8. De man die naar Woerden wilde

 

Amsterdam, winter 1985.

Met nauwelijks enig zicht worstel ik me op de fiets door een sneeu­wbui langs het metrostation dat om nogal suffe redenen niet bij de ingang ligt van het gebouw waar mijn nieuwe werk­gever zetelt, maar aan de achterkant. Onhandig voor bezoek en eventue­le uitbre­kers. Maar dat hoor ik pas later, als ik met mijn werk als bejege­ningsfunctionaris ben begonnen. Verkleumd fiets ik langs het verlaten honk van de Hells-An­gels, op weg naar de hoofdingang van de Penitenti­aire Inrichting. Een chique woord voor gevangenis.

     Onder het dak van de parkeergarage staan een paar bijna lege fietsen­rekken. De werkne­mers van deze bajes zijn duide­lijk geen fanatieke fietsers. Het is er donker en stil; de neiging om voortdurend over mijn schouder te loeren is bijna niet te bedwingen. Snel zet ik mijn fiets op slot en glibber over de beijzelde weg naar de hoofdingang. De voordeur van het giganti­sche rechthoekige complex, met zijn zes torens en voorgebouw, is hermetisch gesloten. De deur zwaait na enige tijd open en een rij mensen stroomt naar buiten. Ze komen uit de personeelsingang, dus het zijn geen boeven. Ik betrap mijzelf erop dat ik het raar vind dat ze er hetzelfde uitzien als mensen die op een gewoon kantoor werken.      Onwennig stap ik als enige naar binnen, en schrik onwil­le­keu­rig als de grote deur achter mij in het slot valt. Achter glas zijn een aantal geüniformeerde lieden druk doen­de. Ik meld me met mijn paspoort en bewijs van goed gedrag bij de zwijgende figuur achter het loket. Vorsend kijkt hij mij enige tijd aan, bladert wat door mijn paspoort, schrijft iets on­leesbaars op een papiertje en schuift dat, gestempeld en wel, onder het glas door. ‘Hier rechts de deur door, dan de trap op tot de eerste ver­dieping, daar wacht u tot de sluis opengaat. Dan loopt u weer rechtdoor tot u bij de centrale meldpost bent. Daar wijzen ze u wel verder.’ Sluis ? Centrale meldpost ? Ik heb geen flauw idee waar dit over gaat, maar ik neem de eerste horden zonder problemen. Beklemmend om via de camera’s allerlei ogen op je gericht te weten. Er is geen hond te bekennen en toch gaan er, als van­zelf lijkt het, deuren open en dicht. Er zitten hier ook vrouwen vast. Dadelijk denken ze dat ik een gedeti­neerde ben en laten ze me er niet meer uit…. Aan het einde van de gang zie ik een bouwsel dat veel weg heeft van een groot aquarium. Ik nader kennelijk de cen­trale meldpost. Ook hier zijn mannen en vrouwen in uniform druk bezig. Overal moni­toren, knoppen en microfoons. Ik moet weer mijn paperassen laten zien en opnieuw zwaait een deur voor me open en achter me dicht. Wat ik dan zie doet me haast terug­deinzen. De gang in het psychiatrisch ziekenhuis in Santpoort was niet mis, maar dit tart ieders verbeelding. Was het mogelijk om in Santpoort een paard door de gang te jagen, hier kunnen twee vrachtwa­gens elkaar met gemak passeren. De gang die zich voor me uitstrekt is zeker 200 meter lang en 20 breed. Aan weers­zijden bevinden zich de ingan­gen naar de ver­schillen­de torens. De muren zijn vro­lijk be­schilderd en de vloer lijkt een soort noppen­zeil. Met een duizelig gevoel in mijn hoofd zet ik een voet op de eerste trede van de trap die over de gehele breedte van de gang ligt. De treden zijn erg laag en zo breed dat ik er twee stappen op moet zet­ten. Zes treden verder kijk ik zenuw­achtig om naar de deur die zich alweer achter me heeft geslo­ten. Het begint op het Droste-effect te lijken; een deur in een deur in een deur. Hoe­veel zal ik er nog moeten passe­ren ? Voor mij lopen mensen af en aan. Wie zijn de gede­tineer­den en wie het perso­neel ? Bijna bang om door deze immense gang te worden verzwolgen, ga ik dicht langs de muur lopen en vermijd oog­contact met de voor­bijgangers. Ik vraag mij af of ik het aankan om iedere dag twee maal deze weg te gaan. On­danks de kolossale afmetingen bekruipt mij langzaam een clau­strofobisch gevoel. ‘Tweede toren aan de rechterkant’,had een van de bewakers gebromd toen ik de naam van het huis van bewaring noemde.

