6. De stagiair met de losse handen

 

Amsterdam, Herfst 1983.

Ik ben onderweg naar de Oosterbegraaf­plaa­ts. Eigenlijk ben ik al veel te laat. Het loopt tegen twaalven en Daan’s moeder zou om twaalf uur begraven worden. Ik gooi mijn fiets tegen het hek en snel het kerkhof op. Ik ben er nog nooit eerder geweest dus heb geen flauw idee waar ik moet zijn. Ik sla het eerste het beste pad in, zoe­kend naar een groepje mensen dat de indruk wekt op weg te zijn naar een begrafenis. Onwillekeu­rig vergaap ik mij aan de oude bomen die zich met een bescher­mend gebaar over de nauwelijks zichtbare graf­per­ken buigen. Een troostrijke plek.      Intus­sen maak ik me erg bezorgd om Daan. Deze dappere Dodo van dertien jaar, die zijn hele leven heeft gezorgd voor zijn kleine zusje en een alcoholverslaafde moe­der, zal wel in alle staten verkeren omdat ik er nog niet ben. Als het me niet lukt hem te helpen zijn moeder te begra­ven is dat een ramp. Geen knip voor mijn neus zal ik nog waard zijn in zijn ogen en ik zal hem moeilijk ongelijk kunnen geven. Wat ben ik ook een rund om niet tevoren te infor­meren waar dat graf precies is. Ik kijk op mijn horloge en het klamme zweet breekt me uit. Het is al twaalf uur geweest, waar zijn die mensen ? Ik loop als een kip zonder kop over de be­graaf­plaats, sla links en rechts paden in, hopend op een glimp van Daan en zijn familie. In de verte zie ik iemand druk in de weer met een graf. Ik hol er naartoe en vraag of hij weet waar Me­vrouw van de Velde begra­ven wordt. ‘Geen flauw idee wijffie. Als ik dát allemaal mot gaan bij­houden. Ik heb wél een kwartier geleden een groepie mensen naar de armeluisbegraafplaats zien lopen. Mot u daar mis­schien zijn ?’ Hij kijkt me vanuit zijn geknielde houding schuin aan en neemt de gelegenheid te baat om een shaggie te rollen. ‘Een armeluisbegraafplaats ? Wat is dat in hemelsnaam ?’De man is inmiddels uit zijn devote positie verrezen. ‘Nou, nogal simpel, schat. Daar worden mensen begraven die niet verze­kerd waren en waarvan de nabestaanden ook geen geld hebben om de teraar­debestelling te betalen.’ Wijdbeens zit hij op de rand van de kuil en trekt luidruchtig aan zijn shaggie. Hij rochelt eens flink, spuugt een fluim op de pas omgewoelde aarde en vervolgt zijn verhaal. ‘En aangezien wij hier in Neder­land nu eenmaal verplicht zijn om iedere dooie te begraven of te verbranden, draait de ge­meen­schap voor de kosten op. Maar ze krijgen natuurlijk géén praalgraf, assu begrijp wat ik bedoel.’  Deze laatste mededeling doet hij met een uitdrukking op zijn gezicht die suggereert dat hij daar ook persoonlijk tegen zou hebben gede­monstreerd.    De klok tikt intussen onbarmhar­tig door, en ik sta te wiebelen van ongeduld. Mijn rug is doorweekt en mijn wollen das plakt onaangenaam tegen mijn nek.  ‘Waar is die armeluisplek ? ‘   ‘Helemaal achter­aan. Assu dit pad verder afloopt en aan het end linksaf slaat, dan zal u ze vanzelf wel zien. Is u fami­lie ? ‘ probeert hij nog, maar ik ben al aan een sprintje begon­nen.      Het duurt toch nog een tijd voordat ik eindelijk ter plaatse ben. Nerveus kijk ik op mijn horloge: het is al tegen half een. Moedeloos wandel ik door en voorbij een boom beland ik eensklaps op een onaan­gelegd paadje dat in het niets lijkt te verdwijnen. Ik zie een lap zande­rige grond met wat slecht onderhou­den zerken en ontwaar in de verte een ploegje mensen dat rond een versgedol­ven graf staat. Ik zie nu ook Daan. Ik loop dwars door de rulle aarde op hem af en voel het zand langzaam mijn schoenen binnensijpelen. Hij draait zich om, en zegt alleen maar: ‘Je bent te laat. Ze is net begraven.’ Het liefst zou ik nu zelf onder de groene zoden verdwijnen. Omdat er geen excuus is, houd ik mijn mond en loop zwijgend met Daan, zijn oom en zijn zusje naar de uitgang. Daan omhelst zijn zusje, geeft zijn oom een hand en stapt bij mij achterop de fiets. Samen rijden we naar het kinderhuis.  

