5. De brandende verfkast

 Amsterdam, Herfst 1978

Deze avonddienst begint al fout. Ik heb een barstende koppijn en trillende handen. De pillen die ik probeer in allerlei bakjes te doen glippen steeds uit mijn handen en vallen op de vloer of, nog erger, in het ver­keerde bakje. Het valt me zwaar om mijn ogen goed gefocussed te houden. Na een half uur geef ik het op omdat tot me doordringt dat ik onverant­woord bezig ben. Stel je voor dat Gerrit de pillen van Boukje krijg­t.    Weer een grens bereikt ? Teveel geprobeerd de werk­stress te verzuipen ?      ‘ Kan het wat vlotter met die medicijnen; ik wil vanmid­dag met een aantal bewoners naar het zwembad.’ Kees steekt zijn hoofd om de hoek van het kantoortje en fronst zijn wenk­brauwen als hij ziet dat de helft van de bakjes nog leeg is. ‘Wil jij het overnemen, ik voel me niet zo lekker,’.Ik loop weg van de medicijnkast, ga achter het bureau zitten en leg mijn tollende hoofd op mijn armen. Kees begint tegen me te foeteren. Over onverantwoordelijk gedrag en dat drinken niets oplost en meer van dat gezeur. Het is de beken­de druppel , want ik ont­plof bijna van woe­de. ‘En waar was jij toen ik  bijna door Johannes werd vermoord ? Geen telefoontje kon eraf en ook na de dood van Joop was je niet erg actief in de weer met de bewoners. Medicijnen lossen niet alles op, kloothommel !’Ik ben intussen opgestaan en loop verongelijkt de gang in. Maar waar moet ik nu heen ? Kees en ik hebben samen avond­dienst, ziekmelden kan dus niet en bovendien begint in mij een schuldgevoel te knagen. Het ís een klootzak, maar hij heeft wel gelijk. Hij had het alleen niet zo rauw op mijn dak moeten laten vallen.

     Het licht in de gang doet pijn aan mijn ogen. Wat een pokke­werk, wat bezielt me toch om ermee door te gaan ? Het verdient niet eens goed. Is het katholieke meisje toch stiekem met missie­werk bezig ? Vroeger wilde ik naar Kameroen, naar de arme negertjes. Maar alras bleek dat ik niet zo geschikt was als verpleegster. Het gefriemel aan vreemde li­chamen stond me tegen. Al die enge ziektes trouwens ook. Bovendien kon ik nooit goed tegen extreme hitte.      Boukje komt op me afgelopen met een boek over Zenboedis­me. Ook dat nog. Zijn we bijna van de stemmen af, gaan we aan Zen doen. Het is niet eerlijk tegenover haar om dit te denken, maar ik doe het toch. Mijn defentiemechanis­me is duidelijk aan revisie toe. Dit afreageren op anderen wordt hinderlijk. ‘Goed boek?’ vraag ik haar, maar voordat ze kan antwoorden loop ik al weer terug naar het kantoortje.      Kees staat zwijgend de medicatie in de bakjes te doen. Ik bekijk hem eens goed. Een toonbeeld van rechtschapenheid. Piekerig blond haar met hier en daar een grijze draad en kalend. Trouw­ring, met diamantje, een blauwe broek van een ondefi­nieerbare stof en een streepjes­overhemd met das. De enige consessie aan het huidige tijdsgewricht is een John Lennon-brilletje. Kees kennende is dat ongetwijfeld toeval en geen bewuste keuze. Ik stap naar binnen en zeg tegen hem dat het me spijt en dat ik mijn leven zal beteren. Dan reageert hij precies zoals ik verwacht en wat ik zo haat: hij draait zich langzaam om, kijkt me met een medelijdende blik aan en zegt: ‘Ach, het kan iedereen overkomen.’ Hij bedoelt juist het tegen­deel. Hem zou dit helemaal niet over­komen. Kees zich laten gaan, eens lekker zuipen of huilen ? Ben je gek zeg. Ik bijt op de binnenkant van mijn wang om mijzelf te beletten een kattig weerwoord te geven. ‘Peter is niet naar zijn werk gegaan,’ zeg ik na enige secon­den van ijzeren zelfbeheersing,’ik ga eens kijken hoe het met hem is.’