Bij de ingang van de toren vraagt een stem via de intercom wie ik ben. Na even wachten gaat de deur voor mij open en loop ik naar de volgende glazen doos. Twee mannen die beduidend vrien­delijker en relaxter reageren dan hun collega’s op de vorige meldpos­ten, vragen evengoed naar mijn legitima­tie. Deze laat­ste hindernis wijkt ten slotte ook en Pie­ter, degene die ik zal gaan opvol­gen, staat me op te wachten.      De omgeving oogt als een doorsnee kantoor, niets asso­cieert met het zwaar beveilig­de complex waar ik net doorheen ben gelopen. Links en rechts zijn kamers met mannen en vrouwen in burger die achter bureaus en typema­chines aan het werk zijn. Pieter stelt mij aan al deze mensen oppervlakkig voor. Spoedig duizelt het mij van de namen en functies. Dan sta ik opeens voor een wat slunge­lige man van een jaar of der­tig, die in de perso­neels­kantine tafeltjes aan het schoon­maken is.  ‘Dit is Gerrit van Veen, hij is gedetineerd op paviljoen drie en koffie-boy op onze etage. Gerrit, dit wordt onze nieuwe beje­geningsfunctionaris.’ ‘Krijg de colere, een vrouw,’hoor ik Gerrit tot mijn verba­zing zeg­gen. ‘Ja, vind je dat nou niet leuk ? ‘ zegt Pieter en kijkt mij zijdelings aan. ‘Het interesseert me geen hol wat ze tussen d’r benen hee­ft. Als ze d’r maar voor zorgt dat ik op tijd met verlof ken.’ ‘Als je je baantje wilt houden Van Veen, zou ik toch wat minder vuil in de bek worden,’ waarschuwt Pieter. Van zijn eerdere joviale omgang is niets meer te merken. ‘Je moet ze meteen je grenzen laten zien hoor, anders gaan ze met je aan de haal en red je het hier niet,’ fluistert Pieter, terwijl we doorlopen naar zijn kantoor dat straks het mijne zal zijn. ‘Dat geldt overigens net zo voor de bewakers hier. Die willen ook nog wel eens de macho uithangen tegen het vrouwe­lijke perso­neel.’ Natuurlijk weet ik dat ik de enige vrouw ben op middenkaderni­veau, en slechts een van de twintig vrouwen in de hele toren, maar ik krijg nu het sombere vermoeden dat het een heel zware dobber zal worden. Veertig mannelijke bewakers en gemid­deld 100 mannelij­ke gede­ti­neerden zullen mijn alledaagse werkelijk­heid zijn. Pieter meldt dat hij eerder zal worden overge­plaatst naar een ander huis van bewaring dan we hadden ge­dacht. De gedetineerde door wiens komst hij zal moeten ver­trekken, zal een paar weken eerder arri­veren. Deze heetgeba­kerde zware jongen geeft er namelijk voort­durend blijk van zijn confronta­tie met Pieter, jaren geleden in Scheveningen, niet te zijn vergeten en voor de zekerheid heeft men besloten de twee mannen niet in hetzelfde gebouw te laten. Ik vind het allang best. Ik dank tenslotte aan dit haatdra­gende type mijn nieuwe baan. Dat Pieter eerder moet vertrekken betekent wel dat ik sneller ingewerkt moet zien te raken.

 Na de afgelopen maand zo goed mogelijk door Pieter te zijn ingewijd in de geheimen van zijn baan, ben ik vandaag voor het eerst in functie tijdens het ochtendrapport. In deze bijeen­komst is iedere discipline vertegenwoor­digd. We bespre­ken het actuele reilen en zeilen in de toren en vooral de veiligheid. ‘Marianne, ik zou graag even met jou en Wouter overleggen zodra we hier klaar zijn.’ De spreker is een tengere man met een fijnbesneden, licht besnord gezicht en een wat droevige oogopslag; de directeur van deze toren. Wat een verantwoorde-lijkheid, denk ik.  Samen met Wouter, de maatschappelijk werker, wacht ik tot iedereen de kamer heeft verlaten. ‘Gisteren vertelde Wouter me dat jij door een aantal ge­sprek­ken met gedetineerden de indruk kreeg dat er een ontsnap­ping in de lucht hangt. Klopt dat ?’ ‘Dat klopt ja,’ zeg ik, terwijl het zweet me weer eens spon­taan uitbreekt. Ik moet nog wennen aan de macht die je hier per defini­tie hebt. Aan mijn woorden hecht men veel waar­de. Ik kan mensen ernstig duperen doordat ze op basis van mijn waar­nemingen worden overgeplaatst of doordat hun cel moet worden door­zocht. ‘Van de week heb ik een aantal selectiegesprekken met gedeti­neerden ge­voerd. Een van hen was François Olivier, die pas is veroor­deeld wegens die gewapende bankoverval in Amstel­veen. Hij vroeg of hij naar paviljoen vier mocht, omdat daar ook een Fransman zit. Omdat het nog wel even kan duren voor hij naar een gevangenis gaat, leek het mij geen onzin­nig verzoek. Het Frans van de bewaarders is tenslotte ook niet meer wat het geweest is.’ De directeur glimlacht even en vraagt me verder te gaan. ‘En toch kreeg ik er een raar gevoel bij. Op hetzelfde pavil­joen zit namelijk een Franssprekende Belg, die mij vertelde dat hij in het bezoek dat François laatst kreeg een oude maat herkende uit een gevangenis in Belgie. Ook een bankover­val­ler.’ ‘Waarom was die Belg zo vriendelijk jou dat te vertellen ? ‘ onderbreekt de directeur.‘Zijn moeder is onlangs overleden en toen heb ik een strafon­der­breking voor hem kunnen regelen. Eeuwige dankbaarheid dus. Enfin, om een lang verhaal kort te maken: die informatie én het feit dat François de komende tien jaar gebruik zal mogen maken van de bed en broodfaciliteiten van de Staat der Neder­landen, deed mij besluiten zijn verzoek voorlopig aan te houden.’ ‘Goede beslissing. We zitten niet te wachten op nog meer onrust en publiciteit na die ontsnapping van twee maan­den geleden. Ik moet er niet aan denken dat Den Haag haar dreige­men­ten om prikkeldraad op de muren te zetten en tralies voor de ramen te doen, gaat uitvoeren. Dan wordt het hier echt een bunker. Als gedetineerden het idee hebben dat ze er nooit uitkunnen, gaan ze personeel gijzelen. Dan zijn we nog verder van huis. Ik zal vandaag de rechter-commissaris toestemming vragen om op grond van deze verdenkingen zijn cel en die van zijn maat op paviljoen 4 te doorzoeken. Verder nog bijzonder­heden ? ‘

Samen met Wouter loop ik naar mijn kamer, terwijl ik de ver­zoekbriefjes voor het sociaal spreekuur doorneem. ‘Oh God, onze kamper wil ons weer spreken. Laatst heb ik hem, onder het mom van een tandartsbezoek, die wip met zijn vrien­din uit de vrouwentoren toegestaan. Hij wil vast weer. Als de directeur het te weten komt ben ik de lul.’ verzucht Wouter. ‘Ik zie je straks wel op het sociaal spreekuur. We star­ten op paviljoen vijf vandaag.’ 

Ik loop mijn kamer in en ga achter mijn bureau zitten. Meteen vlieg ik als een vlo weer overeind. Gek word ik van de stati­sche electriciteit hier. Het nylon tapijt, mijn schoenzolen en het stalen bureau hebben wederom een innig contact gehad. Ik trek mijn schoenen uit en dit keer verdragen het bureau en ik elkaar beter.   Ik haal de intercom die mij met de meldkamer verbindt naar me toe en noem de namen van de gedetineerden die ik deze ochtend wil spreken voor een selectiegesprek. Na enige aarze­ling noem ik ook de naam van de zogenaamde Bijlmerver­krachter. Het is tenslotte ook een mens, al zou je dat niet zeggen gezien de 25 verkrach­tin­gen, waarvan vijf bewezen. Negen jaar onvoorwaardelijk is niet mis. Hij is nu vijftig en dus een bejaard man als hij uit de bajes komt. Ben benieuwd welke gevan­genis hij am­bieert. En of hij zich kan vinden in de gevangenis die ik voor ogen heb. ‘Tonnie is naar de arbeid, die moet je dus vanmiddag maar nemen en Iwan de Verschrikkelijke kun je meteen krijgen.’ klinkt de stem van Michaël door de intercom. Het lijkt of hij uit een ruimtestation spreekt in plaats van uit de meldka­mer tien meter verderop. Of uit de hemel, dat past beter bij zijn naam. En hij is nog mooi ook, deze zwarte aartsengel. ‘Oké,laat maar komen.’      Tien minuten later wordt er op mijn deur geklopt en Michaël duwt niet bepaald zachtzinnig, de Bijlmerverkrachter, ook wel bekend als Iwan de Verschrikkelijke, naar binnen. Waarom past ie­mands uiter­lijk toch zo zelden bij het gepleegde misdrijf ? Een onoog­lijk manne­tje, met een bijna kalend hoofd en een snotte­ri­ge aardbeien­neus, schuifelt naar binnen. Onwil­lekeurig trek ik mijn wenk­brauwen op en kijk naar Mi­chaël. ‘Het is hem echt hoor,’reageert hij breed grijn­zend,’ Wil je dat ik erbij blijf ? ‘ Net als ik wil zeggen dat dat niet nodig is met de rode alarm­knop onder bereik, doet iets in de blik van Iwan mij anders besluiten. Iemand die het verzint om met een goed afgerichte Dobber­mannpincher en een mes vrouwen te be­dreigen en vervol­gens te ver­krachten, kun je als vrouw beter niet alleen ont­moe­ten. Je weet maar nooit hoe creatief hij tijdens zijn jaar in voorar­rest is geweest ! ‘Blijf maar Michaël.’ Trekt daar echt even een vergenoegde blik over het gezicht van onze Iwan, of verbeeld ik me dat ? Maar in een korte tijd heb ik hier geleerd dat het negeren van gevoelens van dreiging fataal kan zijn. Dat het dus stom is om ‘de – flinke – meid – die – niet – onder – doet – voor – de – mannen’ te spelen. Vanochtend in de personeelslift, met die ongelooflijke macho van een bewaker, daar was mijn van dik hout zaagt men planken reactie wél adequaat geweest. Ik moet nog giechelen als ik het smoel van die vent weer voor me zie. Hij was met stomheid geslagen. Waar ik toch de tekst die ik tegen hem debiteerde vandaan haalde mag Joost weten. ‘Joh, doe me een lol en ga je hol soppen,’is toch doorgaans niet het eerste wat in mij opkomt als een man mij sexistisch benadert. Maar vanochtend in die lift…perfect !  