4. Het vliegende colaflesje

Amsterdam, zomer 1978.

Mijn fiets heeft een lekke band dus ga ik vandaag met het openbaar vervoer naar mijn werk. Ik loop langs De Oosterbe­graafplaats, die er weer lieflijk bijligt, zo in de middagzon. Ik groet de bloemenman en loop het plein op. Aan het eind van dat plein staat de langgerekte laagbouw waarbinnen zo’n hon­derd mensen met allerlei gektes en van verschillende leeftij­den, langere of kortere tijd verblij­ven.

     Net als ik het pand binnen wil gaan stormt Boukje langs me heen de straat op. In een reflex draai ik me om en grijp nog net een stuk van haar mouw. ‘Los…laat me los…kutwijf,’ krijst ze helemaal over­stuur. ‘Niet voor je me vertelt wat er loos is.’ zeg ik en probeer een arm om haar heen te slaan. ‘Alsof jij dat niet weet, rooie teef…godverdomme…wat een colerezooi is het hier ! ‘ Ze rukt zich los en blijft ineens midden op de stoep staan, haar armen strak langs haar lichaam. Het lijkt alsof ze ingespannen naar iets luis­tert. Plotseling kijkt ze op, grinnikt zacht en loopt, alsof er niets is ge­beurd, rustig het pand weer in. Verbaasd en lichte­lijk geër­gerd loop ik achter haar aan, naar de afdeling waar zij woont en ik werk. Ik loop de gang in naar het kantoortje van de verpleging.

