7. De bommelding

Het is zomer 1984 en zondagmiddag.

De helft van de groep is naar huis. Vanavond komt iedereen weer terug. Hopen we. Alle kinderen spelen buiten, ook die van de buurtgroe­pen. Marcel loopt naar me toe en vraagt of hij volgend weekend weer buiten in een tentje mag slapen. ‘Wie weet schooier, als je braaf bent.’ ‘Ik was toch braaf, ik heb al weken geen fikkie gestookt.’ zegt hij met een verongelijkt gezicht. ‘Houden zo jochie. We zien aan het eind van de week wel hoe je je gedragen hebt en of er reden is voor een belo­ning.’­ Hij wijzigt zijn tactiek en komt tegen me aan staan terwijl hij zachtjes in mijn nek zoent. Marcel,de acht­ja­rige pyromaan, is ook erg lief. Als het hem uitkomt. In de psychia­trie heb ik met verbazing en soms af­grijzen psychopaten meege­maakt. Vaak waren het interessante en aan­trek­kelij­ke mensen, die stuk voor stuk maar met één ding bezig waren: hoe krijg ik zo vlug mogelijk mijn zin. De een zocht het in ter­reur, de ander in vlijen. Vaak probeerden ze beide. Die onver­wachte wisseling in gedrag overviel me steeds weer. Het ene moment charmant en inne­mend, het andere kil en meedo­genloos. Voor deze doorgaans ernstig verwaarloosden be­staat ‘voor wat hoort wat ‘ niet. Voor mij was het vrijwel onmoge­lijk me in te leven in hun gevoels­armte ten opzichte van andere mensen. Hoewel ik na een ontmoeting met hun ouders of andere verwanten me soms wat meer in hen kon verplaatsen.      Marcel is een psychopaatje in de dop. Het duurde lang voor ik dat stempel accepteerde, maar het valt niet te ontken­nen. We hopen hem te redden van een toekomst achter de tralie­s door hem veel positieve aandacht te geven wanneer hij zich goed gedraagt en hem te straffen indien hij dat niet doet. In de circuswereld noemen ze dat dressuur.      Ik duw hem zacht van me weg en zeg dat hij iets moet ver­zinnen om de dag door te komen. Even later loopt hij met een doos lucifers te parade­ren. Uit een ooghoek kijkt hij naar mijn reactie. De dag is nog jong, dus voorlopig negeer ik hem.  