Vindt u het niet akelig om met een verkrachter in dezelf­de ruimte te zitten ?’ vraagt Iwan. ‘Ach, er zijn leukere dingen denkbaar in het leven, maar ik word ervoor betaald. Zullen we beginnen ? ‘      Na een half uur met Iwan heb ik het gehad. Zijn insinue­rende opmerkingen en het compleet ontbreken van enig berouw maakt dat ik mijn weerzin nog nauwelijks kan verbergen. Ik vraag Michaël hem terug te brengen naar zijn cel en beloof dat ik hem later in de week nogmaals zal oproepen. De gedeti­neer­den op zijn pavil­joen lusten hem ook niet. De beruchte dubbele moraal van onze grotere en klei­nere crimi­nelen doet hier van zich spreken. Verkrachting en pedofi­lie, berg je maar als je medegevange­nen dát te weten komen. Een mislukte overval met een dode, dat is een be­drijfs­ongeval, maar het misbruiken van vrouwen en kinde­ren , dat pikt ons neusje van de zalm niet. Mishan­delin­gen van mensen die van dit soort zaken verdacht worden, komen overal voor. Het is moei­lijk te bewijzen, want zowel het slachtoffer als de eventuele toeschouwers houden hun mond. Ook onze Iwan heeft zijn portie gehad. Hij lucht al maanden apart en leeft niet in groepsver­band.      Zuchtend buig ik mij over de paperassen die mij achter­grondinforma­tie moeten geven over de bajesklanten. Allochto­nen en autochtonen, zware jongens en krui­mel­dieven, alcoholici en junks. You name it, we’ve got it     Het is al bijna lunch­tijd. Dat is het aardige van zo’n baan: altijd om vijf uur klaar en gewoon pauze tus­sen­door. Een wandeling naar de grote personeelskanti­ne in het voorge­bouw, via de overdekte snelweg en centrale meldpost, is goed tegen het zitvlees. Ik ben er, tot mijn verbazing, al aan gewend geraakt.  Ineens komt Wouter mijn kamer binnenrennen. Het schaarse haar door de war en met briesende snor.  ‘Zit je kamper je ach­terna ? Duik maar onder mijn bureau,’ grap ik. ‘Alsjeblieft zeg, nee het is nog veel doller: Steven B. is net ontsnapt !!’ Samen met Wouter spoed ik mij naar de kantine op onze eigen verdieping. De directeur is er al samen met een handjevol bewaarders, de psycholoog, de geestelijke verzorger en drie hoofdbewaarders. Opvallend is het bijna vaal-uitgeslagen gezicht van mijn aartsengel Michaël. Heftig gesticulerend staat hij voor de directeur. ‘Hans, heus, ik zweer het je, ik heb hem nog geen minuut alleen gelaten op de luchtplaats. Toen ik naar de deur terug­liep was de binnenplaats leeg. Weg was-ie, foetsie. Het kan gewoon niet man, écht niet.’‘Kalm nou maar, de politie komt eraan en dan moet je alles nog maar eens rustig vertellen. Kees, is Michaël voor de rest van zijn dienst al vervangen ?’ De directeur wendt zich tot een van de hoofdbewakers.      ‘Michaël,’ ik pak hem bij zijn arm en trek hem opzij,’wat is er in godsnaam gebeurd ?’ ‘Ik weet het niet joh, Jezus, dadelijk denken ze dat ik hem een handje geholpen heb. Ik neem hem mee naar de luchtplaats ja, zoals we iedere dag doen. Wij met z’n tweeën weet je, geen andere gedetineerden. Het is die luchtplaats waar alle kanto­ren op uitkijken weet je wel, die niet met de buitenmuur in verbinding staat. Het is erg koud , dus we zijn allebei dik inge­pakt. Hij kan ik weet niet wat onder die jas hebben zit­ten. Alleen: zijn cel wordt iedere dag doorzocht op contra­bande en ontsnappings­materiaal en verder heeft hij geen con­tact met anderen, dus hij kán niks bij zich hebben. Enfin, ik doe de deur naar de luchtplaats open, we stappen naar buiten en hij ontdekt dat-ie zijn sjaal vergeten is. Ik be­sluit hem buiten te laten en bij de meldkamer er een te leen te vra­gen. Steven is tenslotte best een toffe vent. Dus ik open de deur weer, stap de gang in en draai hem achter me op slot. Ik doe er hoog­uit een minuut over om heen en terug te lopen; ik open de deur naar de lucht­plaats en weg is-ie, foetsie, in rook opgegaan. Ik dacht dat ik gek werd. Er zijn geen bosjes of zo waarin hij zich had kunnen verstoppen maar ik heb toch nog als een malloot op die binnen­plaats lopen zoeken. Ik wilde bijna de tegels gaan lichten, zo onge­looflijk vond ik het. Na een minuut of twee ben ik alarm gaan slaan. En zo meteen komt de recherche om de binnenplaats en zijn cel te onderzoeken.’ Ik knijp hem bemoedigend in zijn arm en zeg hem mijn steun toe. Shit, wat een ellende.      Gerrit de koffieboy vindt het kennelijk allemaal erg komisch. Hij staat wijdbeens te grinni­ken terwijl hij een thermoskan koffie vult. ‘Pas maar op, grapjurk,’ bijt ik hem toe,’er zijn nog meer liefhebbers voor jouw baantje.’ 

