ochtend een bord pap. Makkelijk en goedkoop. En de kunstgebitten slijten er niet zo hard van. Maar bovendien is het wél smake­lijk, hoewel mijn jeugdherinneringen dienaan­gaande niet best zijn. De walgelijke klon­ten die mij deden kok­halzen staan me nog levendig bij. Maar kok Joost hoeft zich voor zíjn haver­mout niet te schamen.

Ik parkeer mijn op zijn Amsterdams ‘geleende’ fiets tegen de gevel van het statige herenhuis. Volgens mij weten passan­ten niets van wat zich achter deze muren afspeelt. Laat staan dat ze vermoeden dat het in hun nette maar gezelli­ge buurt­kroeg regelma­tig wemelt van de gek­ken. We houden de mensen behoorlijk onder de medicijnen, dus veel overlast bezorgen ze niet. Bovendien vallen ze in een horecagelegenheid nauwe­lijks op. Gek van het leven of van de drank, wie ziet het verschil ?

De nachtwacht doet de deur voor me open. Een mengsel van te lang opgehouden urine, ongewassen lijven en lammetjespap dringt mijn neusgaten binnen. Toen ik hier pas werkte ging ik er bijna van over mijn nek, maar het lijkt er op alsof alles went.

Ik loop langs de statige trap met gedraaide houten leu­ningen die naar de sterfkamer van gisterenavond leidt. Onwil­lekeurig kijk ik omhoog. Het is boven in het trap­gat erg donker en ik ben blij dat ik daar niet hoef te zijn vandaag.

Een van mijn demente oude dametjes komt me luid in zich­zelf pratend tegemoet geschuifeld op veel te grote pantof­fels. Haar onderbroek, die geel ziet van de opgedroogde pies, hangt laag tussen haar benen. Ze is zich niet bewust van dit deco­rumver­lies . Wél schijnt ze te merken dat de broek haar belem­mert in haar voortgang want ze bukt zich af en toe en probeert het euvel te verhelpen. Het lijkt erop dat ze niet meer weet wat ze moet doen. Ze plukt aan haar afgezakte kousen en ver­volgt dan weer in zichzelf babbe­lend haar weg.

‘Waar gaat u naartoe, mevrouw Ranzijn ?’ vraag ik vriendelijk terwijl ik haar voorzichtig bij een arm pak. Onmiddelijk verdwijnt haar peinzende gezichtsuitdrukking en maakt plaats voor angst. Ze trekt haar arm los , kijkt me schuin aan en probeert langs me naar de voordeur te glippen. Omdat dit ritueel iedere ochtend opnieuw plaatsvindt, ga ík er gerouti­neerd mee om. Me­vrouw Ranzijn niet. Haar inprentingsvermogen is nagenoeg verdwenen, dus voor haar is het elke ochtend een nieuwe belevenis. Iedere ochtend weer die frustrerende ontmoeting met iemand die haar, om onbegrijpelijke redenen, niet toestaat dit vreemde pand te verlaten en naar haar eigen huis te gaan. Terwijl haar kleine kinderen haar zo hard nodig hebben.

Soms, bijvoorbeeld als ik de avond tevoren gedronken heb, stort mijn moeizaam opgebouwde afweer als een gela­tine­pudding in. Ineens voel ik bij het zien van dit in de tijd ver­dwaalde mensje een brok in mijn keel. Met gemengde gevoelens loods ik haar terug naar de afdeling. Weg van haar kinde­ren. Ik neem mij voor om op mijn terugtocht uit de keuken te proberen een schone onder­broek uit de lin­nenka­mer te stelen . Niet dat dat haar veel kan schelen; zij wil alleen maar weg uit deze vreem­de omge­ving. Maar het sust mijn onbehagen een beetje.

‘Hallo Joost,’roep ik quasi opgewekt. Joost staat in twee enorme ketels te roeren. De havermoutdampen onttrekken hem vrijwel aan het zicht. Zijn koksmuts steekt er als een baken in zee boven uit. Terwijl hij mij een bord havermout in de handen duwt, informeert hij naar mijn welbevinden.

Net als ik overweeg om hem mijn avontuur van gisteren te vertellen, zie ik vanuit mijn ooghoek Marie de keuken binnen­waggelen. Marie is een van die patiënten die je als personeel maar beter te vriend kan houden. Ze heeft een reus­achtige omvang en is uitermate grof in de mond. Ondanks een hoeveel­heid medicatie die volgens mij een ijsbeer vervroegd zijn winter­slaap in zou jagen, kuiert Marie door het huis alsof er geen Valium be­staat. Zo tart ze iedere arts met haar oergezon­de gestel. Met name haar scherpe en hatelijke commen­ta­ren op andermans belevingen zijn dodelijk. Maar als Marie geen direc­te aanlei­ding krijgt om te reageren, houdt ze zich meest­al koest. Ik pak daarom zonder verdere tekst mijn bordje haver­mout aan en eet zwijgend mijn ontbijt. Joost heeft het zo druk met op­scheppen dat hij niet eens merkt dat zijn vraag naar mijn welzijn onbeantwoord blijft. Ik spoel mijn bord om en ga helpen de scha­len met pap naar boven te sjouwen.

                            *****

Op de afdeling staan twee collega’s opgewonden met elkaar te praten. Eentje draait zich naar mij toe en zegt:

‘Hé, Marianne, we kwamen er vandaag achter dat onze douche­weigeraar, mevrouw Meyer, een Joodse vrouw is die in de Tweede Wereldoorlog in een concentratiekamp heeft gezeten.’

Ongelovig kijk ik hem aan. Mijn maag trekt zich krampachig samen. Ik begin te kokhalzen en ren naar het dichtstbij­zijnde toilet.

Terwijl de net verorberde havermout mijn lichaam bijna onverteerd verlaat, besluit ik mijn ontslagbrief te gaan schrij­ven en mijn prille carrière in de ge­zondheids­zorg voor­lopig op te schorten.

‘Gek ben je zelf’ opnieuw gepubliceerd vanaf 21-01-2011

Vanaf 21-01-2011, zette ik om de twee weken een van de acht korte verhalen uit mijn in 1996 door uitgeverij L.J.Veen in Amsterdam gepubliceerde verhalenbundel ‘Gek ben jezelf’ ‘ in mijn blog. Het copyright heb ik vorig jaar weer teruggekregen. De hieronder zichtbare cover is destijds door de uitgeverij ontworpen.

Vanaf vandaag, 28-06-2011 staat de hele verhalenbundel in mijn blog. Ik zou het erg leuk vinden als bezoekers van deze site een of meerdere verhalen lezen en vooral ook: hun reactie willen geven.

Lach en huil mee met Marianne die als een Don Quichote tegen de windmolens in zorg-en welzijnland vecht. En laat mij weten wat u van haar avonturen vindt.

 

 

 

Inhoudsopgave ‘Gek ben jezelf ‘    Locatie                                   

1.Huis der verdwaalde zielen.                  Psychiatrisch  verpleeghuis 1971. 

2. De deur die even open stond.              Psychiatrische afdeling resocialisatie 1975               

3. De vrouw die het wel welletjes vond.  Afdeling  Chronische psychiatrie  1976  

4. Het vliegende colaflesje.                         Resocialisatiehuis in Amsterdam   1978

5. De brandende verfkast.                          idem 1979

6.De stagiair met de losse handen.            Orthopedagogisch behandelhuis 1983.     

7.De bommelding.                                         idem  1984.

8. De man die naar Woerden wilde.          Huis van Bewaring in Amsterdam  1985.