Na het theeuurtje, dat zonder noemenswaardige incidenten ver­loopt, sta ik samen met Klaas af te wassen. Hij gaat voorlopig niet naar huis. Zijn ouders blijven hem mishandelen en boven­dien wordt hij steeds agressiever tegen zijn moeder. ‘Dat mes moeten jullie echt laten slijpen hoor, want daar kun je nog geen boterham mee doorsnijden,’ babbelt Klaas terwijl hij zeer consciëntieus een glas droogwrijft.  Hannah loopt binnen en valt puffend neer op de bank. ‘Godallemachtig wat is het heet. Mag ik voor ons allemaal limonade maken ? ‘  Terwijl ze daarmee bezig is stapt Floortje samen met buurman Dobbermanpincher naar binnen. Ze kriebelt achter zijn oren en fluistert hem allerlei onverstaanbaars toe. ‘Hè Floor, ik heb al tachtig keer gezegd dat je die viespeuk niet naar binnen mag halen.’ ‘Waarom toch niet. Hij is hardstikke lief hoor,’ zegt ze verontwaardigd. ‘Vast wel, maar hij gaat toch naar buiten. Hier, neem een kaakje voor hem mee en geef hem wat water.’ Terwijl Floor mopperend Dobberman naar buiten laat, heeft Klaas het laatste kopje in de kast gezet en loopt naar de boeken-en spelletjes­kast. Na enige aarzeling haalt hij het Majong spel tevoor­schijn. Zijn grootste schat. Zorgvuldig zet hij het spel op tafel. Hij haalt een cassette met ivoren stenen uit de doos en streelt voorzichtig over het gladde oppervlak. ‘Als ik later groot ben word ik spellenmaker. Van echt móóie spellen hoor, niet van die domme dingen zoals Mens erger je niet of Ganzenbord. Biljardballen zijn ook van ivoor hè Marianne ? ‘ kwebbelt hij vrolijk terwijl hij de muur opzet. ‘Nou, tegenwoordig niet meer hoor. Ze maken ze nu van kunst­stof.’ Voor de opvoedkundige touch voeg ik er aan toe: ‘ Het mag niet meer hè, ivoor gebruiken. Weet je ook waarom niet ? ‘ ‘ Tuurlijk ! Olifanten zijn beschermde diersoorten, dus hun slagtanden ook.’ Intussen heeft hij de vierzijdige muur ge­bouwd en kijkt verwachtingsvol om zich heen. ‘Wie doet er mee ? ‘ Zoals altijd lopen de kinderen niet meteen warm voor een spel. Winnen vinden ze leuk. Verliezen kunnen ze bar slecht. En hoe begrijpelijk dat ook is, het hoort nu eenmaal bij een spel. Door het samenspelen ervaren ze lang­zaam aan dat dit winnen en verliezen hen helpt echte tegensla­gen in het leven te incasse­ren. Maar spelletjes doen wordt veel aantrekke­lijker als ‘de leiding’ mee­doet; dán worden ze en­thousi­ast. Ze hebben vandaag mazzel dat ik dienst heb, want ik ben dol op spelle­tjes. Na de eerste ronde waarin Klaas een prach­tige Majong via een ‘Spel van de hoge heren’ heeft gemaakt, glip ik er tussen­uit en ga op de bank zitten met een boek. Ik zit nog geen seconde als Dennis naast me komt zitten en vraagt of ik voor wil lezen. Hij is een scheet, maar hij leest slec­ht. Dus sluit ik een compromis. ‘Als je eerst zelf een stukje leest.’ Net als hij wil beginnen met Joris en de toverdrank stom­me­len de vader en moeder van Nicolette de groep op. Bob ziet er weer uit alsof hij een week niet heeft geslapen en loert door een Blues Brothers zonnebril in mijn richting. Sylvia heeft zich ook vandaag weer uitgesloofd om er zo clean moge­lijk uit te zien. Met kleine pupillen van de dope probeert ze haar overge­voelige ogen op een kiertje open te houden. Zonder een van de kinderen te groeten, ploffen ze neer op de bank, doven hun shaggies en beginnen onmiddellijk nieuwe te rollen. How’s life ? ‘vraagt Bob mij. ‘Met mij gaat het lekker, maar van jullie kun je dat niet zeggen geloof ik.’ Ook ik haal mijn pakje shag tevoorschijn. ‘Ik zweer ‘t je, we hebben geen heroïne gebruikt. Alleen maar een stickie.’zegt Sylvia. ‘Waar is Nicolette ? Zeker weer ziek, de trut.’ Sylvia’s vragen zijn bijna altijd retorisch. Ik zie aan haar dat ze, terwijl ze de vraag stelt, Nico­lette alweer vergeten is. Ik reageer er expres serieus op, in de hoop iets van verant­woordelijkheidszin op te wekken. ‘Nicolette is op de buurtgroep met een vriendinnetje aan het spelen. Ga maar kijken. Bob, wil jij misschien koffie gaan zetten en wat koekjes pakken ? Er komen zo nog meer ouders.’ Niet erg enthousiast hijst Sylvia zich overeind en slentert met een sigaret in de mondhoek naar buiten.  Bob opent en sluit luidruchtig de keukenkastjes.  ‘ Tering, waar hebben jullie die klotekoffie verstopt ? ‘ ‘Niet zulke taal op de groep Bob,’ zeg ik, geërgerd door zijn onnadenkendheid. ‘Ga je nu nog voorlezen ?’ vraagt Dennis ongeduldig. ‘Ik kom eraan lieverd. Lees eerst het hoofdstuk maar uit.’