Mijn collega Jan, die de ochtenddienst heeft gedraaid, ont­vangt ons op de groep. De grote eettafel is half afgeruimd. Net als bij Sneeuwwitje en de zeven dwergen staat naast ieder bord een beker met een kindernaam. Op het beduimelde tafel­kleed liggen de sporen van een gebruikte lunch. De veelkleuri­ge suikermuisjes hebben zich gemengd met gemorste melk, en mandarijnenschillen dobberen in halfleeggegeten yog­hurt­bekers. De gebruikelijke ravage na een lunch met twaalf kinde­ren. Ze zijn allemaal thuis, want het is woensdagmiddag.      Daan glipt zonder iets te zeggen langs ons heen de trap op naar zijn kamertje. Machteloos kijk ik hem na. ‘Hoe is het gegaan ‘ vraagt Jan, terwijl hij verder gaat met afruimen. Ik pik een plakje worst en zeg met volle mond: ‘Beroerd. Ik was zo stom om niet op tijd op de begrafenis te zijn. Zijn moeder was al begraven toen ik arri­veerde.’ ‘Jezus ! Hoe krijg je dat voor elkaar. En wat afschuwe­lijk voor Daan, en voor jou trouwens ook.’ Jan is aan tafel gaan zitten en trekt een pakje shag uit zijn kontzak. ‘Ik weet eigenlijk niet wat ik met hem aan moet. Ik durf niet naar hem toe. Ik schaam me kapot.’  ‘Misschien moet je hem dat gewoon laten weten.’  ‘ Misschien wel,’ zeg ik ,’Zeg, gaan we vanmiddag nog met de kids naar het Amsterdamse Bos ? Een beetje ontspanning kunnen we allemaal wel gebruiken.’ Jan inhaleert eens diep, haalt zijn hand door zijn ongeorganiseer­de bos krulhaar en zegt: ‘Dat weet ik nog niet zo net. Klaas, George en nog een paar etterbuilen zijn vannacht aan het spoken geweest op het dak. Ze hebben de nachtwacht en de buurtgroepen behoorlijk wakker gehouden, en toen ben ik opgetrommeld. Bijster gemoti­veerd voor iets leuks ben ik dus niet.’  ‘Maar daar kunnen we de rest toch niet de dupe van laten worden ? Ga jij dan met de braverikken weg en laat mij het tuig maar onder handen nemen.’      Opeens zie ik de eenogige Dobberman Pincher van de buurt­groep in onze vuilnisbak rondscharrelen. Het is een schat van een beest, in tegenstelling tot de meeste van zijn rasge­noten. Maar hij kotst altijd in onze keuken en dat hebben we liever niet. Ik jaag hem met zachte hand weg. Jan stelt voor met de dienstoverdracht te beginnen, er is tenslotte nogal wat ge­beurd. We gaan in ons kantoortje zitten dat aan de groeps­ruim­te grenst.  ‘Dat kan me nog wat worden van­avond,’zegt hij terwijl hij het overdrachtboek pakt. ‘Dat gerotzooi op het dak afgelopen nacht, jij die de begrafenis van Daan’s moeder mist, en dan nog het geintje met Marcel. Die dacht hier de boel in de fik te kunnen steken.’  ‘Wat ?,’onderbreek ik hem,’hoezo, de boel in de fik steken ? Zoiets is niks voor hem.’ ‘Nou, je houdt het ook niet voor mogelijk. Truus, die nieuwe therapeute, had bedacht dat het goed voor hem zou zijn om zijn “agressie te reguleren” door hem een fikkie te laten steken op het balkonnetje bij haar werkkamer. Ze was alleen vergeten te vermel­den dat het niet de bedoeling is dat je zoiets ook op de groep doet.’ Jan geeuwt, wrijft in zijn ogen en ver­volgt zijn relaas. ‘Verder heeft Nancy, Floor­tjes moeder weet je wel, vanochtend uit het zie­kenhuis gebeld. Haar neus­correc­tie is achter de rug en ze zou het leuk vinden als jij met Floortje vanmiddag langskwam.’ Ik voel de moed langzaam in mijn schoenen zinken. Vanochtend naar een begrafenis en vanmiddag naar een moeder die een volstrekt overbodige operatie heeft ondergaan. En dan ook nog een leef­groep waarvan de helft oorlog wil. Jan gaat verder: ‘Dat bezoek aan Nancy kan overigens niet doorgaan, want Paul heeft zich net ziek gemeld, dus een van ons tweeën moet de avonddienst overne­men. De stagiair kan niet alleen blijven. En aangezien ik vannacht al het twijfel­achtige genoegen had om hier te zijn…’      Op dat moment vliegt de voordeur open en rent er een groepje kinderen krijsend naar binnen. Klaas voorop.  ‘Als ik je god­verdomme in mijn poten krijg,’schreeuwt Geor­ge, een van de grote­re kinderen uit de groep, terwijl hij achter Klaas aanstuift. Ik kan George nog net bij zijn lurven grij­pen, maar Klaas ontglipt Jan, en rent naar de keuken. Daar trekt hij de bestekla open, graait het broodmes eruit, draait zich om en loopt langzaam terug naar zijn achtervolgers. Even zie ik alles in slowmotion. Ik ben, met George in de houd­greep, verstijfd van schrik. Jan staat ook als aan de grond gena­geld. Het lijkt wel die scène uit Ciske de Rat, waarin de Rat zijn moeder met een broodmes aanvalt nadat zij zijn enige mooie boek aan flarden heeft gescheurd. Zelfs George heeft geen tekst meer en staat nagel­bijtend af te wachten. Dan draait de film plotseling weer op volle toeren en ik ren met de kinde­ren weg van Klaas en zijn mes. Klaas is een lieve jongen, maar als hij het op zijn heupen krijgt is hij tot alles in staat. Een litteken onder het linkeroog van zijn moeder herinnert haar er iedere dag aan dat ze hem één keer teveel had geslagen. Net als ik besluit om op Klaas af te stappen, klinkt naast mij het benepen stemmetje van Floortje. ‘Klaas, laat je toch niet zo opnaaien. Straks ben jij weer de pineut in plaats van George.’  Voordat ik haar kan tegenhou­den, stapt Floor op Klaas af, die verbouwereerd zijn mes aan haar afgeeft. Ze pakt het aan en legt het terug in de la. ‘Kom, gaan we lekker buiten spelen. Laat ze allemaal maar stik­ken.’ Ze pakt zijn hand, en gaat met hem de binnen­tuin in. Jan staart met open mond naar de tuindeur. ‘Net zo doortastend als haar moeder,’ zeg ik nogal onnozel, en neem de rest van het geschrokken kinderstel mee naar de leef­ruimte. We ploffen neer op de bank. Vandaag is de wereld een gekkenhuis. Ik neem me voor me ner­gens meer over te verbazen.  Jan komt erbij zitten, met een karaf limonade, om de goede afloop te vieren. ‘Voordat jij denkt dat je klaar bent met dit ver­haal,George, kondig ik alvast maar aan dat jij van­middag nergens heengaat, begre­pen ?’zeg ik tegen de aanvoerder van de aanvallende club. Zoals altijd reageert George met een onver­schillig schouderop­halen. Het zal hem een worst zijn. Volwas­senen deugen toch geen van allen.      ‘Wat zieten julie allemaal met siep geziecht ? ‘ Sharifa, een bloedmooie meid met een gitzwarte huid en een praktisch vol­wassen lijf, is inmiddels binnen gekomen. Ze komt uit Ruanda. Ze is waarschijnlijk 14, hele­maal zeker weten haar stiefouders het niet, want met de ge­boor­tere­gistratie neemt men het daar niet zo nauw. Ze was een kleuter toen haar moe­der, die aan Aids leed, haar bij haar stiefou­ders dropte. Die kwamen naar Nederland en hadden moeite om hier te aarden. Shari­fa werd een zeer lastige puber. En nu zit ze hier; met Mackie Messer Klaas, pyromane Marcel, gewe­tenloze George, Colombi­aanse Dennis, Marokkaanse Moustap­ha, vroegver­waarloosd Floor­tje, hypochond­rische Nicolette, sexu­eel misbruikte Han­nah, en de zich suf etende Nathalie.