Na een uur komt de recherche vertellen wat ze gevonden hebben. Op de muur van de binnenplaats, feitelijk het dak van de gang tussen de torens, lag een bos touw en een haak. De haak is gemaakt van onderdelen van een winkelkarre­tje dat in de afde­lingswinkel wordt gebruikt om boodschappen mee te doen. Waar­schijnlijk heeft Steven er maanden over gedaan om eindjes rondslingerend touw te vergaren en stukken metaal van een win­kelwagentje af te halen. Hij lijkt alles verborgen te hebben achter de kast in zijn cel. Kennelijk is men nooit op het idee gekomen dat er tussen kast en muur nog ruimte was om iets te verbergen. Omdat hij een trui en zijn winterjas aan­had, viel het niet op dat hij het hele zaakje onder zijn jas verborgen hield. Aan de andere kant van het complex zijn sporen van auto­banden gevonden. Hij heeft dus hulp gehad. Wouter en ik praten wat na over de ontsnapping, terwijl de lift ons naar paviljoen vijf brengt. ‘Wat een conditie moet die man gehad hebben om zich in zo’n korte tijd aan een touw omhoog te kunnen trekken.’zeg ik bewonderend. ‘Ik snap het niet hoor,’ zegt Wouter,’als hij wordt gepakt kan hij meteen door naar de Bunker in het Oranjehotel.’ ‘Het Oranjehotel ? Wat is dat in vredesnaam.’ vraag ik ver­baasd. ‘Ken je die kreet niet ?  Het Neder­landse verzet in de Tweede Wereldoorlog noemde de Scheveningse gevangenis het Oranje­hotel omdat de Duitsers daar verzetsmensen opsloten en execu­teerden. Jan Campert, de vader van Remco weet je wel, heeft daar geze­ten en schreef dat prachtige gedicht van: ” een cel is maar twee meter lang en nauw twee meter breed. Veel kleiner nog is het stuk grond dat ik nu nog niet weet, maar waar ik naamloos rusten zal, mijn makkers bovendien; we waren achttien in getal, geen zal de avond zien.” En de Bunker is de best be­waak­te en beveilig­de gevan­genisafde­ling in Neder­land, speciaal voor vluchtge­vaar­lijke gedetineer­den.’ Onder de indruk van deze onverwachtse poëtische uitbarsting, hou ik een tijdje mijn mond. Terwijl we het paviljoen opstap­pen zeg ik half grappend: ‘Misschien was Steven niet tevreden over zijn verblijf hier,’ Wouter gaat er echter bloedserieus op in. ‘Hij baalde ervan dat hij zijn zoontje niet vaker op bezoek kon krijgen. Maar ja, dat geldt voor praktisch ieder­een.’      ‘Gelukkig dat jullie er zijn,’ zegt Klaas, een van de bewaar­ders, ‘Gino heeft het weer eens op zijn heupen. Hij wil bellen met zijn bedrijf, maar hij is al aan zijn tax. De andere Italianen worden erg onrustig door hem. Hij chanteert ze volgens mij.’ Zuchtend lopen Wouter en ik naar de ruimte waar het sociaal spreekuur wordt gehouden. Zoals het gehele paviljoen is de ruimte nauwelijks ingericht. Het schaarse meubilair is van knaloranje plastic gemaakt. Van die vreselijke kuipstoeltjes waarin je steeds onderuit glib­bert. In de hoek staat een oud tafelvoetbalspel en op een van de weinige tafels ligt een bedui­meld pak speelkaarten. Er wordt op dit paviljoen niet gezame­nlijk gegeten. Ieder eet alleen op zijn cel. Mijn pogin­gen om dit te veranderen leveren voorlopig niets op. De be­waarders willen het wel proberen maar hun teamleider ziet te veel risi­co’s. Jammer. Een gezamenlijke maaltijd levert een bron van infor­matie en een gelegenheid bij uitstek om als bewaarder enige samenhang te brengen in de gemelleerde groep gedetineerden. Je hoort tussen neus en lippen hoe de onderlin­ge sfeer is en of er iets broe­it. Het zou volgens mij preven­tief werken.      De tralieloze ramen van onbreekbaar glas, tenzij je er een uur lang een biljardta­fel tegenaan ramt zoals bij de laatste ontsnappings­poging, kijken uit op een industrieter­rein. Een dik pak sneeuw verdoezelt een beetje de troosteloos­heid van dit tafe­reel.      Wouter en ik nemen op een strategische plek plaats in deze ‘huiskamer’. Met in mijn hand een stapel briefjes met ver­zoe­ken om extra telefoontjes, bezoeken, verlo­ven, strafon­der­bre­kingen en gesprekken onder vier ogen, zet ik me schrap voor de eerste klant. Gino maar, dan hebben we de ergste meteen gehad. Voor de zekerheid vraag ik of Klaas erbij wil blijven. Soms weten de bewaarders veel meer ins en outs dan Wouter of ik.      