Ik moet nu snel bedenken hoe ik zowel de kinderen als de ouders aan hun trekken kan laten komen. Mijn collega, die even met een paar kinderen naar de avond­winkel was, komt gelukkig net bin­nen. Nathalie rent op me af en begint een heel ver­haal over een dronkenlap die een plank met flessen omver­lazer­de. ‘Even niet Nathalie,’roep ik,’ Marijke, zullen we de taken gaan verdelen voor het hier een zooitje wordt ? ‘ Ik zie dat Dennis voorlopig nog ingespannen aan het lezen is, Hannah buiten op de schommel zit met een walkman op en Klaas en Floor hun zoveelste Chinese muur aan het bouwen zijn. Waar is Marcel eigenlijk ?  ‘Hier is koffie en koek,’ zegt Bob terwijl hij een mok en wat kaakjes in mijn handen duwt. Tot mijn stomme verba­zing gaat hij vervolgens naast Dennis zitten, pakt het boek uit zijn handen, bladert het wat door en zegt: ‘Lijkt me een tof boek. Zal ik je voorlezen ?’

In het kantoortje overleg ik met mijn collega hoe we de rest van de middag en avond zullen aanpakken. Het bezoeken en het terugbrengen van de kinderen brengt altijd emotionele tafere­len met zich mee. Marijke zal vooral de kinderschaar in de gaten houden en gezamenlijke iets gaan ondernemen en ik zal mij ontfermen over de diverse familiele­den.      Eerst maar eens Bob en Sylvia onder handen nemen. Nico­lette wil eigenlijk niet meer naar hen terug, maar durft het niet te zeggen. Ik vermoed evenwel dat haar wens een pak van hun hart zal zijn. Net heb ik een pittig gesprek met Nicolette en haar ouders achter de rug, als de oma van Dennis en zijn blinde vader binnenkomen. Oma stevent recht op mij af en begint me, zonder enige inleiding, en pleine publique de les te lezen. ‘Het is een schande dat je Henk de vorige keer verbood om zijn kind te zien. Wie denk je wel dat je bent, snotneus. Dat arme schaap. Zijn echte ouders laten hem stikken en de mensen die hem liefdevol in huis opnemen kunnen barsten van jullie. We pikken het niet meer.’ Ik sta op en wacht met mijn armen over elkaar tot mevrouw is uitgeraast. Om mij heen is het muis­stil geworden. Klaas en Floortje hebben hun spel gestaakt, Nicolette en haar ouders komen om de hoek van de kamer kijken. Dennis springt op en rent naar zijn vader. Met een triomfante­lijke blik in haar ogen kijkt oma me afwach­tend aan. ‘Als u klachten heeft over mijn manier van werken, me­vrouw Evertse, is dat uitstekend. Alleen sta ik niet toe dat u mij hier, in het bijzijn van de kinderen, voor snotneus uit­maakt. Als u daarmee doorgaat zult u het pand moeten verla­ten. Ik wil alleen met u en uw zoon praten als dat op een fatsoenlijke manier kan.’ ‘Een-nul voor Marianne,’ roept Klaas, enthousiast in zijn handen klappend. Hij is stiekem vlak achter me komen staan. ‘Bemoei je niet met zaken van volwassenen jochie. Wegwe­zen.’ zeg ik, maar ik voel me toch gesteund. Dennis’ vader is inmiddels erbij komen staan. Voor iemand die op latere leeftijd blind is geworden, weet hij verdomd goed zijn weg te vinden. Hij draagt geen bril en kijkt je ook steeds aan, lijkt het. Toen ik hem voor het eerst ontmoette, was het mij ontgaan dat hij blind was. ‘Moeder, hou nu alsjeblieft je mond. Je verpest de hele sfe­er.’zegt hij en maant haar te gaan zitten. ‘Wel ja, keer jij je nu ook nog tegen je bloedeigen moeder ? Als ik er niet was, wie zou dan voor Dennis zorgen ?’ Oma pro­beert haar geschonden imago te redden door zich nu op haar zoon te wer­pen. Snel kom ik ertussen door hen koffie en koek aan te bieden en voor te stellen apart te gaan zitten. Ik kijk even naar Marijke, die bezig is met de andere kinde­ren. Ze knikt dat het goed is en ik ga samen met oma, haar zoon en Dennis, in ons kantoortje zitten. Door de glazen deur hou ik een oogje op de groepsruimte. 