     Was het in de psychiatrie nu echt zoveel erger, vraag ik me weleens af. Valt hier eigenlijk nog wel iemand voor de poorten van de psychia­tri­sche kliniek of de gevangenis weg te slepen ? ‘Nou, vertel nou wat er ie-ies…’ dringt Sharifa aan. George die al weer veel te lang naar zijn zin stil is geweest, licht haar met het groot­ste genoegen in. ‘Oh,’zegt ze alleen maar en steekt een mooie lange vinger peinzend in haar mond.  ‘Hoi Sharifa ! ‘ klinkt het uitbundig uit de mond van de net gearriveerde stagiair Theo. ‘Ik hoor even van Marianne en Jan wat er allemaal gebeurd is vandaag, en dan gaan we samen op jouw kamertje je huiswerk bekijken.’ Zoals altijd doof en blind voor de heersende sfeer, mengt Theo zich vervolgens in het nog nabevende ploegje kinderen in de zithoek. ‘Oh ,daar heb je hem ook weer,’ klinkt het uit de groep. Sharifa staart naar Theo, draait zich om en gaat naar boven. ‘Wil je geen limonade of thee, Sharifa ? ‘ roep ik haar ach­ter­na. Maar ze is al de trap op en lijkt me niet gehoord te heb­ben. Jan brengt Theo op de hoogte van alle avon­tu­ren. Ik zit nog na te denken over de gemiste begrafenis als ik Theo hoor zeggen: ‘Geeft niks dat Paul er niet is. Marianne en ik rooien het wel, hè Marianne ? ‘ Ik doe net of ik hem niet heb gehoord. Vele stagiaires heb ik zien komen en gaan. Slimme, domme, bange, arrogante. Deze is anders, deze is van alles wat, en vooral: deze deugt niet ! Ik heb hem nooit echt ergens op kunnen betrappen maar ik vertrouw hem niet helemaal met de kinderen. Tijd om dat eens met hem of in het team aan te kaarten, morgen of zo. Want nu ben ik moe en geïrriteerd. Alles lijkt vandaag te mislukken en tot over­maat van ramp mag ik ook nog een avonddienst draaien met deze oen. Dan kan ik net zo goed blijven slapen, want morgen moet ik om 7 uur weer present zijn. Niet de moeite om naar huis te gaan.      ‘George, niet naar buiten, we moeten eerst met z’n allen praten,’ hoor ik Jan schreeuwen. Ik zucht eens diep, zet Marcel van mijn schoot af, haal Nathalie’s arm, die als een slang om mijn hals ligt, weg en sta op. De hele kinderschaar is inmid­dels thuisgeko­men. Theo mompelt dat hij Sharifa gaat helpen en verdwijnt naar boven. Instinctief wil ik hem tegen­hou­den, maar bedenk me en richt me tot de kinderen. ‘Luister allemaal. We gaan vanmiddag niet naar het bos, want er is van alles gebeurd. Trek je schoenen maar uit, neem limonade, en ga rustig zitten. Ik zal het jullie zo uitleg­gen.’ Terwijl ik naar buiten loop om Klaas en Floortje te halen, stijgt achter mij een heftig gemopper op. ‘Gatverdamme, moeten we alwéér binnen blijven. Wat is er nu weer gebeurd ?’  ‘Zeker door vannacht.’  ‘Die etterbakken, ze verpesten altijd alles.’ ‘Ach gut , moet je dat heilig boontje horen.’