     Hoe het met hem gaat weet ik niet, maar het is overduide­lijk wat hij aan het doen is. Door de gang dendert het lawaai van een drumstel dat mishandeld wordt. Ik kijk op mijn horloge en zie dat het zijn oefenuur is. Onzin om naar hem toe te gaan. Laat hem maar lekker afre­ageren. Voor Peter heb ik een warm plekje in mijn hart. Offi­cieel is hij zwakbe­gaafd, wat in zijn geval betekent dat hij minder vlot is in zijn denken en doen dan de gemid­delde mede­mens. Het probleem is dat hij dit don­dersgoed beseft maar het niet accepteert. Voortdurend vertilt hij zich aan onmoge­lijke projecten, waar­door hij óf zwaar teleur­gesteld óf zwaar in de nesten raakt. Zijn ouders werden gek van zijn eigenwaan en hebben hem , hoewel met bloedend hart, aan de hulpverlening overgedaan. Zijn moeder vertelde laatst nog een staaltje van zijn zelf­overschatting dat voor de toe­komst het ergste doet vrezen. Peter ging op de fiets naar de sociale werkplaats. Onderweg kwam hij door een ach­ter­buurt. Er was hem op het hart ge­drukt zo snel mogelijk door te fiet­sen en niet af te stappen. Maar Peter zag dat vlak voor hem een auto bijna een fietsend meisje schepte. Het meisje schrok zo hevig dat ze haar evenwicht verloor en viel. En natuurlijk reed de hufter door. Peter be­sloot niet om af te stappen en het meisje overeind te helpen, maar om de boosdoe­ner achter­na te gaan. Hij nam een spurt en plantte zijn fiets vlak voor de auto. Tegen de kle­renkast die toen uitstapte was hij echter niet opgewassen. De schade viel achteraf mee, maar een bloed­neus en een blauw oog hield hij er wel aan over. En denk maar niet dat hij had geleerd in het vervolg geen koene ridder meer te spelen. Wat bij ons door eigenbelang allang is afgezwakt, bezit Peter in over­vloed: een groot gevoel voor rechtvaardig­heid en de vaste overtuiging dat je daar ook daadwerkelijk naar moet handelen. Koste wat het kost. En daarom heb ik een zwak voor hem.

     Kees drijft inmiddels de bewoners bij elkaar om te gaan zwemmen. Hij had dat weleens mogen overleg­gen, want nu blijf ik alleen met de achterblijvers. Maar veel praat­jes kan ik nu natuurlijk niet hebben, dus ik berust in mijn droe­vig lot. Er zijn acht mensen aanwezig op de afde­ling, de rest werkt of is gaan zwemmen. Ik besluit polshoogte te gaan nemen in groep 3. Ze zullen Johannes waar­schijnlijk missen als kiespijn, maar je weet het maar nooit.  