Tijdens een verhit gesprek met oma ruik ik ineens brand. Ook de vader van Dennis heeft het geroken. Hij springt over­eind en gooit een stoel om. ‘Stil Henk, dadelijk hebben we paniek in de tent. Blijf hier bij je moeder en Dennis; ik ga kijken waar het vandaan komt.’ Ik duw de glazen deur open en richt mijn neus naar de brand­lucht. Klaas en Floor zijn al ge­stopt met Majongen en staan gebiolo­geerd te kijken naar een rooksliert die traag uit het trappenhuis komt zweven. ‘Marijke, snel, wie zijn er boven?’ roep ik. ‘Marijke is al naar boven gerend,’ meldt Hannah. ‘Let jij erop dat iedereen beneden blijft?’vraag ik haar en ben in vier stappen boven. Een vette zwarte walm drijft uit de kamer van George en ik hoor Marijke bezig met de brandblusser. Een jongetje met een zwart­beroet gezicht komt de kamer van George uitzetten. Hij kijkt verschrikt achterom. ‘Marcel, wel verdorie nog aan toe, heb je nu weer een fikkie gestookt ?’zeg ik terwijl ik hem hardhandig bij zijn arm grijp en naar me toe haal. ‘Laat me los kankerwijf, ik heb het helemaal niet gedaan. Het was de lamp van George.’ Woedend probeert hij zich los te rukken. Ik trek hem mee naar de deuropening en vraag Marijke die alles onder controle zegt te hebben wat de oorzaak is. ‘Er ligt hier op bed een spot van 200 watt nog na te smeulen, dus dat zal wel de boosdoener zijn.’ George dus, de electriciteitfreak. Hoe kan dat, hij is toch het week-end naar huis ?? Marijke staart naar een plek vlak achter mij. Ik draai me om en zie George breedgrijnzend staan, met de armen over elkaar en een uitdagende blik. Surprise !’zegt hij en voordat ik iets kan zeggen:’het was zo’n teringzooi thuis dat ik maar besloot de benen te nemen.’ Marcel ziet zijn kans schoon en glipt onder mijn armen door de trap af. Ik laat hem gaan.

     Tot het eten zijn we bezig met redderen. Bob en Sylvia en zelfs de oma van Dennis helpen mee. De kamer van George is voorlopig onbewoonbaar en niemand wil hem vrijwillig op de kamer. Het is sneu, maar vooral ook zijn eigen schuld. Hij is altijd bezig anderen voor zijn karretje te spannen en als dat niet goedschiks kan, dan maar kwaadschiks. Menig kind draagt, inwendig of uitwendig, de sporen van Georges optre­den. ‘Je kunt op Michels kamer tot hij morgen terugkomt.’ besluit ik, opgelucht dat deze mogelijkheid er is. Ik ben erg moe en heb geen zin in verdere conflicten.

     Sinds de dag dat Theo werd ontmaskerd kan ik geen kwaad meer doen bij de meiden en als makke lammetjes dekken ze de tafel en helpen met koken en afwas­sen. Om acht uur liggen alle kleintjes voorgelezen en gebaad in bed. 