De deur zwaait open en het clichébeeld van een Italiaan komt binnenzetten. Klein, slank, vet achterover­gekamd zwart haar, ogen die schui­lgaan achter een zonnebril, een gave bruine huid die pas ingevet lijkt met olijfolie en een op maat gesneden pak. Indrukwekkend. Een volleerde Godfather. In zijn kielzog slaaf­je Mario. ‘Meneer Scapetti, gaat u zitten.’ Mario vertaalt fluiste­rend wat ik zeg. Gino gaat zitten en zegt, terwijl hij de vouwen in zijn bro­eks­pijpen nauwlettend in de gaten houdt:’U nieuw,no ?’ ‘Si,’zeg ik in mijn beste Italiaans,’U bent echter al een poosje hier hè ? ‘  Mario kijkt me vuil aan. ‘Dat kan ik toch niet tegen hem zeggen,’ sist hij,’hij vermoordt me.’ ‘Zie maar wat je doet,’ zeg ik op poeslieve toon, Gino onder­tussen stralend toelachend. Gino vraagt iets in het Italiaans aan Mario. ‘Hij wil weten wat er gebeurt.’ ‘Zeg hem maar dat hij ter zake moet komen,’ zeg ik omdat ik een beetje medelijden begin te krijgen met Mario. Hij is geen slechte jongen. Hij zit voor het eerst en doet goed mee in het scholingsprogramma. Hij lijkt echt uit dit circuit te willen. De vraag is natuurlijk of Gino dat zal toestaan. ‘Hij wil vaker dan één keer per dag naar zijn bedrijf kunnen bellen. Anders gaat hij failliet.’ ‘Zeg maar dat dat absoluut niet kan. Eén keer is meer dan genoeg.’ Intussen kijk ik met een schuin oog naar het verzoek op het volgende briefje. Een extra wip. Toe maar. Gino verwijdert zijn zonnebril en kijkt me doordringend aan. Via Mario zegt hij: ‘Mevrouw, het kan toch niet zo zijn dat u mij dit weigert. Ik heb zo mijn connecties; u weet toch wel wie u voor u heeft ? ‘  Puur instinctief zeg ik: ‘Meneer Scarpetti, natuurlijk weet ik wat u allemaal op uw kerfstok heeft. Dat is ook een van de belangrijkste redenen om u niet vaker dan één keer per dag naar uw bedrijf te laten bellen. Het kost de Staat al geld genoeg om elke keer iemand mee te laten luisteren.’ Mario ziet eruit alsof hij ieder moment kan flauwvallen. Op aandringen van Gino vertaalt hij nerveus wat ik heb gezegd. Althans, dat vermoed ik althans, want Gino Scarpetti springt ineens op uit zijn stoel, kijkt me woedend aan, en beent met grote stappen terug naar zijn cel. Ik kijk Wouter en Klaas schouder­ophalend aan. ‘Groot fiasco ?’ vraag ik hen. ‘Dat weet je met Gino maar nooit.’ zegt Klaas.’Zal ik de kamper gaan halen ? ‘ Onze klerenkast Kees, een onvervalste Nederlandse zigeuner, die in afwachting is van zijn proces en wordt verdacht van het doden van een liefdesrivaal , komt binnenzetten en ploft ongevraagd neer. ‘Marianne, Wouter, dit kan godverdomme niet langer zo. Ik word knettergek gemaakt hier. Ik mot mijn wijf kunnen zien. Goddom­me, dit is onmenselijk. Ik ga mijn beklag indienen, ik…’ ‘Kalmpjes aan hè Kees, zo praten we niet met elkaar hebben we de vorige keer afgesproken,’begint Wouter. Tot mijn afgrijzen barst de van boven tot onder getatoueerde, honderd kilo wegende Kees in huilen uit. Tranen biggelen over zijn wangen en Wouter, Klaas en ik kijken elkaar vragend aan. ‘Hè Kees, alsjeblieft, houd op met dat gejank. Ik kan je echt niet nog een keer helpen,’ Wouter kijkt mij wanhopig aan, maar ik bestudeer geïnteresseerd het vlekkerige plafond. Ik zou trouwens niet weten hoe ik Kees aan zijn kennelijk broodnodige gerief kan helpen zonder me de woede van de directeur op de hals te halen. Als ik het toesta wil natuurlijk iedereen het en daar­voor hebben we de accommodatie niet. Bovendien mag hij eigenlijk pas één keer in de maand zodra hij veroordeeld is. ‘Ik doe mezelf wat an hoor, of anders grijp ik een bewaker.’ dreigt Kees, die merkt dat huilen niet veel helpt.  ‘Ik zou het niet doen Kees. Als je zo begint kun je het verder met ons wel vergeten. We hebben ons best gedaan, je hebt een leuk bezoek aan de tandarts gehad, meer zit er niet in.’ zeg ik ferm en haal demonstratief een ander verzoekbriefje tevoor­schijn. ‘Nou ja, ik heb het geprobeerd,’ zegt Kees ineens op opgewek­te toon, ‘nee heb je…’ ‘Dag Kees,’ zeggen Wouter en ik in koor en wenden ons tot de volgende klant.  