     Klaas zit samen met Floortje op het houten klimrek. Ze lijken diep in gesprek. Nog geen tien jaar en al zoveel pro­blemen. Mijn hart draait zich om in mijn lijf, maar natuurlijk verman ik me. ‘Klaas, Floor, komop, we hebben een groepsgesprek. Bijna iedereen is er al.’ Klaas kijkt verschrikt op, en roept: ‘Ik heb toch niks gedaan, laat me met rust.’  Floortje pakt zijn hand en praat gerust­stel­lend tegen hem. Samen lopen ze naar binnen. ‘Hang jullie jassen netjes op en kom naar de zithoek.’ Jan vraagt me intussen of ik denk dat hij wegkan. ‘Ik vind het wel prettig als je nog bij het groepsgesprek ­blijft, dan kun jij recht­streeks verslag doen van jouw avon­tu­ren van afgelopen nacht. Daarna kun je wat mij betreft gaan.’ De mok­kende meute is inmiddels bij elkaar gekropen in de zithoek. Maatjes bij maatjes. Nico­lette zit alleen, zoals altijd. ‘Ik heb weer zo’n last van mijn maag,’ klaagt ze zacht­jes tegen mij. Ik strijk even door haar haar, en ga tussen George en Dennis inzit­ten, die dat niet erg op prijs stellen. ‘Ik weet dat jullie niet graag zo met z’n allen praten, maar Jan en ik vinden een pow-wow vandaag erg nodig.’ start ik het gesprek.  ‘Doe niet zo stom mens, we zijn geen Indianen,’ klinkt het naast mij. ‘Ik dacht anders dat jij er zelf eentje was Dennis,’ zeg ik oh zo ad rem, en kan mijn tong wel afbijten, want Dennis wil niks weten van zijn Colombiaanse afkomst. Het is nu wèl stil naast me dus ik ga door. Over de sfeer in de groep, over de onvei­lig­heid voor sommige kinde­ren, over het nachtbraken en buren­gerucht en dat dit zo niet langer door kan gaan. En of ze ideeën hebben over hoe het beter zou kunnen.      Daan staat plotseling achter mij, en fluis­tert in mijn oor: ‘Marianne, je moet naar boven komen, er is volgens mij iets niet pluis met Theo en Sharifa.’ Bij ieder ander kind zou ik mijn wenkbrauwen hebben gefronst, maar niet bij Daan. Daan, de ernstige, Daan de allesziener, Daan de redder. ‘Jan, neem jij het even over ? ‘ vraag ik, terwijl ik opsta. ‘Wat ga jij nou opeens doen ? ‘ roept George, terwijl hij mijn  broekspijp vastpakt. ‘Dat gaat je niks aan, jongeman. Laat me los en bedenk liever wat goeie groepsregels.’ antwoord ik en wurm mij langs kinder­be­nen, Daan achter­na.  