Net als Marijke en ik ons met een clubje oudere kinderen in de televisiehoek hebben genesteld, klinkt een snerpende gil door de ruimte. Het lijkt van de slaapverdieping te komen. Ik schiet overeind en ren, met Marijke direct in mijn kiel­zog, naar boven. Een paar kinderen staan klappertan­dend van de angst bovenaan de trap. In de lege ruimte voor de slaapkamer­tjes zie ik Marcel, van top tot teen naakt en beschilderd met fel ge­kleurde verf. In één hand heeft hij een stok waar aan de bovenkant een groot vleesmes is vastgebonden. Als een bajonet steekt hij die voor zich uit en slaakt ijselijke kreten. Ik doe een stap naar hem toe maar hij springt abrupt naar voren en priemt met het mes in de richting van mijn hoofd. Ik deins terug waardoor ik bijna de kinderen de trap afduw. Naar beneden jullie, komop, snel.’ sommeer ik ze. Even later zijn Marijke en ik alleen met de bloeddorstige krijger. Dat het menens is werd mij meteen duidelijk toen ik boven kwam en zijn uitrusting zag. Hij speelt geen indiaantje, hij ís er een en wil ons willens en wetens grijpen en pijn doen. Maar hoe hem te ontwapenen ? Standaardprocedures zijn er niet. Koortsachtig zoek ik naar een mogelijk wapen. Maar de ruimte is kaal, juist omdat we af wilden van te veel losse spullen waarmee ze elkaar de hersens in konden slaan. Marijke heeft zich verscholen in het trappenhuis, klaar om te assisteren als ik het niet red. Zoveel mogelijk zaken alleen opknappen is het devies, anders verlies je iedere geloofwaardigheid tegenover de kinderen. Ja, leuk bedacht, maar hadden we het toen ook over een achtjarige woesteling met een assegaai ?  ‘Marcel, hou op met die flauwekul, je kunt hier niet de hele avond mee doorgaan. Geef die stok hier en ga douchen.’ Als antwoord stoot hij opnieuw een dierlijk gebrul uit en slaat woedend met zijn ‘speer’ op de grond. Marijke vraagt fluiste­rend of ze moet helpen. Ik knik heel even met mijn hoofd en duik dan ineens naar Marcels benen. We slaan allebei tegen de grond en terwijl Marijke hem de stok ontfutselt worstel ik om de gillende jongen, die door zijn razernij zo sterk als een dolle stier lijkt te zijn, met zijn rug tegen mijn borst tussen mijn benen geklemd te krij­gen. Het begint me aardig te lukken, alleen krijg ik het niet meteen voor elkaar om mijn armen onder zijn oksels te wurmen en zijn armen kruis­links over elkaar te leggen zodat ik zijn polsen stevig met mijn handen kan veranke­ren. Hij slaat woest om zich heen waarbij hij mijn neusbeen­tje weet te raken. De pijn snijdt als een scheermes door mijn hoofd en ik moet mijn pogingen hem in bedwang te krijgen noodgedwongen even staken. Net als hij mij dreigt te ontglippen zie ik door mijn van pijn dichtge­knepen oogleden dat Marijke voor ons op de grond zit en zijn beide polsen stevig beet heeft gepakt. ‘Zal ik hem overnemen of gaat het weer?’ vraagt ze buiten adem van de inspanning. Als antwoord pak ik snel zijn handen over, klem mijn bovenbe­nen om zijn onderbenen en druk hem stijf tegen mij aan. Ik schuifel wat achteruit tot ik de muur tegen mijn rug voel.      Deze houdgreep is, als het eenmaal gelukt is iemand erin te krijgen, de ideale manier om een tegenstan­der uit te scha­kelen. De idee erachter is dat je iemand be­hoedt voor verder onheil en hem dusdanig vasthoudt dat hij niet letter­lijk onderdrukt wordt, zoals wel het geval is wanneer je er bovenop gaat zitten. Nu heeft hij de gele­gen­heid om te gillen en te vloeken en voelt tegelijk voortdu­rend intens lichamelijk contact. Die combina­tie van stevig vasthou­den en tegelijk gelegenheid geven om opgehoopte woede en frus­traties te uiten, leidt vaak tot een catharsis. Vooral bij kinderen.       Marcel probeert ver­woed om los te komen. Hij schudt wild heen en weer met zijn lijf en vloekt mij intussen stijf. ‘Kanker..tyfus..wijf..vuile..hoer..blijf..met..je..cole­re­..po­ten..van..me..af…’ ieder woord stoot hij hijgend uit zijn mond. Ook al is deze houdgreep relatief gemakkelijk vol te houden, door het onophoudelijk getier en geworstel van het slachtoffer treedt er uiteindelijk toch vermoeidheid op. Ik probeer aan iets anders te denken terwijl Marcel in mijn innige omhelzing tegen me brult, vloekt, krijst en vecht. Het kan uren duren als ik pech heb. Net als ik ieder tijdbesef begin kwijt te raken, hoor ik dat het schelden niet langer mijn persoon betreft, maar zijn moeder. Een uur later kan ik hem voorzich­tig wat losser laten en laat hij zich zachtjes geruststellend toespreken. Terwijl ik hem nog steeds tussen mijn benen ge­klemd houd aai ik met een hand over zijn bezwete bol. Na een poosje voel ik hem geheel verslappen en is hij in slaap gevallen. Dan pas zie ik dat we publiek hebben. Met grote ogen kijken Hannah en Nicolette toe hoe ik Marcel oppak en naar zijn bed draag. Marijke is naar boven gekomen met een  beker dampende koffie. ‘Ik heb er een scheutje cognac ingedaan.’ zegt ze met een knipoog.      Bekaf strompel ik de trap af en zijg neer in een luie stoel. ‘Goddómme, wat een baan. Je kunt me opvegen. Tsjonge­jon­gejon­ge…! ‘