     Deze gang heeft niet de omvang van die van Santpoort, maar is ook niet gering. Er komen aan de ene kant twee huiska­mers, een eetkamer en drie slaapkamers op uit en aan de andere kant een huiskamer, twee kantoorkamers en een zijgange­tje dat naar de ergotherapieruimte en het trappenhuis leidt. In de smalle ruimte staat ook nog een grote grijze kast vol met verf voor de bezigheids­therapie.       Voor een woens­dagmiddag is er ongewoon veel bedrijvigheid op de gang. Cliën­ten die aan het werk of naar een therapie zouden moeten zijn, lopen rusteloos rond. Ik zie niemand van mijn collega’s. Verdacht. Vanuit mijn ooghoeken zie ik Boukje haar slaapka­mer inglip­pen. Zonder me eerst bij mijn collega’s te melden loop ik haar achterna en klop op de deur. Geen reactie. Na een tweede poging ga ik naar binnen. Ze zit met haar rug naar de deur op bed en kijkt niet op of om. Ik loop naar haar toe en zie aan haar blik dat zij niet aanwezig is in deze wereld. Ik hurk voor haar neer, pak haar handen vast en zeg zacht maar duidelijk haar naam. Ze rea­geert niet.      Buiten op de gang klinkt een luide gil. Ik ren naar de deur en kijk de gang in. Meneer De Leeuw zit onder­uit gezakt tegen de muur en houdt afwerend zijn handen omhoog. Gerrit torent boven hem uit en staat op het punt hem te slaan. ‘Durf dat nog eens over Joop te zeggen, klootzak !’ briest hij. Ik kijk nog een keer om, maar Boukje reageert helemaal niet op de geluiden van buiten. Ik ren de gang op. Ook collega Kees komt aangehold en hij grijpt Gerrit meteen bij de klad­den. ‘Wat is er toch met iedereen aan de hand ? ‘ roep ik vertwij­feld. ‘Weet je het dan nog niet ?,’zegt Kees, terwijl hij Gerrit probeert te kalmeren. ‘Jezus…nou, ga dan maar gauw naar het kantoor van Dijkstra, daar zit ons hele team.’ Ik kniel nog even naast meneer De Leeuw om te zien of hij in orde is. Zo te zien wel. Ik aai hem over zijn hoofd en loop naar het kantoor.  Daar zitten vijf van mijn collega’s sociotherapeuten bedrukt met elkaar te praten. Hetty’s witte huid lijkt nog doorschijn­ender dan anders en Jaap zit te snotteren. Mijn gevoel van onbehagen groeit. ‘Wat is er in godsnaam aan de hand ? ‘ vraag ik aan Paula, het afdelingshoofd, die er ook al zo belabberd uitziet. ‘Joop van Buren heeft zelfmoord gepleegd. Nee, niet hier, bij hem thuis. Hij schreef een afscheidsbrief aan de groep en aan het team. Die brieven kwamen vanochtend. We hebben de poli­tie meteen gewaarschuwd, maar het was al te laat. Ik begrijp er niets van.’ Paula barst in tranen uit en onhandig probeer ik haar te troosten. Intussen gaat er van alles door mij heen: Joop? Hoezo Joop. We hebben gisterenochtend nog samen met Boukje naar radio vier geluisterd. Naar het requiem van Fau­ré. Verdomme, hij wist het toen natuurlijk al. ‘Hoe… Hoe heeft hij..? ‘ ‘Opgehangen. Aan zijn rekstok boven de deur. Ze vroegen of hij familie had. Toen ik zei dat dat niet zo was vroegen ze of ik…’ Weer beletten tranen Paula verder te praten. Opgehangen? Joop? Dat is toch niks voor hem. Het ging de laat­ste tijd zo goed. Hij was optimistisch en dacht dat hij deze keer wat langer zonder depressies zou kunnen blij­ven. Had dat requiem me niet moeten waarschuwen? Had ik niet iets belang­rijks over het hoofd gezien? Het was de laatste weken erg druk. De nieuwe groepsleden vroegen veel aan­dacht. Hij was wel stil. Maar dat was hij meestal. ‘Hé Marianne, zeg eens iets…wat vind jij ervan, hoe voel je je ? Hij hoorde bij jouw leefgroep. We hebben het trouwens alle bewoners meteen gezegd. Als je wilt kan ik je daarover wat vertellen.’ ‘Bedankt Anne…,’ mompel ik. Hoe ik me voel. Ik voel niet veel. Ik heb het erg koud en zie steeds het gezicht van Joop voor me. Joop de mislukte ingenieur, Joop de Himmelhochjauch­zende en zum Tode Betrübte. Joop die als hij zich goed voelde alles voor zijn groepsgenoten en de begeleiding deed. Joop die na vijf opnames op gesloten afdelingen eindelijk een balance leek te hebben gevonden tussen het alles of het niets. Joop die nu kennelijk voor het niets had gekozen.   Langzaam aan begin ik iets te voelen. Het is tot mijn verba­zing geen ver­driet, maar ontzettende woede. Ik ben zo razend dat ik er bijna in stik. ‘Godverdegodver…hoe haalt ie het in z’n hoofd…ons zo achter te laten…klootzak…egoïst…,’schreeuw ik, mijn handen tot vuisten gebald in mijn broekzakken, om te voorkomen dat ik uit woede de vieze kopjes en volle asbakken van de tafel veeg. Op dat moment vliegt de deur open en Jozef van der Walle, een geflipte kernfysicus, roept dat we onmiddellijk naar de huiska­mer van groep 1 moeten komen. ‘Het is er een bloedbad, ze vermoorden elkaar.’ Groep 1 is niet mijn leefgroep, maar in geval van nood maakt dat niet uit, dus ook ik storm het kantoortje uit naar de plek des onheils.  In de huiskamer staat Anita op de salontafel met een aantal gillende mannen en vrouwen om zich heen. Ze probe­ren haar te pakken, maar haar maaiende armen, waar uit beide polsen het bloed stroomt, beletten dat. Bovendien heeft zij in haar lin­kerhand een scheermesje, waar ze woeste bewegingen mee maak­t. ‘ ­Wel goddomme.’ schreeuwt Kees,’ Anita hou op met dit slechte toneelstuk, Joop is dood en aan één drama hebben we voorlopig genoeg ! ‘  Het tableau vivant voor mij lijkt te bevriezen in de tijd. Anita stopt met maaien, de anderen draaien zich om naar Kees. Paula en ik maken gebruik van hun eerste verbazing en schieten op Anita af. Paula springt op de bank achter haar en pakt haar linkerpols stevig beet, waardoor het scheermesje uit haar hand valt. Ik heb Anita inmiddels bij haar benen vast en ga met mijn volle gewicht aan haar hangen. Anne komt aanzetten met een injectiespuit Valium. Anita, Paula en ik liggen ondertus­sen op de vloer en Kees is op haar onderbenen gaan zitten om Anne de kans te geven de spuit in Anita’s dij te prikken. Dwars door haar spijkerbroek heen, want ze is niet meer te houden van woede. De andere bewoners staan wat verloren naar ons gedoe te kijken. De actie is gelukt en Anita wordt binnen een minuut slap.  Jozef heeft inmiddels de verpleegkundig manager van zijn kantoor gehaald, die nu met een eerste hulp kistje bij Anita is neergeknield. Vlug legt hij noodverbanden aan, veegt het bloed van haar armen en consta­teert dat het er erger uitziet dan het is. ‘Waarom leren ze nou nooit eens goed te snijden ? In de lengte in plaats van overdwars,’ moppert hij. ‘Nou jongens, dat wordt sjouwen; of wacht eens, pak maar een rol­stoel uit de gang en neem haar mee naar de isoleer bo­ven. Paula, bel jij Ben van Oorschot, die heeft vandaag dienst.’ ‘Die komt er al aan vanwege de suïcide van Joop,’ zegt Paula nog bleek om de neus van deze nieuwe ontwikkeling.   Mijn collega’s zorgen ervoor dat Anita in de isoleer terecht- komt. Ik peil intussen de gemoedstoestand van haar groepsgeno­ten. Het lijkt mee te vallen. Plot­seling schiet mij Boukje door het hoofd. Verdom­me, daarom deed ze zo maf. Joop was een van haar favo­rieten. Met bonzend hart loop ik naar haar slaap­kamer en ga naar binnen.