In de huis­ka­mer van groep 3 zit een aantal bewoners gezamen­lijk te zwijgen. Maaike zit zoals altijd met haar armen over elkaar en een verbeten trek om haar mond voor zich uit te staren, loe­rend op een gelegenheid om iemand met haar scherpe tong de les te lezen. Het zonnetje in huis. Ze zegt precies wat ze denkt, waardoor ze mensen afstoot, maar het maakt haar ook voor­spel­baar. En dat is hier in huis geen overbodige luxe.      Mevrouw Boekholt ziet er vandaag slonzig uit. Dat is bij haar meestal het voorteken van een aankomende depressie. ‘Heeft u van de week uw pillen wel regelmatig inge­nomen?’, vraag ik terwijl ik naast haar op de bank ga zitten. ‘Natuurlijk niet,’kijft Maaike,’madame vindt toch dat zij die krengen niet nodig heeft. Ze is véél beter dan wij.’ Mevrouw Boekholt kijkt even op, maar zegt niets. Nog een teken dat het niet goed met haar gaat. Als ze in haar goede doen is dient ze Maaike altijd meteen van repliek. Haar lange zilver­grijze haar heeft ze in een losse knot gewonden. Er hangen pieken voor haar uitdrukkingsloze gezicht. Alleen haar mond trilt een beetje. ‘Mevrouw Boekholt ?’ probeer ik nog eens.  Ze staat plotseling op. Het tijdschrift dat ze doelloos op schoot had liggen glijdt op de grond. Ze wrijft over haar armen alsof ze het koud heeft en loopt de huiskamer uit. In de gaten houden vanavond. Ik wend mij tot Maaike. ‘Moest je perse zo vervelend zijn tegen mevrouw Boekholt ? Wat is er met jou loos ? ‘ ‘Helemaal niks, wat zou er zijn. Ik heb het hier reuze naar mijn zin. Leuke mensen om mij heen, veel privacy, fantastisch eten, begripvol personeel, wat wil ik nog meer ? ‘ zegt ze venijnig. ‘Zullen we een potje canasta doen, misschien helpt dat tegen het sjagrijn,’ stel ik voor.  ‘ Als je dat zo graag wilt, mij best,’ zegt ze schouderopha­lend en loopt naar het buffet om de kaarten te pakken.  Als ik niet wist hoe lief ze kan zijn als mensen haar echt nodig heb­ben en dat ze bovendien geen alternatief voor dit gesticht heeft, zou ik haar door de wc trek­ken. ‘Doe je ook mee Willem ?’vraag ik aan de man die stil in een hoekje zit en zich achter een krant verschuilt. Hij gromt iets onver­staanbaars.  ‘Is dat ja of nee Willem,’informeer ik, intus­sen de kaarten schud­dend. ‘Neehee zeg ik toch,’ Geïrriteerd slaat hij een pagina om en duikt weer onder. ‘Willem, als je vindt dat je omgeving moet snappen wat jij van ze wilt, dan moet je toch echt duidelijker praten. Dat heb ik je al tachtigduizend keer verteld. Waarom wil je trouwens niet meedoen, je vindt canasta toch altijd leuk ? ‘ ‘Nou, vandaag niet,’bromt hij terwijl hij demonstratief zijn krant dichtvouwt. Even later verlaat ook hij de kamer. Er is veel dat mijn geliefde bewoners niet kunnen, maar vlu­cht­gedrag is bij hen buitengewoon goed ontwikkeld.      De volgende anderhalf uur brengen Maaike en ik in rela­tieve rust door. Af en toe verheffen onze stemmen zich. Wij kunnen alle­bei slecht tegen ons verlies, maar zij moet het leren incas­seren ,ik niet.      Het loopt tegen theetijd wanneer de portier ineens voor mijn neus opduikt. Hij fluistert in mijn oor:’Harry Vink is weer terug op het nest, maar er zijn problemen met een taxi-chauffeur. Kom je even naar de hal ?’ Het zal eens een dienst zijn zonder evenementen. Zuchtend sta ik op, zeg ‘ben zo terug’ tegen Maaike en loop met hem mee. Ik zie nog net hoe Maaike geroutineerd de kaarten bijeen­veegt. Dat ‘ben zo terug’ kent ze.