‘Waar heb je het over Daan ? ‘vraag ik terwijl we naar de trap lopen. ‘Jullie hebben echt stront in je ogen hè,’ zegt hij met nauwe­lijks ingehouden woede.  ‘Het spijt me zo van vanochtend,’ hoor ik mijzelf opeens zeggen. Daan doet net of hij het niet heeft gehoord, en zegt: ‘Theo kwam een kwartier geleden boven en ging naar Sharifa’s kamer. Hij dacht vast dat er verder niemand boven was.’  Daan’s kamer grenst aan die van Sharifa, vlakbij de trap. Omdat zij en Daan de oudsten van de groep zijn en daarom later naar bed mogen. Met zijn vinger tegen zijn mond gaat Daan mij voor .  ‘Ik lag op mijn bed te … ik lag op mijn bed, en hoorde ineens rare geluiden uit Sharifa’s kamer komen.’ Mijn hart bonst in mijn keel. Daan wilde zeggen dat hij lag te huilen, maar slikte dat nog net in. En ik word ijskoud bij de gedachte wat zich allemaal in Sharifa’s kamer zou kunnen afspelen. Keep it cool, flitst het door me heen. ‘Wat hoorde je dan ?,’weet ik uit te brengen. Daan wordt vuur­rood en mompelt: ‘Nou, je weet wel, van die zoengeluiden, en gepiep van het bed.’ Ik had dus toch gelijk, vuile viezerik dat-ie is ! Ik storm de trap op en ruk de kamerdeur open. Het tafereel dat zich voor mijn ogen af­speelt, is nog erger dan ik vreesde. Voor de tweede keer deze dag heb ik het gevoel in een slechte B-film te zijn beland. Theo zit naast het bed van Sharifa geknield, met zijn ene hand haar borst strelend, de andere om zijn geslacht geklemd. Even sta ik sprakeloos in de deurope­ning, dan stap ik naarbin­nen, geef Theo een onge­loof­lijke klap in zijn gezicht en sleur hem overeind. Sharifa begint te gillen, Theo probeert tegelij­ker­tijd zijn broek op te trekken en zijn rood wordende wang te bedek­ken. Daan kijkt met stomheid gesla­gen toe.  ‘Daan, wil jij Jan gaan halen, nu direct. En probeer de kinde­ren beneden te houden.’ Ik ben me ervan bewust dat ik nu precies hetzelfde doe als de moeder van Daan; hem als een volwassene behandelen. Maar het is een noodgeval, het moet en hij kan het.

‘Het is niet wat je denkt dat het is.’ Dit cliché uit de mond van de viespeuk is me te veel.  ‘Jij moet eens even heel erg je bek houden.’ sis ik tegen hem. ‘En Sharifa, hou op met gillen.’ Ik ga naast haar op bed zitten en help haar zich weer fatsoen­lijk aan te kleden. Snikkend klemt zij zich aan me vast, en zegt: ‘Iek moest van hem…anders iek moet terug naar Ruan­da.’ Ze begint nog harder te huilen. Ik strijk haar over de haren, en hou Theo intussen nauwlettend in de gaten. Als een kat in het nauw staat hij in de hoek van het piepkleine kamertje en wrijft onophoudelijk over zijn wang. ‘Ongelooflijk klootzak, kun je het niet met je eigen leeftijd doen ? Hoelang is dit al aan de gang ? Godallemachtig, wat zal jij hier­voor boeten !’      Intussen is Jan verschenen, met, het kon ook niet anders, een paar nieuwsgierige kinderen achter zich. Ik sta op, duw Theo naar buiten en leg Jan snel uit welke scène ik zojuist aan­trof. Hij trekt wit weg om zijn neus. Zwijgend grijpt hij Theo bij zijn kraag en sleurt hem de trap af, naar de eetka­mer. Theo’s broek zakt opnieuw af en het lijkt alsof hij naar het schavot wordt gebracht. Een stel joelende kinderen gaat erach­ter aan. Voor ik kan reageren loopt Nico­lette kalm naar hem toe en spuugt hem recht in zijn ge­zicht. Terwijl het speeksel langs zijn wang druipt rent Hannah plotse­ling op hem af en schopt hem vol in zijn kruis. Dan storten ook Nathalie en zelfs Floortje zich op Theo, die inmiddels op de vloer ligt en wanhopig probeert zijn ge­slachtsdelen en zijn hoofd te be­schermen. Met stomheid geslagen kijk ik toe hoe alle meiden van de groep hem aanpakken. ‘Kill him ‘gilt Sharifa, die intussen naar beneden is geko­men. Haar geschreeuw haalt mij uit mijn verdoving en ik pro­beer Theo samen met Jan te ontzetten. ‘Wat is hier in hemelsnaam aan de hand ? ‘ Hans, onze teambe­ge­leider, blijkt inmiddels gearriveerd. Hij is gealarmeerd  door een groepsleider van de buurtgroep, die zoveel kabaal niet pluis vond.      Theo is net met moeite verlost uit de klauwen van de woedende meiden. Hij zit met zijn handen voor zijn gezicht te janken op de grond. Jan neemt alle kinderen mee naar de zit­hoek en ik leg Hans snel uit wat er is gebeurd. ‘Ik ga Peter van de buurtgroep even halen en dan bel ik meteen de politie.’ zegt hij. ‘Geen politie…’ klaagt Theo, maar niemand luistert.