 Ze zit nog steeds op haar bed, in precies dezelfde houding als waarin ik haar achterliet. Langzaam voel ik de spanning in mijn maagstreek wat wegtrekken, en ga naast haar zitten. Ze reageert nog steeds niet. De plotselinge dood van Joop heeft haar waarschijnlijk weer teruggesleurd in de wereld van elek­trisch licht en onmetelijke ruimtes. Het is te hopen dat ze daar geen rampzalige opdrachten krijgt. Om haar de ware proporties van dingen te laten waarnemen, helpt het soms om de grote tijger­knuffel in haar armen te drukken en te zeggen dat hij haar zal beschermen tegen alle kwaad. Waarschijnlijk is het zinloos maar toch pak ik Tijger en zet hem op haar knieën. Er gebeurt niets. Maar dan pakt zij onverwachts het pluche beest op en sluit hem stevig in haar armen. ‘Bijna hadden ze me te pak­ken..,’fluis­tert ze in zijn oor,’maar tegenwoordig gaat dat niet meer zo makke­lijk, dank­zij jou Tijger.’ Ze draait zich naar mij toe en zegt:­ ‘En ook dankzij jou.’ Daar doe ik het nou voor, denk ik. Joop is voorgoed verlo­ren, A­nita zal waarschijnlijk haar hele leven blijven snij­den, maar Boukje, dat ziet er een stuk rooskleuriger uit. ‘Kom, het is bijna etenstijd. Ga mee naar de huiskamer,dan kunnen we met z’n allen de geestelijke schade gaan opne­men die Joop heeft veroorzaakt.’zeg ik en samen lopen we stevig gearmd naar de ruimte van groep 2. De groep van Joop. ‘Hier,’zegt Jozef,’je zult wel bekaf zijn.’en hij schuift een bijzettafeltje onder mijn benen. Ik zit onderuitgezakt op de bank met in mijn linkerarm Boukje en in mijn rechterarm Jaap,­ mijn collega van groep 2. Hetty is ook gebleven. Het is beter nu samen te zijn dan thuis in je eentje. Ze ruimt samen met Nienke en Hans, die vandaag corvee hebben, de etensrom­mel op en zet koffie.      Jozef gaat in de stoel tegenover me zitten en zegt: ‘ Ik heb het gisterenmiddag nog uitgebreid met Joop gehad over die satansvloek, de neutronenbom. Hij was niet zo erg geïnteres­seerd geloof ik, maar ik bleef maar doorgaan over welk een vileine geest de vent moet heb­ben die dat ding heeft uitgevon­den. Joop is vast zo depressief geworden van mijn praatjes dat hij zich maar heeft opgehangen.’ Hij leunt achterover, slaat zijn ene been over het andere, be­kijkt uitgebreid zijn nagels en vouwt dan zijn armen over elkaar. Hij lijkt zo net een braaf jongetje dat heel oplettend in zijn schoolbankje zit en vol verwachting uitziet naar het oordeel van de juf. Geen spoor van emotie is van zijn gezicht af te lezen. Hoe gemakkelijk om je daar­door te laten mislei­den.      Boukje schiet overeind waardoor Tijger van haar schoot rolt. ‘Nee Jozef, dat is het niet hoor. Trek het je alsje­blieft niet aan. Het is vast mijn schuld. We hebben giste­renochtend, omdat ík het zo graag wilde, naar een requiem ge­luisterd. Dát is pas stom. Met iemand die last heeft van zware depressies gezellig naar een requiem luisteren.’ ‘Eerlijk gezegd moest ik ook meteen aan dat requiem denken toen ik dat van Joop hoorde. Ik was er toch ook bij ?’ z­eg ik, verrast dat ook zij dat verband heeft gelegd. Meest­al is ze vooral met zichzelf bezig. ‘Hè ja mensen, laten we elkaar lekker gaan aftroeven wie nou precies Joop over de rand heeft geholpen. Eens even pein­zen wat ik daaraan kan toevoegen.’ Hans is naast Jozef komen staan met in de ene hand een bord en in de andere een thee­doek, die hij met een dramatisch gebaar zuchtend tegen zijn voorhoofd legt. ­Gerrit is inmiddels onhoorbaar de kamer inge­lo­pen, en grijpt Hans woedend bij z’n lurven. ‘Begin jij nou godver­domme ook al, ik ram je helemaal tot gort, vuile flikker die je bent…,’ en net als hij aanstalten wil maken om zijn woorden in daden om te zetten, zijn Jo­zef, Jaap en ik al opge­sprongen en trekken Gerrit van Hans af. ‘Nou zeg, durf je wel, zo’n grote vent tegen zo’n iel manne­tje als ik,’zegt Hans, terwijl hij snel een stap achteruit doet. ‘Hou jij nou verder alsjeblieft je mond Hans,’ blaf ik hem toe,’en jij, Gerrit, dat is al de tweede keer vanmiddag dat je je handen niet thuis kunt houden. We hebben hier allemaal last van de dood van Joop, maar we slaan er niet op los, hoe graag we dat ook zouden willen. Ga zitten en pak een kop koffie. En schenk meteen voor ons in. Maar je bent gewaar­schuwd. Nog een keer en je gaat maar in je eentje op je kamer zitten.’ ‘Je moet je inhouden makker, want Anita heeft de isoleer al bezet,’ voegt Jaap er nog aan toe.’Kunnen we je los laten zonder dat je doordraaft ? ‘ ‘Ja man, láát me nou ,’ Gerrit wringt zich los, hetgeen hem met zijn kollossale lijf niet echt moeite kost, en hij gaat ver­der­op aan de eettafel zitten.      Hans is weggeslopen en staat in de deuropening toe te kijken. Hij knippert zenuwachtig met zijn oogleden en wrijft zijn handen langs zijn broekspijpen alsof ze nat zijn. Lang­zaam aan komt het weeïge gevoel in mijn maag weer opzetten. De situatie is explosief, iedereen probeert op zijn manier met de plotselinge dood van Joop om te gaan. Dat lukt niet vanzelf. Ik kijk eens naar Jaap en Hetty. Ook zij zijn op hun hoede. Hetty is naast Gerrit aan tafel gaan zitten en legt een hand op zijn vuisten. Jaap heeft de twee laatstgekomen bewoners uit hun slaapkamer gevist en mee naar de groepsruimte genomen. Alsof we het tevoren gerepeteerd hebben. Het weeë gevoel trekt een beetje weg. Ik pak het blad met koffiepot en kopjes, zet het op de salontafel en vraag de aanwezigen om rond de tafel te komen zitten.      Dan volgt een lange sessie van praten, huilen, kwaad zijn, en schuldig voelen om Joop. Tot we er bijna zelf dood bij neerval­len.