 In de hal staat een uit de kluiten gewassen stadsgenoot tegen Harry Vink te schelden. ‘Als je godverdomme maar niet denkt dat je niet hoeft te dokken omdat je gek bent, vader. Dan ken jij Gerard nog niet.’ Och Jezus. Nog eentje die het niet meer nodig vindt zijn medi­catie in te nemen. Een manische bui kan veel verschillende vormen aannemen. Bij Harry is dit er een van. Hij heeft kenne­lijk weer eens niet betaald voor andermans diensten. Een poos geleden heeft hij bijna alle restaurants in Oost belazerd door na uitge­breid dineren niet te betalen. De restaurateurs ont­dek­ten, net zoals binnenkort deze taxichauffeur, dat je als gek weliswaar ook geacht wordt te betalen, maar dat je bij iemand met een rechter­lijke machtiging toch niet veel bereikt. En de instelling waar de wanbetaler behan­deld wordt is niet aanspra­kelijk voor zijn daden. Ik vind het geen prettig voor­uitzicht dit aan deze taxichauf­feur te moeten mededelen. Maar ja, niemand heeft ooit beweerd dat het leven prettig is, dus stap ik maar weer eens het onge­wisse tegemoet. Zoals ik al bevroedde ziet de man de humor van de situatie niet in. Hij scheldt mij nu ook uit voor rotte vis en sommeert met bijna overslaande stem dat de direc­tie moet worden geroepen. De portier is er bij komen staan en probeert denk ik in te schat­ten of hij deze meneer alleen kan verwijde­ren of dat hij om versterking moet bellen.        Harry intussen staat erbij alsof hij een toevallige passant is. Zijn oogjes glimmen. Ik weet niet of het van woede of van pret is. Harry vindt zichzelf momenteel geen mens zoals alle anderen. Hij bevindt zich eenzaam op een hoger plan en kijkt meewarig toe hoe anderen staan te klunge­len in het leven, terwijl hij de wereld in zijn zak heeft. Iedere keer weer ben ik verbijsterd door de meta­morfose wan­neer hij in een depressie wegzinkt. Niets is er nog over van zijn gevoel van grandeur. Dan is hij er diep van over­tuigd dat de wereld niet op Harry Vink zit te wachten en is de kans erg groot dat hij eruit stapt. ‘Hèb je geen geld Harry, of wil je het niet geven,’probeer ik nog. ‘Je weet dat ik geen geld nodig heb Marianne. Ik sta boven het slijk der aarde. Leg dat die meneer nu even uit, dan kan ik thee gaan drinken.’ Hij maakt aanstalten om uit deze eenak­ter voor vier personen te stappen, maar de taxichauffeur grijpt hem woedend bij de kraag. ‘Betalen godverdomme. Ze moesten je opsluiten, achterlijke idioot.’ ‘Zo is het wel genoeg,’zegt de portier en rukt Harry los uit zijn handen. ‘We vinden het rot dat u uw geld niet krijgt, maar u moet wel met uw handen van onze cliënten afblijven. Gaat u nu maar.’  De man is blijkbaar zo verbouwereerd dat hij besluit het op te geven. Maar pas nadat hij, zoals het een rechtgeaarde Amster­damse taxic­hauffeur betaamt, nog wat reactionaire opmerkin­gen heeft geventileerd. ‘Stelletje imbecielen… en daar geven we ook nog ons goeie belastinggeld aan. Achter slot en grendel moeten ze…’. Meer horen we gelukkig niet, want de glazen deur is achter hem dicht­geval­len. Net als ik me wil omdraaien om Harry eens goed de oren te wassen, zwaait de deur weer open en komt Kees met zijn zwemmersploeg lawaaierig binnenzetten.  ‘Volgende keer moet je meegaan,’roept Gerrit goedgemutst,’we hebben ons rot gelachen om Kees.’ Misschien moest ik dat maar eens doen, want hoe je je om Kees rot kunt lachen is mij een raadsel. Harry neemt intussen de benen en verdwijnt naar zijn kamer. ‘Harry, wacht.’roep ik, hem achternahollend. Met een ongeduldige trek op zijn gezicht blijft hij staan. ‘Wat is er nou toch, die man is niet goed snik om zo’n drukte te maken om een beetje geld. Er zijn belangrijkere zaken om me mee bezig te houden.’ ‘Daar ben ik het roerend mee eens Harry. Ik weet ook nog wel een boeiend onderwerp om eens met jou over van gedachten te wisselen.’  ‘Werkelijk ?’vraagt Harry op een toon die suggereert dat hij nauwelijks kan geloven dat ik iets boeiends ter overpein­zing zou kunnen hebben. ‘Ja, je medicatie bijvoorbeeld. Dat lijkt mij een buitengemeen interessant thema.’ ‘Pfff, medicatie heb ik niet meer nodig. Ik voel me prima. En ik heb trouwens andere woonruimte gevonden, dus binnen­kort heb je geen last meer van me,’antwoordt hij wrevelig. Het is erger dan ik dacht. Hij lijkt al niet meer voor rede vatbaar. Omdat hij een rechterlijke machtiging heeft moet ik proberen hem op andere gedachten te brengen. In ieder geval moet hij zijn psychiater zo snel mogelijk spreken. Gelukkig is het woensdag, dan houden ze allemaal spreekuur hier in huis. ‘Harry, je kunt niet zomaar hier verdwijnen. Je weet dat je een rechterlijke machtiging hebt, dus je psychiater en de rechter hebben daar ook nog het een en ander over te zeggen.’  Maar Harry vindt het genoeg zo en loopt zonder verdere tekst naar zijn kamer.  