Een paar dagen later strijken Wouter en ik na het sociaal spreekuur neer in de personeelskantine voor een welverdiend kopje koffie. Het is er spitsuur. Gerrit heeft het zo druk als een klein baasje. Hij is inmiddels wat bijgedraaid, niet meer zo vuil in de bek tegen mij. Hij heeft kenne­lijk begrepen waar de voor­delen vandaan kunnen komen. ‘Lekker bakkie Gerrit,’zeg ik, als teken van vrede. ‘Van me moeder geleerd, die zette altijd voor een heel wees­huis en toch was het goede koffie. Lekker sterk, met een beetje Buisman erin.’ ‘Volgende maand naar de open gevangenis Gerrit, een hele promotie. Wel volhouden hè, dat half jaartje.’ zegt Wouter terwijl hij zijn benen op tafel deponeert. Verontwaardigd gebaart Gerrit dat dit in zijn etablissement niet comme il faut is en veegt als een volleerde werkster het plekje schoon waar net nog Wouters voeten op lagen. ‘Je vrouw zal wel blij zijn dat je zo proper geworden bent,’ plaagt Wouter. ‘Wat ben jij lollig vandaag. Heb je soms een vriendje gevon­den die je een lekkere veeg mag geven ?’ zegt Gerrit. Wouter zit als bevro­ren in zijn stoel. Hij ziet lijkbleek en zijn handen heeft hij onwille­keurig tot vuisten gebald. Het aanwezige personeel reageert gniffelend. Het is publiek geheim dat hij homosexueel is en dat een half jaar gele­den zijn partner aan AIDS is overleden. Een van de eersten in het land. Wouter bleek zelf HIV positief te zijn en het had een haar ge­scheeld of hij was voor onbepaalde tijd met verlof ge­stuurd omdat ieder­een als de dood was voor besmetting. Maar de direc­teur voelde wel wat voor een open benadering tegenover het perso­neel. De india­nenverha­len over besmette wc-bril­len en servies­goed was hij meer dan zat en hij had Wouter gevraagd of hij het perso­neel in een lezing wilde vertellen hoe het nou precies zat met AIDS.       Wouter zag het als een kans om normaal te kunnen blijven werken en had toegestemd. Achteraf naïef om te denken dat zo’n voorlichtend praatje voldoende zou zijn om de bevoor­oordeelde breinen onder het personeel ervan te kunnen overtui­gen dat hij geen gevaar voor hun gezondheid opleverde. Na de lezing had een handjevol bewaarders positief gereageerd, vooral de vrou­wen. De rest was meteen het zaaltje uitgelopen en later onder­gronds gegaan met hun commentaar op het verschijnsel AIDS in het algemeen en op Wouter in het bijzon­der. Regelmatig stokten de gesprekken als Wouter verscheen en het was geen toeval dat nog maar weinig bewaarders hem een hand gaven. Maar de laatste tijd leek het erop dat door het uit­blijven van een Aidsepide­mie en het aanschaffen van chirur­gi­sche handschoenen voor het fouilleren van gedetineerden, de ergste angst en achterdocht waren gezakt. En nu Gerrit. Met ingehouden adem wacht ik af wat Wouter gaat doen. Ik zit zelf al in de start­blokken om bij een handgemeen meteen te kunnen ingrijpen. Maar Gerrit, die net nog gniffelend om zijn kolos­sale grap koffie stond in te schenken, springt plotseling bijna in de houding. Ik kijk om en zie dat Hans, de directeur, onopgemerkt is binnengekomen.   Tot op dit moment heb ik hem nog nooit openlijk kwaad zien worden. Het is een bij­zonder angstaanjagend gezicht. Hij loopt naar Gerrit, kijkt hem recht in de ogen met een blik die mij door de grond zou laten zinken en zegt alleen maar: ‘Me­neer Van Veen, u kunt uw kantinesleu­tels inleveren bij de hoofdbe­waar­der en meteen door naar uw paviljoen. Uw baantje is vanaf heden vacant.’ Ik zie dat Wouter zich bij deze woorden wat ontspant. Met trillende handen brengt hij zijn kopje naar zijn mond en drinkt het leeg. Gerrit staat even als bevroren met in één hand een kopje en in de andere een koffiekan. Dan zet hij beide langzaam op het aanrecht, zoekt even in zijn broekzakken en legt de sleutels voor Hans neer. ‘Aan de hoofdbewaarder zei ik, Van Veen.’ Als een geslagen hond pakt Gerrit de sleutels weer op en druipt af. Dan wendt Hans zich tot het aanwezige personeel dat zijn actie muisstil heeft gadengeslagen. ‘Meneer Van Veen kan ik zijn baantje ontnemen omdat hij hier gedetineerd is. Met jullie kan ik dat helaas niet. Maar: pas op dat je je hand niet overspeelt.’ Hij loopt achter de counter en pakt zelf een kop koffie. ‘Lopen jullie even met mij mee naar mijn kamer ? ‘ vraagt hij Wouter en mij. We laten een in dodelijke verle­genheid verke­rende meute in de kantine achter.     