Zuchtend en kreunend laat ik mij de rest van de avond door mijn collega en kinderen verwennen. Daan heeft samen met Marijke de bajonet onschadelijk gemaakt en voor de zekerheid alle messen en scharen in de leidingkast gelegd.      Later helpen Hannah en de van weekend teruggekomen Shari­fa mij met het klaarleggen van de kleertjes voor de kleineren uit de groep. Nathalie’s kast is vreemd genoeg op slot. Dan komen haar kleren morgen wel, anders moet ik haar wakker maken voor de sleutel.

     Marijke en ik gaan nog even bij Marcel kijken. Zo weer­loos als hij er nu uitziet. Zacht snurkend ligt hij languit op bed, zijn lange wimpers trillen en zijn oogbollen draaien druk heen en weer onder zijn gesloten oogle­den. De oorlogskleuren zijn uitgelopen en laten vieze sporen na op zijn kussensloop. Ik trek een deken over hem heen. Dan sluipen we zijn kamer uit en de trap af. Morgen zullen we overleggen wat we verder met hem aanmoeten. Of we hem wel hier in de groep kunnen houden.  

Tegen half elf liggen alle kinderen in bed en ik loop nog even langs Cor, de nachtwacht. Hij belooft me een extra ronde langs Marcel te maken. Omdat ik de volgende dag toch ochtenddienst heb en ik de gevolgen van mijn vechtpartij met Marcel begin te  voelen, besluit ik de nacht hier door te brengen. Tegen half twaalf lig ik gedouched en wel in bed en glijd weg in een diepe slaap.      ‘Marianne, wordt wakker, snel !’ Midden in een nachtmer­rie waarin een begrafenisondernemer mij met een mes achterna­zit, aangemoedigd door een gil­lende Marcel, schiet ik wakker en tref Cor naast mijn bed. ‘Er hing daarnet een idioot aan de lijn die beweert hier in het pand een bom te hebben gelegd, die morgenochtend om half acht afgaat.’  Even denk ik dat dit nog steeds die nachtmerrie is, maar dat idee verdwijnt snel. Ik spring uit bed, trek mijn kleren aan, en loop met Cor naar zijn kantoor.  ‘Vertel het nu nog eens precies. Wat zei hij, voor wie sprak hij, en wanneer belde hij,’ dring ik aan. ‘Hij zei dat onze organisatie een grote nazibende is die jongeren in isoleers opsluit. Het ging over het OCJ, weet je wel, die…’ ‘Ja ja, dat weet ik. Die hebben isoleercellen in hun nieuwe pand laten bouwen…, maar wat zei hij nou precies ? ‘Dat hij van het Autonome Front was, dat ze een bom hadden neergelegd, en als er geen verklaring kwam van de directie dat ze die isoleers zouden afbreken of als we de politie zouden bellen, dan zou die bom om 7.30 uur ontploffen.’ Ik kijk onwillekeurig op mijn horloge. Het is bijna twee uur. Het koude zweet breekt me uit. Er zijn in totaal 65 kinde­ren in huis, tussen de vijf en vijftien jaar. Cor en ik zijn de enige volwassenen, de enige verantwoordelijken. Moeten we toch niet de politie bellen, moeten we voor de zekerheid al ontrui­men, moeten we de directeur waarschuwen… Ineens dringt tot mij door dat er eigenlijk geen ram­pen­plan is, maar daarover mekke­ren heeft nu weinig zin. ‘We bellen Leo op,’beslis ik, ‘die moet maar komen en het zaakje opknappen. Hier word ik niet voor betaald.’ Cor belt de directeur, die doodgemoedereerd zegt dat we de politie maar moeten bellen, want het zal heus wel een grapje zijn. Zelf komen lijkt hem nog niet nodig en ontruimen is absoluut uit den boze. ‘Eigenlijk zouden we nu enorme stampei moeten maken, de kloot­zak,’bries ik, maar dat lijkt weinig zinvol. Het is twee uur in de ochtend en als die joker echt een bom heeft gelegd gaan we over vijf en een half uur allemaal de lucht in. De wereld zoals ik die een paar uur geleden dacht te kennen bestaat niet meer. Ik wil net voorstellen de politie  toch maar te bellen, als de telefoon gaat. Verstijfd van schrik kijken Cor en ik elkaar aan. ‘Zal ik hem aannemen ? ‘ vraag ik klappertandend. Cor ziet asgrauw en knikt alleen maar. Ik gris de hoorn van de haak en zeg ferm: ‘Kinderhuis Kamperoord, met Mari­anne Ligthart.’ ‘Jullie hebben nog niet ontruimd hè, en ook niet de politie gebeld. Heel verstandig. Maar waar blijft die direc­teur met zijn belofte om de isoleers op te doeken ? Ik zou maar op­schieten, want vijf uur is zo voorbij…’  Voordat ik iets kan terugzeggen, heeft hij alweer opgehangen. Ik probeer mij voor te stellen waar hij vandaan belt. En waar die bom, als die er is, zou kunnen liggen. Het kinderhuis bestaat uit acht kleine huizen die onderling door overdekte gangen zijn verbonden. Die bom kan echt overal zijn. Zou de politie dat in vijf uur kunnen uitpluizen ? ‘Wat zei-ie ? ‘ vraagt Cor zenuwachtig. ‘Hetzelfde als eerst. We moeten nu echt de politie bellen.’ ‘Maar hij zei juist dat dat niet mocht !’roept Cor in pa­niek. ‘Ja, dat klopt, maar ik denk niet dat hij het te weten kan komen. En Jezus, we moeten toch wát.’     De politie arriveert razendsnel; een hoofdagent, twee gewone agenten en een man van de Mijnopruimingsdienst. Ik verkeer nu in een voortdurende staat van opwinding; mijn zenuwen lijken in open verbinding te staan met de buitenwe­reld.       Terwijl de bomexpert met twee agenten langs de buiten­kant van het pand sluipt, stelt de hoofdagent vragen. Of er vandaag vreem­den met een verdacht pakje in het pand zijn gesignaleerd. Ik barst in hyste­risch gelach uit en vraag de goede man of hij wel beseft hoe de situatie hier is. Acht aparte huizen, met elk twee groepswerkers en twaalf kinderen, een komen en gaan van kan­toorperso­neel, ouders, vriendjes, therapeuten en leve­ran­ciers. Het wemelt hier dagelijk van ‘vreemden met pakjes,’ in aller­lei soorten en maten . De hoofdagent laat zich niet van zijn stuk brengen en noteert: ‘Meerdere vreemden, meerdere ruimtes. Niet te controleren dus.’      De mijnopruimer komt na een uur terug en meldt triomfan­telijk dat hij, zo op het eerste oog, geen bom heeft kunnen vinden. ‘Ik denk niet dat het serieus is. Hij heeft ook helemaal niet meer gebeld hè ? Ik vermoed dat hij hier in de buurt in een telefooncel heeft staan kijken of jullie actie zouden onder­nemen, en nu dat gebeurd is heeft hij zijn kick gehad en de benen genomen. Ik vind dat we niet hoeven te evacueren. We kunnen wel gaan.’ Verbouwereerd kijk ik hem aan en hoor de hoofdagent zeggen dat hij zich wel kan vinden in deze analyse. ‘Welke analyse ?’roep ik boos,’ik ben niet zo onder de indruk van de argumenten van die mijnopruimingsmeneer. Het kan net zo goed wél een gek zijn. Bovendien is zijn motief niét uit de lucht gegrepen. Weet u wel dat er al eerder dreigemen­ten met geweld zijn ge­weest rond die isoleercellen ?’ ‘Mevrouw, ik denk echt dat die expert gelijk heeft. We hebben vaker met dit bijltje gehakt en ik voel gewoon dat dit een misplaatste grap is. We gaan. Als hij zich weer meldt, belt u ons dan gerust weer op. Mijn naam is trouwens Grijp­stra.’ Ook dat nog, een hoofdagent met de naam uit een detec­tivever­haal. ‘Als u zo overtuigd bent van een practical joke, waarom blijft u dan niet bij ons tot half acht ?’vraag ik Grijp­stra,’en wellicht wil de Gier ons ook gezelschap hou­den.’ ‘De Gier ?’ vraagt de mijnopruimer verbaasd,’mijn naam is.­…’ ‘Wat kan mij uw naam schelen, man,’ schreeuw ik woedend, ‘blijf hier of rot op !’De wakkere mannen verdwijnen verontwaardigd in de nacht. ‘Wat nu ?’ vraagt Cor.  ‘Niks,’ zeg ik. Het liefst zou ik de benen nemen. Waarom doe ik dat dan niet als ik die mannen echt niet geloof ? Wil ik hen misschien graag geloven, is het een soort bezwering van een twijfel­ach­tige situatie die eigenlijk alleen kan worden opgeheven door te ontruimen ? Een extreme ingreep. 65 Kinderen op straat, ouders erbij, de pers. Precies wat dat Autonome Front wil en precies wat de directie niet wil. En ik ben maar een eenvoudige werkne­mer, die morgen op straat kan staan omdat ik tegen het besluit van Leo in ben gegaan. Ben ik nu laf door níet te ontruimen, of juist door wél te ontrui­men ? ‘Weet je wat, ik ga naar bed.’ besluit ik, ‘Roep me maar als-ie weer belt en dan zien we wel.’ 