Kees is me achterna gekomen. ‘Wat was er daarnet aan de hand met die taxichauffeur ? Hij liep me zowat omver toen hij de deur uit denderde.’ Nadat ik hem kond gedaan heb over wat er tijdens zijn zwemuur­tje is gebeurd besluiten we dat het verstandig is om zowel de psychi­ater van mevrouw Boekholt als die van Harry te spreken voordat ze aan hun consulten beginnen. Het gaat niet zo gewel­dig met onze manisch-depressieve klanten en Joops suïcide is voorlopig meer dan genoeg.      Het is bijna etenstijd en we lopen ieder naar onze groep om te kijken of eenieder braaf zijn corvee aan het doen is en zo niet, erop toe te zien dat de rest van de groep de boosdoe­ner dat goed inpe­pert. Onze pogingen om mensen te leren weer verant­woordelijkheid over hun leven te nemen zijn niet altijd even succesvol. En in ieder geval nemen onze gekken het ons niet altijd in dank af. Verantwoordelijkheden hebben is voor velen geen aanlokkelijk beeld. Het betekent meer vrijheid, maar ook meer zorgen, meer aandacht voor anderen, maar vooral: minder moge­lijkheden om zaken op andermans bordje te leggen. Als er iets fout gaat zijn zijzelf voortaan aansprakelijk. Natuurlijk is het niet de bedoeling hen te overvragen. De kans dat mensen dan terug­vallen in een nog ergere vorm van afhanke­lijk­heid is niet ondenkbaar.

     We schuiven uiteindelijk redelijk op tijd aan tafel. Het eten ziet er lekker uit, al zal er wel weer flink op gekankerd worden. En inderdaad word ik in die verwachting niet teleurge­steld. ‘Waar is Peter eigenlijk,’ vraagt een van zijn groepsgeno­ten. Ineens realiseer ik me dat ik al een tijdje geen gedrum meer heb gehoord. Door het akkefietje met Harry en zijn taxi­chauf­feur was ik Peter helemaal vergeten.  ‘Zal ik even boven gaan kijken op zijn kamer ?’biedt iemand vriendelijk aan. ‘Nee, ik ga zelf wel. Scheppen jullie maar vast op.’ Ik sta op en loop naar de trap. Onderaan blijf ik even staan en probeer het laatste uur in mijn herinnering terug te roe­pen. Was hij nou nog aan het drummen toen ik met Maaike aan het kaarten was of niet ?  Hij was ook al niet naar zijn werk geweest en nu niet bij het eten, terwijl hij daar altijd naar uitkijkt. Vooruit, naar zijn kamer. Ten­slotte heeft niet ieder­een hier zelf­moordneigingen. Nog even en ik zie overal doden. Terwijl ik mijzelf gerust­stellend toe­spreek loop ik naar boven en sta stil voor zijn kamer­deur. Hoor ik binnen huilen ? Zacht­jes klop ik op de deur. Verdrie­tig roept Peter dat ik binnen kan komen. Hij zit ineen­gedo­ken op zijn bed , de armen om zich heengesla­gen, en wiegt zichzelf driftig naar voren en achter. In een opwelling ga ik naast hem zitten, leg een arm om zijn schouders en zo wiegen we zwij­gend een tijdje samen. ‘Het is niet eerlijk dat ik zo stom ben. Het is zo moeilijk om hier te zijn,’zegt hij plotseling. Hij maakt zichzelf van mij los , staat op en ijsbeert de kleine kamer op en neer. ‘Ik red het niet hier, ik probeer en probeer, maar ik kan niet net als de anderen zijn. Zij hebben andere problemen, zij zijn gek. Ik ben alleen maar stom. Ze snappen me niet. En jullie snappen mij ook niet. Ik wil terug naar mijn vader en moeder.’ Met vochtige ogen kijk ik naar deze lange slungel van dertig jaar die het liefst bij zijn ouders is. Raar is het ook eigen­lijk niet. Iedereen heeft datzelfde verlangen wel eens, alleen kunnen we er niet aan toegeven, dus komt het zelden aan de oppervlakte. ‘Het doet je veel verdriet hè, dat je niet meer thuis mag wonen,’ zeg ik. Hij knikt heftig en veegt met zijn mouw het snot van zijn neus. Ik geef hem mijn zakdoek en pak een glaasje water voor hem. ‘Kom, je groepsgenoten zitten al aan tafel. Ze misten je, daarom ben ik nu hier. Je vader en moeder zijn heus niet de enigen die jou een lieverd vinden.’ Er verschijnt een bibberig lachje om zijn mond. Hij steekt zijn hoofd onder de koude waterstraal en dan lopen we gearmd naar beneden. Daar worden we met gejuich begroet. Boukje wenkt hem naast zich en schept vervolgens zijn eten op. Het wordt zowaar een ontspannen en zelfs gezellige maaltijd.