Hans gaat weg en ik blijf alleen achter met Theo. Ik ga een eindje van hem afstaan, omdat ik zijn fysieke aanwezigheid nauwelijks kan verdragen. Steeds schieten beelden van daarnet als dia’s voor mijn ogen. Het bed met Sharifa. Theo met zijn broek omlaag. Zijn handen. De meiden die hem aanvallen. De beschuldigingen die ze roepen. Allevijf ! Het kan toch niet waar zijn. In dit kinderhuis, waar ze zitten om beschermd te worden tegen dit soort walge­lijk gedrag van volwassenen. Plotseling voel ik een golf van misselijk­heid opkomen. Ik red het niet meer naar het toilet en kots mijn maag leeg voor de voeten van Theo.      Daan staat ineens voor me met een handdoek en een glas water. ‘God Daan, wat een verschrikkelijke dag voor jou. En ik bak er helemaal niks van. Niet op tijd bij je moeders begrafenis, niet in de gaten hebben dat Theo smerige zaken uithaalt, en nu sta ik nog te kotsen ook.’ ‘Klopt,’zegt hij kalm,’maar je hebt hem uiteindelijk mooi te grazen genomen. Het werd anders wel tijd.’ We zitten samen op de grond en houden zwijgend Theo in de gaten. Van zijn praatjesmakerij is niets meer over. Ineengedo­ken lijkt hij te wachten tot het vonnis over hem zal worden uitgesproken. De deur vliegt open en Hans komt binnen, gevolgd door twee agenten. Ze trekken Theo overeind, vertel­len hem welke rechten hij heeft, slaan hem in de boeien en voeren hem af. Tot het einde toe blijft het een film.

‘Het lijkt mij een goed idee als ik vanavond ook hier blijf,’ zegt Hans, terwijl hij me overeind trekt. Daan, Hans en ik lopen naar de zithoek, waar Jan en de kinderen druk aan het praten zijn.  ‘Nee, natuurlijk wisten we van niks,’ hoor ik Jan zeggen,  ‘Maar hoe kán dat nou, het is al zolang als hij hier stage loopt aan de gang,’ zegt Nicolette. ‘Mij heeft hij nooit echt durven pakken, omdat ik zo vaak ziek ben. Maar de rest…’ ‘Waarom hebben jullie niks gezegd ?’ vraag ik, de kring met de verschrikte, bange maar ook boze gezichten rond­kijkend. ‘Omdat hij dreigde aan onze ouders te zullen vertellen dat wij hem hebben uitgelokt. En omdat we toch al als een soort slet­ten worden beschouwd,’ antwoordt Hannah en barst vervol­gens in tranen uit. ‘Laat één ding jullie meiden heel duidelijk zijn,’ zeg ik vastbesloten,’dit is niet jullie schuld. Volwassenen moeten gewoon met hun poten van jullie afblijven, zo simpel zit dat. Jullie zijn afhankelijk van ons, daar mag nooit misbruik van worden gemaakt.’ De jongens zitten er wat schutterig bij. George trekt met zijn gezicht en bijt op zijn nagels. Dennis zit dicht tegen Marcel aan, en fluistert af en toe iets tegen hem. ‘Theo is net door de politie opgehaald. Hij zal zijn straf krijgen. Jullie zullen door ons van alles op de hoogte worden gehouden. Ook jullie familie moet natuurlijk worden ingelicht. Hans gaat ze straks bellen, later zullen we ze zelfs hier uitno­digen om alles door te praten. Met jullie moet er natuur­lijk ook worden gepraat. Door ons en door de politie.’ vervolg ik. ‘Moeten we dan getuigen ?’ vraagt Daan, die naast me is komen staan. ‘Dat lijkt me heel rot.’ Plotseling begint hij te snikken. Snel sla ik mijn armen om hem heen tot hij uitgehuild lijkt. Met zijn mouw veegt hij zijn tranen weg en geeft mij een zoen.  ‘Bedankt, het gaat al weer beter.’ zegt hij en loopt naar de keuken om zijn hoofd onder de kraan te steken. De meiden vertel ik dat ze waarschijnlijk onderzocht moeten worden om te zien of er lichamelijke sporen zijn van de aan­randingen en verkrach­tingen. Dapper vragen ze wat dat allemaal voorstelt en ik probeer erachter te komen op welke wijze Theo hen heeft misbruikt.     