‘Wakker worden, ik wil ontbijten.’ Nathalie is op mijn bed gesprongen en dreigt mij te verpletteren met liefde. ‘Zet alvast theewater op en laat het bad lopen,’ mompel ik slaperig. In mijn achterhoofd begint langzaam maar zeker iets te dagen. Hoe laat is het ? ‘ vraag ik plotseling. ‘Kwart over zeven pas joh,’ zegt Nathalie, terwijl ze beval­lig met haar dikke lijfje bovenop mij ploft. Ik kom abrupt overeind, schuif haar opzij en sta in een secon­de met bonzend hart naast mijn bed. Over een kwartier gaat de bom af, flitst het door mijn hoofd. Gewoon doorgaan met de routine van de ochtend. Aankleden, thee zetten, tafel dekken, kinderen wekken, ontbijten en dan wordt het vanzelf acht uur. Als een zombie loop ik naar de woon­kamer. Nathalie is moppe­rend naar de badkamer verdwenen en ik hoor gekletter van water. Thee zetten. Kom op, er is geen bom. Zou het erg veel pijn doen of ben je er gewoon van de ene op de andere seconde niet meer ?

‘Kijk eens wat ik in mijn kast heb gevonden ?’ Nathalie komt bijna struikelend over een haastig omgeslagen bad­handdoek de woonkamer ingerend. In haar hand een langwerpig pakket waarin dikke staven lijken te zitten. Zonder een secon­de te aarzelen ruk ik het pakket uit haar handen, race naar de badkamer en gooi het om twee minuten voor half acht in het inmiddels volgelopen bad. Met de vingers in mijn oren en mijn ogen stijf dicht wacht ik op de dingen die komen gaan. ‘Wat sta jij daar nou maf ?’ vraagt iemand. Ik doe mijn ogen open en zie hoe George het door­weekte pakket uit bad vist. ‘Laat liggen !,’ gil ik hysterisch. Maar George draait zich woedend om en zegt:

‘Godverdomme ! Welke ongelooflijke klootzak heeft mijn vuur­pijlen in bad gegooid ?’

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.