     Tijdens de afwas sta ik met Jan en Gerrit te discussieren over of het nu moeilijker is om viool te spelen of piano. Jan speelt niet onverdienstelijk viool en Gerrit doet het leuk achter de piano. Ik bespeel geen instrumenten, dus ik weet van niks en kan heerlijk neutraal blijven in deze kwestie.      Hans loopt rusteloos om ons heen te drentelen en kijkt vanuit zijn ooghoeken naar Gerrit. Hij is erg op zichzelf sinds die avond dat Gerrit hem bij zijn lurven greep omdat hij het zoeken naar motie­ven voor Joops zelfmoord bespotte. Eigen­lijk zou ik iets moeten doen met die observatie, maar ik voel me nog steeds niet helemaal senang en ik ben ook niet zo gek op Hans. Het is een slijmbal van jewelste en dat soort gedrag haat ik. Ik droog de laatste borden af en loop de huiskamer uit. Kees en ik herinneren vervolgens iedereen aan de afspraak met hun psychi­ater en lopen naar het kantoortje. Medicatie klaar­zetten voor later op de avond en eventjes een paar minu­ten zonder onze dierbare gekken.

     Na luttele tijd arriveert de eerste psychia­ter al.‘Hallo Siegfried, goed dat je zo vroeg bent. We zijn wat ongerust over een van jouw klanten.’ Ik vertel hem van mevrouw Boekholt, die overigens wel was komen eten, hoewel mondjesmaat. ‘ Ik zal met haar praten en bekijken of we de medicatie kunnen bijstellen. Het zou zonde zijn als ze in een depressie zakt. Het kost haar iedere keer zichtbaar meer moeite om er goed door­heen te komen.’ Hij maakt nog wat aantekeningen van onze verdere avonturen met zijn klanten en beent weg naar zijn spreekkamer elders in het pand. Dit tafereel herhaalt zich nog enkele malen met vijf andere psychia­ters. De psychiater van Harry Vink vraagt een van ons in de buurt te blijven als hij Harry spree­kt. Je weet nooit hoe hij zal reageren op de mededeling dat hij, zoals hij nu is, absoluut niet op zichzelf kan gaan wonen. 

Tot onze opluchting verloopt de avond rustig. Iedereen lijkt besloten te hebben zich koest te houden. De meeste bewoners praten wat met elkaar, anderen kijken t.v. of lezen in de huiskamer van hun groep. Hans blijft geluk­kig uit de buurt van Gerrit. Peter doet een spelletje pesten met Boukje en mevrouw Boekholt praat met Harry Vink over hun beider depressie. Het is een vreemde conversatie. Zij in een depressieve – en hij in een manische fase. Misschien dat het uit­wisselen van die uiter­sten hen beiden wat meer in balans brengt. Waarschijnlij­ker is dat ze meer medicatie nodig zullen hebben om de ergste pieken en dalen weg te nemen.  