Op zijn kamer infor­meert Hans of Wouter het wel uit kan houden hier tussen die macho’s met hun hufterige gedrag. Of hij niet liever naar de buitenre­classering wil.‘Geen sprake van. Het was even een dreun die opmerking en vooral de reactie van de collega’s. Maar over het algemeen zijn de meesten wel bijgedraaid en heb ik weinig last. Ik zal er toch mee moeten leren omgaan, Hans. Buiten is het echt niet veel beter hoor, geloof me.’ We worden onderbroken door een luid geklop op de deur. Wim, de geestelijke verzorger steekt zijn hoofd om de hoek en vraagt: ‘Weten jullie al dat Meneer Klein vandaag vertrekt ? Hij wordt zo meteen vrijgela­ten.’ ‘Wat fantastisch voor die man,’roept Wouter enthousiast,’die ging echt langzaam dood tussen al die boeven hier.’ ‘Maar stel je voor dat hij linea recta naar Woerden terug­gaat ?’ vraag ik. ‘Jezus, hij zal dat toch niet…Wim, we moeten hem nog spre­ken vóór hij weggaat. Als hij naar Woerden gaat, wordt hij ge­lyncht door de familie van die vier Turken die hij per ongeluk heeft opgeblazen.’

Ach, meneer Klein. Zo tragisch die geschiedenis. Meneer Klein was 54 jaar oud en niet zo slim, had zijn hele leven hard gewerkt als schoenmakersknecht en woonde nog steed­s bij zijn moeder. Die verhuurde twee etages aan Turkse mannen, die in een fabriek werkten. Na de dood van zijn moeder was meneer Klein danig in de war geraakt en was gaan denken dat iedereen hem moest hebben. Omdat hij zijn bovenburen niet kon verstaan had in zijn brein het idee postgevat dat zij hem wilden ver­moorden om zijn geld. Hij was zo ten einde raad geweest dat hij besloot zich te vergassen. Dat was danig uit de hand gelopen. Meneer Klein had zich op het laatste moment bedacht en was zonder de gaskraan weer dicht te draaien het huis uitgegaan. Een half uur later stond het hele pand in lichter­laaien; de Turkse buren hadden de geiser aangedaan, waarna het opge­hoopte gas ont­ploft was. Drie doden en een zwaargewonde.     Kennelijk had de rechter vandaag besloten dat meneer Klein niet meer dan doodslag te verwijten viel. Met aftrek van het voorarrest zat zijn straf van een jaar er alweer op.      We hadden de afgelopen maand vaak met hem gepraat over zijn obsessie om weer in Woerden te willen wonen. Geen benul had hij van wat dat kon betekenen voor de familie van de omgekomen mannen en wat dat wellicht voor wraak kon oproe­pen. Ieder gesprek over dit onderwerp eindigde hij met de kreet: ‘Ik wil naar Woer­den.’ Daarbij trok hij een pruillip en draai­de hij zich demon­stratief van ons af. Einde dis­cus­sie. ‘Zullen we meegaan om het hem te zeggen ? ‘ stel ik voor, ‘misschien kunnen we hem toch nog ompraten.’ We laten Hans achter op zijn kamer. Hij heeft straks een vergadering met de beklagcommissie over een aantal straffen die volgens gedeti­neerden onterecht zijn uitgedeeld.      

Samen met de inmiddels gearriveerde parketwacht gaan we naar paviljoen 1. We lopen met de dienstdoende bewaarder naar Kleins cel.      Als de deur opengaat heeft niets mij voorbereid op het­geen we te zien krijgen. Meneer Klein zit onderuitgezakt aan zijn tafeltje. Met de botte schaar waar­mee hij altijd plaatjes uit tijdschriften knipte, heeft hij het voor elkaar gekregen om de slagader in een van zijn polsen door te kerven. Zelfs zijn kanarie zit onder het bloed. Voor hem op tafel ligt een vel papier. Bij het lezen van de bebloede tekst slaat de kou me om het hart. In zijn kinderlijke hand­schrift staat er wel honderd keer ge­schre­ven: ‘Ik wil naar Woerden, ik wil naar Woerden, ik wil naar Woer­den…’

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.