‘Kom op Gerrit,ik breng je even naar bed,luisteren we samen nog even naar de lievelingsplaat van jou en Joop. Miles Davis toch ?’zegt Jaap en neemt Gerrit mee, die hem gedwee volgt. 

Iedereen van groep 2 ligt in bed. De een met een slaap-of ontspanningsmiddel, de ander met een extra aai of nachtpraat­je. Hetty zit aan ons bureau en schrijft voor de nachtwacht de gebeurtenissen van deze gedenkwaardige dienst op. Jaap zit knikkebollend op een stoel tegenover haar. ‘Hé Jaap, zou jij niet eens je biezen pakken en een goeie borrel nemen ?’ zegt Hetty, terwijl ze luidruch­tig het boek dichtslaat. ‘Het was je eerste suïcide is het niet? Dat is even wennen.’ ‘ Wat is dat voor een bezopen opmerking Hetty ,’ zeg ik,’nooit wen je eraan en degene die beweert dat het wel zo is liegt, of is zo godvergeten afgestompt in dit werk dat….’ ‘Ja ja, ik weet wel wat je allemaal wilt gaan zeg­gen. Bespaar me je gezever over beroepsdeformatie en mijn gebrek aan ver­antwoordelijkheids- gevoel. Het is wel goed met jou. Ik ga naar huis. Aju !! ‘ Hetty staat op, graait haar jas van de kap­stok en beent met woeste stappen het kantoortje uit. ‘Tot morgen Hetty,’ roept Jaap, die ineens weer helemaal wakker is, haar nog na. Ik kan geen zinnig woord meer uitbren­gen en besluit verstandig te zijn. We zijn allemaal overstuur. Jaap rekt zich uit, geeuwt uitgebreid, pakt zijn spullen en vertrekt.

         Kees stapt binnen en informeert naar mijn welzijn en dat van mijn groep. We vertellen elkaar kort van onze weder­waar­dighe­den. Even later komen Anne en Paula erbij. In groep 1 was de isolatie van Anita wisselend ontvangen, de dood van Joop leek daarentegen minder ophef te veroorzaken. Het blijft echter voorlopig oppassen. Daarover zijn we het roerend eens. In groep 3 was alles zijn gezapige gangetje gegaan. In onze chronische club heeft men wat vechtpartijen en suïci­des be­treft zijn portie in het verleden al ruimschoots gehad. Paula informeert als laatste hoe het met ons gaat. ‘ Volgende teamvergadering maar veel aandacht daarvoor, dacht ik zo. Wat is Tineke laat. Wie blijft er nog even met mij hier om haar monde­ling over te dragen? ‘ ‘Dat doe ik wel,’zeg ik impulsief. Ver­domme. Tot mijn afgrij­zen hoor ik me er nog aan toevoe­gen: ‘Maar ga jij toch lekker naar huis, je staat al vanaf acht uur van­och­tend op je benen. Kom op, wegwe­zen.’ Even zie ik haar aarzelen. Dan pakt ook zij haar spullen en verlaat samen met Kees en Anne het huis.      Verbijsterd kijk ik hen na. Hoe komt het toch dat ik iedere keer weer degene ben die na een moeilijke dienst als laatste achterblijft en de mondelinge overdracht mag doen ? ‘Sufferd, wanneer leer je het nou eens,’denk ik.     