Het is tien uur ‘s avonds. Alle kinderen, ook de grotere, liggen nu in bed. Het kostte heel wat energie om iedereen genoeg aandacht te geven en we weten allemaal dat dit muisje nog een lange staart zal hebben. Ik ben in het groepsleiders­ka­mertje de overdracht aan het schrijven. Een zeurende koppijn is inmiddels mijn deel. Opeens verschijnen de hoof­den van Nicolette en Nathalie om de hoek.

‘Marianne ? We kunnen niet slapen. Hij is toch wel écht opge­sloten hè,?’ vraagt Nathalie. Bibberend van kou en angst wringt ze zich tussen mij en het bureau op schoot. Ik aai door haar krullen en zeg tegen Nicolette dat ze op het ‘leidingbed’ mag gaan zitten. ‘Logisch dat jullie enorm geschrokken zijn vanmiddag en dat zal nog wel een tijdje duren. Maar: voor Theo hoeven jullie nooit meer bang te zijn,’zeg ik, terwijl ik me tegelijkertijd afvraag of ik die uitspraak wel kan waarmaken. Je hoort tegen­woordig zo vaak dat dit soort zaken geseponeerd worden bij gebrek aan bewijs, of omdat de slachtoffers uitein­delijk niet durven doorzetten. Ik zal er in ieder geval voor zorgen dat deze klootzak tij­dens míjn diensttijd niet meer aan de kinde­ren kan komen.      Achter me hoor ik gestommel. Ik draai me om en zie de andere meiden op een kluitje in de deuropening staan. ‘Mogen we bij jou slapen vannacht ?’ vraagt Hannah. De tranen schieten me in de ogen en ik wou dat ik genoeg armen had om ze allemaal tegelijk te omhelzen. ‘Kom op, laten we in de zitkuil hier beneden een groot bed maken.’ Enthousiast en opgelucht rennen de meiden naar boven om hun ma­trassen en dekbedden te halen. ‘SSShhhht ! Doe zachtjes, dadelijk komen de heren ook naar beneden.’maan ik ze. Te laat want Klaas staat al bovenaan de trap met afgezakte pyamabroek en vraagt wat er nu weer loos is. Zuchtend loop ik naar boven en neem hem mee naar zijn kamer­tje. Gelukkig zijn de andere jongens diep onder zeil. Klaas slaapt nog half want hij laat zich gedwee door mij instoppen. Met zijn duim in de mond en een arm stijf om een foeilelijke smurf geklemd, mom­pelt hij slaperig: ‘Dat mes was niet eens scherp weet je, je kunt er op je kont mee naar Keulen rijden ! ‘  

Nadat alle meiden gezusterlijk in het enorme geïmprovi­seerde bed zijn gekropen, loop ik naar de nachtwacht voor de over­dracht. ‘Cor, zet je schrap want je krijgt de overdracht van je leven te horen.’zeg ik, terwijl ik op de punt van zijn bu­reau ga zitten. Een half uur later verlaat ik zijn kantoortje en ga naar de ‘leidingkamer’ om te proberen wat te slapen. Morgen moet ik weer om zeven uur aantreden. En voor het eerst maakt Cor niet zijn stan­daardgrapje met de kinderen door zich via de baby­foon te melden met: ‘Hier spreekt God’.   Alles is ineens anders. De boze wereld is ook hier bin­nenge­drongen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.