Het is vanzelf half elf geworden en ik zal blij zijn als ik naar huis kan. Mijn kater is nu wel grotendeels bezworen maar ik heb het gevoel alsof ik met een beer gevochten heb. Ik maak nog een groots gebaar naar Kees door te zeggen dat ik de overdracht aan Tineke wel wil doen.      Terwijl ik Tineke de belangrijkste dingen van de avond ver­tel ­dringt plotseling een branderige lucht mijn neusgaten binnen. ‘ Verdomme, Hans is zeker weer bezig met z’n pannetje warme melk,’ roep ik en race het kantoor uit om die klootzak eens even te zeggen wat ik van hem vind. In de gang zie ik een vette rookwolk uit het zijgangetje ko­men. Het alarm in mijn hoofd gaat plotseling af. Ik ren het kantoor weer in, roep ‘Bran­d !’tegen Tineke, pak de telefoon, bel het dienst­doend hoofd op, en meld dat er brand is op de parterre. Zij moet de brandweer bellen, maar lijkt daartoe niet in staat, gezien haar paniekerige reactie. Ik draai het nummer van de brandweer dat op elk telefoontoe­stel te vinden is, meld de brand, gooi de hoorn op de haak, grijp Tineke, die als door de bliksem getroffen in het kantoor staat bij haar arm en trek haar de gang in. ‘Jij gaat mevrouw Maas en Van der Broek uit hun kamer ha­len, dan de mensen uit de kamer ernaast. Snel, en laat ze alle­maal in de hal komen.’  Ik loop intussen naar de zijgang waar de rookontwikkeling steeds sterker wordt. Ik loop de slaapkamer recht tegenover de gang in en tref de tachtigjarige mevrouw de Bruin lezend in bed aan. Ze kijkt verstoord op. ‘Kom mevrouw de Bruin, snel opstaan en met me meelopen. Er is brand op onze afdeling.’ Ik sla haar dekbed terug, pak haar arm en trek haar half uit bed. ‘Hoe dúrft u zuster, laat me los, ik kan zelf wel op­staan.’ ‘Sorry mevrouw de Bruin, maar het brandt echt en u moet heel snel zijn.’ Als ze inmiddels naast haar bed staat en haar peignoir en sloffen aantrekt, ren ik haar kamer uit en een andere weer in en spoor de inmiddels wakkergeworden bewoners aan snel naar de hal te komen. De gang begint aardig vol te raken met geschrok­ken mensen maar ik zie nog geen mevrouw de Bruin. Ik vlieg terug naar haar kamer en zie haar rustig rond­schuifelen alsof er niets aan de hand is. ‘Mevrouw de Bruin, u komt nú mee !!,’ik pak haar vierkant op en sleep haar de kamer uit. ‘Nee nee zuster, ik moet mijn paspoort en mijn foto-album en mijn juwelen meenemen.’jeremiëert ze, en mijn hart breekt bijna, maar de adrenaline die door mijn lijf giert jaagt mij voort en ik sleur haar mee naar de hal. Die is nu vol angsti­ge mensen. Al mijn bewoners staan bij elkaar, maar ik mis er nog een: Anita. ‘Godallemachtig, die zit nog in de isoleer op de eerste eta­ge !’ roep ik, en stuif naar boven. Het nog aanwe­zige personeel rent er als een kip zonder kop rond. ‘Waar is Raisy ?’vraag ik een willekeurig iemand. ‘In het kantoortje geloof ik, ze belt de brandweer,’ klinkt het ontstellende ant­woord. ‘­De brandweer ? Die staat als het goed is zo op de stoep­, die heb ik al gebeld.’ In het kantoortje zit Raisy, het nacht­hoofd met grote schrikogen en een tele­foon in haar tril­lende handen achter het bureau. ‘Is Anita al uit de isoleer ? ‘ bijt ik haar toe.  ‘Anita…? Wie is Anita…ik weet het…’ ‘Geef me de sleutel, snel, en loop met me mee. Ik weet niet hoe groggie ze nog is.’ Geheel verdwaasd doet Raisy wat ik haar vraag. Even later staat ook Anita beneden in de hal, waar ze met gejuich door haar groepsgenoten wordt ontvangen.

     Plotseling klinkt er van buiten een oorverdovend lawaai van sirenes en niet lang daarna stoppen meerdere brandweerau­to’s met piepende remmen voor het huis. De glazen deuren vliegen open en de eerste brandweerlieden stormen met gasmas­kers op, bijlen in de hand en flessen met perslucht op de rug, het pand binnen. Het is inmiddels overduidelijk waar de brand is.      Zonder woorden gaan ze op hun klus af en plotseling glij­den mijn benen onder me vandaan en lig ik op de grond. Omdat ik niets meer te doen heb, lijkt de adrenalinetoe­voer ineens afgeslo­ten te zijn. Het is weer Jozef die ogenschijnlijk onaan­gedaan een kussen onder mijn hoofd legt, en mij maant te blijven liggen. Ik voel me erg slap en laat mij dan ook dank­baar vertroetelen. De een hijst me over­eind, de ander brengt me naar een luie stoel in de hal en weer een ander duwt een kop koffie in mijn handen. Ik tril zo erg dat het kopje tegen het schoteltje rinkelt. Omdat ik wil voorkomen dat ik koffie over me heen gooi, duurt het wel even voor ik het kopje leeg heb. Maar het is wel het lekker­ste kopje koffie dat ik ooit dronk ! Ik doe mijn ogen dicht en sta mijzelf toe even weg te dommelen. Ik schrik wakker uit mijn hazeslaapje door een brand­weer­man die een van top tot teen beroet figuur voortsleept. ‘Is die van u mevrouw ?’vraagt de brandweerheld terwijl hij zijn last op de grond laat zakken. ‘Willem ?’ vraag ik wijfelend, en bekijk het erbarmelijk uit­zien­d schepsel nog eens goed. Dan opent er een spleet in het zwartuitgeslagen gezicht en een gesmoorde stem zegt: ‘Ik wou helpen blussen, maar al gauw zag ik niks meer en toen ­stikte ik bijna in die rottige verflucht. Godallemachtig wat een ellen­de.’ Ik moet ondanks de deplorabele toestand van mijn collega mijn best doen niet de slappe lach te krijgen. Willem doet altijd zo bijdehand, weet in iedere situatie zo goed wat er wel of niet moet gebeuren en bemoeit zich overal mee. Dat heeft hij nu hopelijk afgeleerd. Intussen probeer ik uit te vinden of hij ook iets mankeert onder al dat vuil of dat hij zich alleen grondig moet schrobben. Hij blijkt buiten wat schrammen en builen en een gekwetst ego niet gewond. Ik raad hem aan gauw naar huis te gaan en een bad met borrel te nemen.