De voetstappen van mijn collega’s verdwijnen in de nacht. Ik ben nu helemaal alleen op de afdeling. Het suizende geluid van een kapotte tl-buis boven de medicijnkast klinkt ineens onheilspellend. Snel ga ik achter het bureau zitten om de overdracht te lezen. Zo beleef ik opnieuw de ge­beur­tenissen van deze dag. Boukje, Gerrit, Hans, Anita en niet te vergeten, Joop. Vandaag draaide het immers allemaal om hem. Gevoe­lens van geloof, hoop, liefde en schuld beheers­ten deze dag mijn gek­kenhuis. Maar waarom overheersen er vooral sch­uld­gevoelens als iemand zelfmoord pleegt ? Het zal de Hol­landse inborst wel weer zijn die ons zo dwingend de schuldkant op­stuurt en ons andere gevoe­lens zoals opluchting en bewon­de­ring voor zo’n daad niet toestaat. Zelfs af­gunst dat het hém is gelukt aan zijn gekte te ontsnappen zou hier in huis een voorstelbaar gevoel kunnen zijn. Maar daar mogen we niet over praten. Het zou mensen maar op een idee kunnen brengen.

     Ik fantaseer dat ik uitge­breid met mijn bewoners praat over de voordelen van zelfmoord. Dat het hen en hun naasten veel onnodig lijden bespaart en dat zo’n daad de geesten uit hun psycho­tische werelden mooi de loef af zou steken. Anita en Jozef zijn opgelucht dat het taboe op het onderwerp doorbroken is en vertellen enthousiast over de manier waarop zij eruit denken te gaan stappen. Al gauw melden zich meer kandida­ten en we zijn urenlang in gesprek over de juiste motieven en hand­zaam­ste middelen. Uiteindelijk wil de helft van mijn groep er vóór het komende weekend wel een eind aan maken. Eensgezind en in grote harmonie komen we tot weloverwo­gen beslissingen over het wanneer en hoe. Iedereen kiest zijn plek en methode, en de manier van afscheid nemen.

     ‘Zuster, ik kan niet slapen.’ Mijn zelfmoordwalhallah spat uit elkaar. Spijtig kijk ik op en zie mevrouw De Bruin voor mijn bureau staan. Zo krom als een hoepel en stokoud. En vastbesloten om minstens honderd te worden. Ook dát moet kun­nen. ‘Zal ik een lekker glaasje warme melk met honing voor u klaar­maken ?’zeg ik terwijl ik haar magere arm onder de mijne steek en samen met haar naar de keuken loop.

     Nadat ik haar in bed heb gestopt verdiep ik me weer in het overdrachtschrift. Plotseling krijg ik het gevoel dat achter mij iemand door het raam loert. Er loopt een rilling over mijn rug. Onwillekeurig kijk ik achterom en zie daadwer­kelijk een bleek gezicht achter het beslagen glas. Mijn hart bonst in mijn keel en tot het uiterste gespannen kijk ik toe hoe een paar grote ogen langzaam mijn kant op draait. Ik verman me, schiet over­eind en loop naar het raam om te zien wie mijn begluurder is. Het gezicht trekt zich onmid­dellijk terug. Bij het raam gekomen zie ik met moeite een vage gestal­te bij het fietsenhok om de hoek verdwijnen.      ‘Wat een vredige rust hangt er hier op de afde­ling. Er is bijna niemand meer op. Hebben jullie eindelijk besloten de medicijnen in het eten te gooien ? ‘ Tineke dragon­dert het kantoor binnen, gooit haar jas in een hoek en een stapel Prive’s op het bureau. Nog peinzend over de identiteit van de gluurder, draai ik me om en zeg: ‘Nou, de oorzaak is wat drama­ti­scher dan dat. Ga zit­ten, pak een kop koffie en luis­ter.’

 Na de overdracht loop ik, tollend van de slaap, de gang op. De meeste bewoners zijn naar bed, het licht in de gang is ge­dempt. Uit de huiskamer van groep 3 hoor ik nog wat gestom­mel. Op weg naar de voordeur werp ik een blik naarbinnen en zie Johannes in een hevige discussie verwikkeld met een cola­fles. Ik trek me snel terug en ga om de hoek nadenken over wat mij te doen staat. Mijn polsslag heeft alweer een ongezon­de snel­heid en ik voel dat ik begin te hyperventileren. Ik krijg een droge mond en mijn hartslag is onregelmatig. Om het ver­stoorde ritme weer normaal te krijgen knijp ik mijn neus dicht en blaas hard. Opgelucht voel ik het bloed weer onbelem­merd door mijn borst stromen en het akelige bonken is weg. Ik ben klaar voor verdere actie.      Johannes is een van de weinige bewoners waar ik bang voor ben. Zijn paranoïde buien lijken van het ene moment op het andere te ontstaan en dan volgt altijd een agressieve uit­barsting. Meestal naar zich­zelf, maar soms ook naar ande­ren. Hij is al zeven keer in een inrichting opgenomen geweest en altijd ont­staat hetzelfde patroon: Johannes neemt braaf zijn medica­tie, het gaat goed. Hij wil naar een resocialisa­tieafde­ling en dan gaat het fout. Hij neemt zijn medicatie slecht in, wordt weer achterdochtig en vervolgens agressief. De laatste keer was hij hier van twee hoog uit het raam ge­sprongen. Dat leverde hem twee verbrij­zelde voeten op, maar helaas weinig inzicht. Hij lijkt nu in de laatste fase van deze cyclus te zijn beland. Het is iedere keer weer de kunst om dan de schade zo beperkt mogelijk te houden. Zal ik Tineke om hulp vragen ? Nee, die werkt meest­al op Johannes als een rode lap op een stier. Nou voor­uit, naar binnen en hem gewoon vragen zijn medicatie te pakken en naar bed te gaan. Ik haal diep adem en stap de huiskamer binnen.      Johannes is nog steeds geagiteerd in gesprek met de colafles, die voor de helft leeg is. Hij staat met zijn rug naar me toe en ziet me niet binnen­komen. ‘Hallo Johannes, een latertje vanavond ? Het was ook allemaal wel heel hectisch hè ?’probeer ik dapper. Als door een wesp gestoken draait hij zich om en kijkt me met broeierige ogen aan. ‘Sodemieter gauw op, jij…jij…,’ hij staat bijna te schuim­bekken van woede en kan kennelijk niet op een voor mij passen­de bena­ming komen. Maar deze aanhef is meer dan genoeg om te maken dat ik wegkom. Ik verlaat achteruitlopend de huiska­mer en ren de gang in, naar het kan­toortje. Daar is echter nie­mand. Ik hoor Johannes briesend achter me aan komen. Voor iemand met ver­minkte voeten ontwik­kelt hij een griezelig hoge snelheid. Ik ben bijna aan het eind van de gang en kan geen kant meer op, behalve het trap­penhuis in. Snel besluit ik om links de kamer van Boukje in te vluchten. Stom van me, want nu zit ik in de val. Het is ook te laat om de deur achter me dicht te ­trekken want hij zit me letterlijk op de hie­len. Wanhopig kijk ik achterom. Net op tijd om de cola­fles te zien aankomen die ik in een reflex ontduik en vervolgens rakelings langs mijn hoofd dwars door het raam hoor vliegen. Het oor­verd­ovende gerinkel van brekend glas maakt dat de inmiddels toege­snelde Tineke mijn belager onopgemerkt van achte­ren kan be­sprin­gen. Gelukkig werkt haar enorme omvang in ons voordeel. Johannes kwakt op de grond en Tineke gaat ponteficaal bovenop hem zitten.      Boukje zit intus­sen rechtovereind in bed met ogen zo groot als schotel­tjes en een deken vol cola en glasscher­ven. ‘Blijf zitten waar je zit,’zeg ik zowel tegen haar als Tineke en ren de kamer uit om hulptroepen van de eerste etage te halen.

     Een uur later kijken Tineke, Boukje en ik opgelucht naar de snel ver­dwijnende achterlichten van de ambulance die Johan­nes meeneemt naar een psychiatrisch ziekenhuis ver van ons vandaan. Een ziekenhuis met gesloten deuren en ramen en met, voor de zekerheid, een vangnet in het trappenhuis. Een zieken­huis waar vast geen colaflessen te krijgen zijn.

    

Geeuwend van de weggevloeide spanning en de slaap verlaat ik uiteindelijk toch nog het pand. Buiten is het gelukkig wat afgekoeld, hoewel ik mijn jas niet nodig heb. Als ik de deur van het fietsenhok opendoe pakt een benige hand mij bij de pols. Voor ik de kans krijg bang te worden, zegt een vriende­lij­ke stem: ‘Zou ik alstublieft eventjes met u mogen praten ? Het gaat over Joop. Weet u wel, die zelfmoord heeft gepleegd?’