     Niet lang daarna verlaat de laatste brandweerman het pand. Ze laten een ravage achter van vuile voetsporen, water­plassen, en een zwartgeblakerd trappenhuis. Het had zoveel erger kunnen zijn. Morgen een schoonmaakploeg er door­heen jagen en klaar is Kees. Wat zou Kees trouwens zeggen morgen ? Met enig leedvermaak probeer ik mij voor te stellen hoe zijn reactie zal zijn. Hij zal er waarschijnlijk niet om kunnen lachen en mij hier op de een of andere wijze verantwoordelijk voor stellen.  Moeizaam kom ik overeind en probeer samen met mijn nog aanwe­zige collega’s de bewoners terug te krijgen naar hun afdeling. Daar praten we nog wat na en dan kan ik eindelijk naar huis. Ik neem een taxi en val uitgeput op mijn bed neer.

 De volgende dag belt Paula mij thuis op. ‘Je bent een kanjer, de heldin van het huis,’zegt ze,’ik hoorde dat mijn lieve collega Raisy haar kalmte totaal verloor en dat we nu werkeloos zouden zijn als jij niet had opgetre­den. Ik wil je even laten weten dat ik het geweldig vind. Je begrijpt natuurlijk dat de offi­ciële versie anders zal zijn ? Anders wordt Raisy wellicht ont­sla­gen en de meeste van mijn collega’s vinden dat gezien haar staat van dienst iets te gortig.’ ‘Het is toch wel weer godgeklaagd Paula,’ zeg ik woedend ,’ze had al veel eerder op non-actief moeten worden gesteld, maar nu ze bijna iemand in de isoleer heeft laten verbranden…’ ‘Ja, hó maar, ik weet wat je gaat zeggen en je hebt nog gelijk ook, maar…enfin. Je weet hoe dat gaat.’ Ja, ik weet zeker hoe dat gaat. Krampachtig probeer ik de stortvloed van woorden die op mijn tong ligt in te slikken. Het heeft geen zin. Het is overal hetzelfde. Wind je niet op. Het wordt je niet in dank afgeno­men. Een keer diep in-en een keer diep uitademen. ‘Is al bekend hoe die brand is ontstaan ?’vraag ik haar. ‘Jazeker, het was de brandweer meteen duidelijk dat het was aangestoken. De verfkast in de zijgang was aangestoken en Hans schijnt het gedaan te hebben.’ ‘Hans ?? Hans uit mijn groep ? Dat bestaat niet. Hij is altijd zo bang voor geweld en agressie, hij zou nooi…’ Ineens zie ik hem weer tijdens het afwassen met een broeierige blik in zijn ogen rondscharrelen en hou verder maar mijn mond. ‘Vanmorgen heeft hij tegen­over Hetty en mij bekend. Uit wraak heeft hij de boel in de fik gestoken. Om Gerrit te straffen die hem een tijdje geleden in het openbaar voor flikker had uitge­maakt. Maar ook om te voorkomen dat verder ie­mand zou horen dat hij homo is. Alsof de hele tent dat niet allang wist. Nou, tot maandag. Rust maar lekker uit. Er valt heel wat te doen als je weer terug­bent.’ Ik leg de hoorn op de haak en al half in slaap besef ik dat we door de zelfmoord van Joop ook nog bijna een massa­moord hadden gehad.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.