Ik bedwing mijn neiging om te lachen. Al zou ik het willen, ik zal Joop voorlopig niet vergeten. Ik vraag wie hij is en of híj door het raam van het kantoortje heeft staan gluren.

‘ Dat was ik ja. Het spijt me als ik u heb laten schrikken, maar ik wilde niemand anders dan u spreken. Ik ben de broer van Joop. Ja, ik weet het, hij zei altijd tegen iedereen dat hij enig kind was, maar dat is niet zo. Ziet u, we zijn gro­tendeels gescheiden opgegroeid. Hij bij onze moeder en ik bij onze vader. Hij wilde niets met onze vader van doen hebben, vandaar dat hij ook met mij geen contact wilde. Hij beschouwde mij als iemand die heulde met de vijand, ziet u.’

Terwijl ik stil en verrast naar hem luister, wrijft hij ner­veus in zijn handen en kijkt me boven zijn bril oplettend aan.

De gelijkenis met Joop is frappant. Dezelfde droevige ogen, dezelfde mimiek. Het is griezelig. Alsof Joop’s broer mijn gedachten raadt zegt hij: ‘Nee, we waren geen tweeling, hoewel de band erg sterk was. Ook al hield Joop al die jaren mijn pogingen tot contact af, toch lukte het me af en toe om hem onverwachts te benaderen. Dan praatten we over onszelf en onze toekomstverwachtingen, want onze ouders waren wat hem betreft een gesloten boek. Dat heb ik altijd erg jammer gevon­den. Voor hem, maar ook voor mij­zelf. Waarom denkt u dat kinderen de nei­ging hebben om de fouten van hun ouders op zichzelf te projec­teren ? Waarom zijn twee verwoeste levens niet genoeg en moest Joop ook nog dat van hemzelf en mij bederven ?’ Zijn stem is van zacht en vriende­lijk overgegaan in schril en boos. Ik kijk om mij heen en zie dat ik helemaal alleen met Joops broer op straat sta. Ik zal mij zelf hieruit moeten redden.

‘Wat wilt u van mij horen ?’ vraag ik vriendelijk, terwijl ik de deur van het fietsenhok sluit en er met mijn rug tegen­aan ga staan. Zijn handen zijn nog steeds druk in de weer, maar zijn stem klinkt alweer wat minder opgewonden als hij vertelt dat hij zo graag bij Joops begrafenis wil zijn. Of ik hem kan laten weten waar en wanneer die plaatsvindt. Lichtelijk ver­baasd maar vooral ontroerd door de eenvoud van zijn verzoek, zeg ik hem dat zodra het bekend is ik het hem zal doorbellen.

‘Helaas heb ik geen telefoon. Is het goed als ik morgen weer hier langskom, als u tenminste dan dienst heeft ? Dan hoor ik het wel.’

     Net als ik zijn adres wil vragen omdat ik het niet zo’n pret­tig idee vind dat deze man mij morgen weer zo benadert, valt mij ineens op hoe sjofel hij eruit ziet. Hoewel hij zichzelf zichtbaar gewas­sen en geschoren heeft, hangen er rafels aan zijn manchetten en een stuk touw om zijn middel zorgt ervoor dat zijn broek niet afzakt. Op de grond staan twee grote plastic tassen met onduidelijke spullen. Even aarzel ik nog, maar dan zeg ik: ‘ Het is prima als u morgen weer langskomt. Dan weet ik zeker meer.’

Iets in zijn ogen weerhoudt mij ervan om op wat voor manier dan ook naar zijn deplorabele staat te verwijzen. Hij drukt mij de hand, mompelt een bedankje en schuifelt weg in de nacht.

     Ik pak mijn fiets en rijd diep in gedachten door Am­ster­dam – Oost, langs het Tropenmuseum, over de Maurits­kade, naar mijn zolderetage. Daar maak ik mijn buurvrouw wakker en ont­kurk een fles wijn.

     Als ik eindelijk in bed stap, is mijn hoofd aangenaam verdoofd en de fles leeg.

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.